Ventriculaire fibrillatie


Index



Diagnose ventriculaire fibrillatie

Index

Symptomen ventriculaire fibrillatie

De diagnose van een ventrikelfibrillatie wordt gesteld door een analyse van het hartritme op een elektrocardiogram. Toch kunnen volgende symptomen helpen bij het stellen van de diagnose:

Electrocardiografische bevindingen ventriculaire fibrillatie

Afname van het EKG bij ventrikelfibrillatie

Om het elektrocardiogram correct te interpreteren en te verijwaren van artefacten bij afname, is het noodzakelijk om voor de afname tijdelijk de Hartmassage te onderbreken. Deze werkwijze komt echter de outcome van de patiënt niet ten goede, de onderbreking van de hartmassage dient dus zo kort mogelijk te blijven.

Analyse van het EKG

Het elektrocardiogram van een ventrikelfibrillatie toont een irreguliere golf, schijnbaar willekeurig in frequentie en amplitude: elektrocardiogram ventrikelfibrillatie

De differentiaaldiagnose tussen ventriculaire fibrillatie en asystolie kan verwarrend zijn indien slechts één afleiding wordt geanalyseerd of indien de fibrillatie slechts een minuscule amplitude vertoont. Aangezien een ventriculaire fibrillatie beter behandelbaar is dan een asystolie en de resuscitatie dus meer kans heeft op slagen, is het zeer belangrijk dat de diagnose met aandacht wordt gesteld. De afleiding alsook de connecties en helderheid van de monitor moeten worden gecontroleerd. Ook een automatische externe defibrillator zal een zeer fijne ventriculaire fibrillatie niet opmerken indien de amplitude van de fibrillatiegolf onder de sensitiviteit van het toestel zit. Het toestel zal besluiten dat een defibrillatieschock niet noodzakelijk is waardoor kostbare tijd verloren gaat. Stel het toestel in op manueel gebruik om deze fout te negeren.
Recente vooruitgang in signaalanalyse en het verwijderen van storingen op het elektrocardiogram kunnen deze problemen in de toekomst misschien verijdelen.

Gedurende jaren nam men aan dat de fibrillatiegolf een willekeurige golf is. Meer recent veronderstelt men dat de golf bestaat uit een niet-lineair patroon van wegvloeiende spiraalvormige golven van elektrische activiteit welke over het myocard reizen tot ze afgebroken worden. Het belangrijkste aspect van niet-lineaire systemen is het feit dat kleine veranderingen in de initiële toestand een enorme weerslag op het geheel kunnen hebben. Dit fenomeen werd gepopulariseerd door Lorenz als het "Butterfly-effect".
Met een dergelijke mathematische beschrijving van de fibrillatiegolf zou men aan chaoscontrole kunnen doen door een kleine stimulus op een welbepaald punt toe te passen via een "slimme pacemaker" om de fibrillatie te voorkomen of te herstellen. Men heeft dan niet langer honderden joules energie nodig om een fibrillerend hart in zijn oorspronkelijk ritme te herstellen.
Fasen in de ventriculaire fibrillatie
Bovendien beschouwt men de fibrillatiegolf best in functie van het tijdsverloop na het ontstaan. We onderscheiden drie belangrijke fasen:
  1. Elektrische fase: De eerste ogenblikken na het ontstaan van de fibrillatie is de ischemische schade nog zeer beperkt. De kans op succesvolle defibrillatie is in deze fase het grootst
  2. Circulatoire fase: Na drie tot vier minuten lijkt het onmiddellijk toedienen van een elektrische schok minder succesvol en eerder aanleiding te geven tot refractaire fibrillatie of tot het onstaan van een PEA of asystolie - wat op zich een verslechtering van de prognose inhoudt. In deze fase kan het nuttig zijn om, door middel van effectieve hartmassage, het hart te preconditioneren voor de defibrillatie
  3. Metabole fase: Na een tiental minuten is er irreversiebele ischemische schade opgetreden ter hoogte van de myocyten en de neuronen. Men belandt in een fase waarbij zelfs na preconditionering, noch de defibrillatie noch enig ander therapeutisch ingrijpen succesvol is.

