Zuurstoftoediening |
|
CPR / Advanced Life Support / ademhaling / Zuurstoftoediening Index
Tijdens een ademhalingsstilstand of een circulatiestilstand wordt de beperkte zuurstofreserve in het bloed al gauw opgebruikt waardoor de verbrandingsreactie in de weefsels dreigt stil te vallen met afsterven van de weefsels tot gevolg. Het uitvoeren van mond-op-mond beademing zal dit reserve slechts gedeeltelijk opnieuw aanvullen. Voornamelijk de hersenen zijn gevoelig aan zuurstoftekort; voor het beperken van de hersenschade is het dan ook essentieel dat er aan de beademingslucht zo snel mogelijk extra zuurstof wordt toegevoegd.
Zuurstof met chemisch symbool O2 heeft een moleculair gewicht van 32 Dalton en een kookpunt - de temperatuur waarbij de vloeistof overgaat in gasvorm - van -183ëC bij een druk van 760 mmHg. Neemt de omgevingsdruk toe, dan stijgt het kookpunt van zuurstof. Er bestaat evenwel een kritische temperatuur waarboven de stof zich steeds volledig in gasvorm bevindt. Voor zuurstof bedraagt deze kritische temperatuur -118ëC. Bij kamertemperatuur is zuurstof dus steeds een gas!
|
Zuurstof bij reanimatie |
Tijdens een reanimatie trachten we om zo snel mogelijk de beademing aan te vullen met een maximum aan zuurstof. Hiertoe sluiten we een zuurstoffles aan op de beademballon met zuurstofreservoir. We geven tijdens de beademing een maximum van 15 liter zuurstof per minuut. De ingeademde zuurstoffractie is recht evenredig met de concentratie zuurstof (100% bij gebruik van een zuurstoffles) en omgekeerd evenredig tot het teugvolume bij de beademing. Indien het teugvolume 750 ml bedraagt en de beademfrequentie 12 keer per minuut, is een flow van 10 L/minuut vereist om een ingeademde zuurstoffractie van 100% te bekomen.
Een verbetering in de kleur van de patiënt wijst op verbeterde
weefseloxygenatie. Draagbare saturatiemeters met vingerprobe zijn beschikbaar om de
saturatie
van de patiënt te controleren. Een normale
arteriële aturatie
bedraagt meer dan 93%,
tijdens de reanimatie hou je de
arteriële aturatie
zeker boven 90%.
Recente studies onthulden een mogelijk voordeel van het gebruik van lucht
met 21% zuurstof bij de reanimatie van neonati. Er bestaat voor deze
theorie op heden echter te weinig wetenschappelijke evidentie om in de
praktijk toegepast te worden
[59].
Gevaar van zuurstoftoediening |
Zuurstof wordt onder hoge druk opgeslagen in een zuurstoffles. In combinatie met een brandstof bestaat er een reëel brandgevaar. Je mag dus nooit de connecties van een zuurstoffles invetten. Zorg ook dat er niet gerookt wordt en dat er geen vonken gemaakt worden tijdens de zuurstoftoediening.
Tijdens de defibrillatie kunnen vonken ontsnappen met brandgevaar tot gevolg. Het is dus raadzaam enkele voorzorgsmaatregelen te treffen indien je een patiënt met extra zuurstof wenst te defibrilleren.
Complicaties van zuurstoftoediening |
Bij patiënten die lijden aan Chronische Aspecifieke Respiratoire Aandoeningen (C.A.R.A.) - voornamelijk type II of de blue bloaters - kan overmatige zuurstoftoediening de ademhaling onderdrukken. Deze patiënten leven immers met een hoge PaCO2 waardoor eveneens de cerebrale bicarbonaatconcentratie is verhoogd. De medullaire chemoreceptoren worden gereset op een hogere waarde voor CO2 wat de gevoeligheid voor hypercapnie verlaagt. De enige drive om te ademen komt aldus door zuurstoftekort. Aldus zullen deze patiënten bij een hogere zuurstofconcentratie gaan hypoventileren.
CPR / Advanced Life Support / ademhaling / Zuurstoftoediening