Amplitude

De amplitude zou de ernst en duur van de fibrillatie kunnen representeren en dus een prognostische waarde hebben. Men merkt immers dat de amplitude van een ventriculaire fibrillatie verkleint met de duur van de ischemie.  Een fijne fibrillatiegolf, gedefinieerd als een amplitude van minder dan 0.2 mV, gaat gepaard met een groter tijdsinterval tussen collaberen van de patiënt en de start van BLS. Kort na het collaberen merkt men een bredere fibrillatiegolf. Een amplitude van laag voltage zou aldus overeenkomen met een slechtere prognose [3].
De amplitude van de oorspronkelijke fibrillatiegolf is de belangrijkste determinant voor het ontstaan van een stabiel post-shock ritme en de tijdsinterval tot opnieuw fibrilleren. Een initiële amplitude van meer dan 0.5 mV gaat gepaard met een hoge kans op overleven indien de defibrillatie tot stand kwam na minder dan twee shocks. De kans op conversie naar een stabiel ritme daalt met elke defibrillatiepoging van 30% initieel naar 2% na vier pogingen. Ook vermindert in dit geval de tijdsduur tussen de cardioversie en een mogelijke nieuwe fibrillatie.
Het meten van de amplitude van de fibrillatiegolf werd recent veel eenvoudiger met de toepassing van digitale signaalanalyse. Hiermee meet men het gemiddelde voltageverschil tussen top en dal van een gegeven tijdsinterval. Toch blijven nog enkele moeilijkheden bestaan: de amplitude van de golf is afhankelijk van het gewicht van de patiënt, de vorm van de thorax en de transthoracale impedantie. Tevens is de amplitude afhankelijk van de richting waarin de gemiddelde fibrillatievector zich voortplant ten opzichte van de huidelektroden. Vermoedelijk blijft het voorspellen van de outcome op basis van de amplitude van de fibrillatiegolf te rudimentair. 
 
Adrenaline en sympathicomimetica vergroten de amplitude van een fibrillatiegolf, doch hebben schijnbaar geen gunstige invloed op het succes van de defibrillatie. Men zal in de behandeling dus geen tijd verliezen door eerst farmaca toe te dienen. Recent twijfelt men echter omtrent deze theorie.

Frequentie

Om deze redenen ontstond een interesse in andere eigenschappen van de fibrillatiegolf. Om de frequentie van de fibrillatiegolf te kunnen analyseren heeft men nood aan meer gesofisticeerde monitors dan voor de analyse van de amplitude. Verbeteringen aan de technologie gebaseerd op microprocessoren leidde tot analyse van de fibrillatiegolf met de methode van Foerieranalyse. Bij deze methode beschouwt men de fibrillatiegolf als een som van kleinere subunits (van bijvoorbeeld 3 seconden in tijdsduur) met elk een eigen amplitude en frequentie. Men kan met deze kleinere golven dan meer berekeningen maken. 

De meest bestudeerde variabelen zijn de mediane frequentie en de dominante frequentie. De mediane frequentie weerspiegelt veranderingen in kracht en frequentie over tijd. Men trachtte uit de mediane frequentie de tijdsduur sinds het ontstaan van de fibrillatie te achterhalen. Er bestaat inderdaad een verband en bovendien is er voor wat betreft de mediane frequentie minder interpersoonlijke variabiliteit. Tevens toonde men bij dieren aan dat de mediane frequentie correleert met de myocardiale perfusie tijdens hartmassage [44]. Men zou aan de hand van deze berekeningen beter kunnen voorspellen of een defibrillatie succesvol zal zijn. Bovendien kan men de mediane frequentie beënvloeden door het toepassen van C.P.R., wat betekent dat men de kans op succesvolle defibrillatie dus zou kunnen beënvloeden door het toepassen van de juiste therapeutische maatregelen.
Toch moet men voorzichtig zijn om deze dierresultaten te extrapoleren naar mensen. Desalniettemin zijn de initiële studies die de mediane frequentie bij mensen bestuderen, zeer belovend. Bij patiënten welke een hartingreep ondergaan is een mediane frequentie groter dan 5.5 Hz voorspellend voor succesvolle defibrillatie met een sensitiviteit van 100% [44]. De dominante frequentie staat in verband met de amplitude. Ook indien de dominante frequentie groot is, is er meer kans op succes bij defibrillatie

De Fourrier analyse stelt echter ook enkele fundamentele problemen. De technologie kan enkel worden toegepast op stationaire signalen welke niet veranderen in de tijd. De fysiologische deterioratie die ontstaat in het myocard tijdens perfusiestilstand maakt dus dat we dergelijke berekeningen niet kunnen toepassen. Bovendien geeft de Foerieranalyse enkel informatie over het globale aspect van het segment van de fibrillatiegolf. Locatiespecifieke informatie gaat hierbij dus verloren. Een ander probleem is de tijdsduur die verloopt tussen het afnemen van het E.K.G. en de analyse, waardoor het timen van de defibrillatie onmogelijk wordt. 

Gezien men specifieke en lokale informatie van de fibrillatiegolf verliest bij de vorige methoden, introduceerde men in de vroege jaren ë80 de methode van Wavelet Transform Analysis waarbij men lokale spectrale en temporale informatie uit een signaal kan extraheren. De informatie wordt met deze methode minder uitgespreid over de tijd.

Differentiaal diagnose

Occulte ventrikelfibrillatie

Heel soms noteert men een ventrikelfibrillatie met een zeer kleine amplitude waardoor de analyse van het hartritme met een asystolie kan verward worden. Een dergelijk tracë definieert men als een "occulte ventrikelfibrillatie". Om deze situatie te voorkomen is het aangeraden om de ventrikelfibrillatie op te sporen in twee of meerdere afleidingen van het elektrocardiogram.

Valse asystolie

Meer frequent dan de occulte ventrikelfibrillatie is de valse asystolie waarbij ten gevolge van een technische fout - geen stroom, ontkoppelde afleidingen, polarisatie van de electrodengel - een vlakke lijn zichtbaar is op het elektrocardiogram wat vals geënterpreteerd wordt als een asystolie.

Definitie defibrillatie

Index

Defibrillatie omvat het toedienen van voldoende elektrische stroom om bij een ventriculaire fibrillatie of een ventrikeltachycardie, een kritische massa van het myocard te herstellen naar een gecoördineerde activiteit. De defibrillatie wordt als succesvol beschouwd indien de ritmestoornis vijf seconden na de defibrillatie omkeert in een leefbaar hartritme.
Het uiteindelijke doel van de defibrillatie omvat uiteraard het herstellen van de spontane circulatie. Bij een plotse hartstilstand is vroegtijdige defibrillatie van primordiaal belang, om die reden werd het gebruik van een automatische externe defibrillator toegevoegd aan de richtlijnen voor Basic Life Support.


Precordiale vuistslag

Index


De mechanische energie van een vuistslag op de thorax wordt omgezet in een hoeveelheid elektrische energie die voldoende kan zijn om de omzetting van de ventrikelfibrillatie naar een normaal hartritme te verwezenlijken.
Toch zal onmiddellijk na het intreden van een ventrikelfibrillatie - en in een tijdspanne van enkele seconden - de drempelwaarde van de energie die het fibrillatieritme kan converteren, snel oplopen. De precordiale slag is dus voornamelijk succesvol bij het converteren van een ventrikeltachycardie naar een sinusaal ritme. Het converteren van een ventrikelfibrillatie met behulp van een precordiale slag is minder waarschijnlijk en in alle gevallen waarbij men succes boekte werd de precordiale vuistslag toegediend binnen de tien seconden na het collaberen van de patiënt [57]. Anderzijds wordt genoteerd dat een precordiale slag af en toe de ventrikelfibrillatie versnelt of de ventrikeltachycardie omzet in een ventrikelfibrillatie, een asystolie of een volledig hartblok.

Overweeg dus om een precordiale slag toe te dienen enkel indien je getuige bent van het collaberen van het slachtoffer, na het vaststellen van een circulatiestilstand en indien een defibrillator niet onmiddellijk beschikbaar is. Een dergelijke situatie zal zich voornamelijk voordoen binnen de muren van het ziekenhuis bij een gemonitorde patiënt.

Techniek

Sla van op een hoogte van ongeveer 20 centimeter met een licht gebalde vuist kort en krachtig op de onderste helft van het sternum. Trek nadien meteen je vuist terug.


Defibrillatoren

Index

Inleiding defibrillatoren

Een defibrillator is een elektrische transformator die een gelijkstroom opslaat om nadien te ontladen. Om het toestel op te laden wordt gebruikt gemaakt van elektrische energie van herlaadbare batterijen of van het net. De opgeslagen energie wordt gecontroleerd ontladen via paddels of kleefelektroden die op de borstkas van het slachtoffer aangedrukt worden.
Ondanks het feit dat externe defibrillatie reeds vijftig jaar geleden voor het eerst beschreven werd, is op heden weinig bekend over het mechanisme van defibrillatie, over de optimale energiegolf en over het optimale energieniveau.
Moderne defibrillatoren registreren simultaan het elektrocardiogram op het scherm van het toestel.

Automatische Externe Defibrillatoren (A.E.D.)

Automatische Externe Defibrillatoren worden hebben een ingebouwd programma dat het hartritme controleert en beslist of een defibrillatieschok noodzakelijk is. Deze toestellen kunnen gebruikt worden door leken, de toepassing werd opgenomen bij de technieken van Basic Life Support.

Een medisch getrainde hulpverlener kan de automatische externe defibrillator ook gebruiken als ECG-monitor [3], niettegenstaande de handleiding aangeeft dat het toestel enkel geschikt is voor situaties van vermoedelijk cardiaal arrest. In een AED is meestal de optie voorzien om het toestel volkomen manueel te bedienen.

De handbediende defibrillator

Bij een handbediend toestel interpreteert de gebruiker het ritme en beslist of er een defibrillatoire schock wordt toegediend. De kracht van de schock wordt manueel ingesteld, het toestel wordt geladen en de schock wordt toegediend zonder de paddels van de borstkas te verwijderen. Meestal is het mogelijk om het defibrillatietoestel te besturen door middel van enkele knoppen op de paddels. Aangezien de gebruiker zelf het elektrocardiogram moet interpreteren, worden deze toestellen voorbehouden voor medisch geschoold personeel.


Determinanten van de defibrillatie

Index

Inleiding

Met de elektrische defibrillatie trachten we het merendeel van het myocardweefsel door middel van een stroomstoot simultaan te depolariseren om zo de natuurlijke pacemakers de kans te geven de controle over het hart te herstellen. Myocardiale cellen die niet repolariseren kunnen de fibrillatie niet onderhouden. Defibrillatie voorkomt verdere fibrillatie door de refractaire periode van de myocardcel te verlengen.

Het succes van de defibrillatie is afhankelijk van een goede passage van voldoende elektrische stroom doorheen de thorax. Er dient immers een kritieke massa van het myocard te worden gedepolariseerd om een conversie van het ritme tot stand te brengen. In de klinische praktijk passeert slechts 4% van de toegediende energie doorheen het myocard, wat echter voldoende is voor een succesvolle defibrillatie. Deze geleverde stroom (Im) ter hoogte van het myocard is voornamelijk afhankelijk van de transthoracale weerstand (TTI). Er bestaat geen duidelijke correlatie tussen het lichaamsgewicht van de patiënt en de toe te dienen energie bij volwassenen [22].

Tijdsduur tussen de fibrillatie en de defibrillatie

Het is heel belangrijk om snel na het intreden van de ventrikelfibrillatie de defibrillatie uit te voeren. Gedurende CPR met optimale hartmassage bereikt men een cardiac output van maximaal 30%, wat onvoldoende is om te voorzien in de zuurstofbehoefte van het hart en de hersenen. Wordt de perfusie van de myocardcellen ontoereikend, dan ontstaat een depletie van hoogenergetische fosfaten en accumuleren de lactaat- en waterstofionen intra- en extracellulair. Deze veranderingen in het fysiologische milieu van het hart staan een succesvolle behandeling van de circulatiestilstand nog meer in de weg. Men veronderstelt dat een dalign van het ATP tot 10% van het normale niveau aanleiding geeft tot irreversibele celschade.

Ten gevolge van de veranderingen in het fysiologische milieu worden de myocyten na het stilvallen van de perfusie steeds minder kapabel om hun normale functie te hervatten, zelf bij herstel van de normale perfusie [44]. Na een succesvolle reanimatie is het linker ventrikel meestal gedilateerd met een verminderde contractiliteit en een  significante dalign van de Linker Ventriculaire Ejectiefractie (LVEF) en een vermindering van de neurologische functie, evenredig met de tijd die toeneemt na het ontstaan van de fibrillatie.
Twee klokken tikken dus gelijktijdig ongenadig verder: de klok welke het therapeutisch interval registreert van collaps tot aankomst van de defibrillator en de klok welke het interval tot irreversibele schade bepaalt; tussen de start van het corarrest en het ogenblik van permanente, irreversibele hersenschade.

Anderzijds tonen andere studies ook aan dat onverhoeds defibrilleren ook nefaste gevolgen kan hebben. Het lijkt alsof we het tijdstip voor het uitvoeren van een defibrillatie nog exacter moeten bepalen. Onderneem je een defibrillatiepoging terwijl de myocardiale metabole status is gecompromitteerd, dan zijn de kansen op succes veel kleiner en is het risico op het ontstaan van een asystolie meer uitgesproken. Defibrillatie kan het precair myocard bovendien nog meer schade toebrengen. Om deze redenen zou het zeer interessant zijn mocht men de metabole status van het myocard kunnen bepalen. Afhankelijk daarvan kan men de behandeling bij fibrillatie eventueel aanpassen.

CPR vóór defibrillatie?

Werd geen hartmassage doorgevoerd en verliep er een belangrijke tijdsperiode - meer dan vijf minuten - tussen de circulatiestilstand en de beschikbaarheid van een defibrillator, dan zou het herstellen van de coronaire perfusie door toepassen van hartmassage gedurende een korte periode vooraleer men het hart defibrilleert, de outcome na reanimatie kunnen verbeteren [56]. Het is echter moeilijk om de studies waarbij men, in een georganiseerde setting, een geëntubeerde patiënt reanimeerde met toediening van 100% zuurstof bij de beademing, te extrapoleren naar de urgentiesetting waar de kwaliteit van CPR minder goed is. Toch lijkt het aanvaardbaar dat urgentiepersoneel gedurende ongeveer twee minuten reanimeert bij patiënten waarbij de circulatiestilstand reeds langer dan vijf minuten bestaat, vooraleer te defibrilleren [56]. Het is echter moeilijk om het exacte tijdstip van de plotse hartstilstand te bepalen, waardoor je deze periode van "CPR vóór defibrillatie" best toepast bij alle patiënten waar geen getuige van de plotse hartstilstand aanwezig is. Wetenschappelijke evidentie voor deze werkwijze is echter heel beperkt. Voor reanimaties in het ziekenhuis wordt deze strategie niet weerhouden.

De transthoracische weerstand

Definitie transthoracale weerstand (TTI)

De stroomsterkte van de stroom die door het hart gaat is afhankelijk van het geleverde voltage door de defibrillator ten opzichte van de weerstand die de stroom ondervindt tijdens de geleiding doorheen de thoraxwand, de longen en het myocard. Deze weerstand wordt de transthoracale weerstand genoemd. De transthoracale weerstand bestaat uit drie componenten:
  1. Extra-corporele weerstand: defibrillator en leidingen
  2. Weerstand van de extra- en intracardiale weefsels
  3. Weerstand tussen huid en elektrode
De belangrijkste weerstand komt voort vanuit de weefsels. Bij een defibrillatie bedraagt de transthoracale weerstand ongeveer 70 tot 80 Ohm, afhankelijk van het lichaamsgewicht [56]. Weerstand defibrillatie

Bij een weerstand van ongeveer 50 Ohm gaat er een stroom van 2 ampères doorheen het myocard. Een hoge transthoracale weerstand vermindert de transmyocardiale stroom en maakt de kans op een succesvolle defibrillatie kleiner. Neem daarom voldoende maatregelen om de transthoracale weerstand te beperken. We hebben geen vat op de intrinsieke factoren zoals het longvulume of de grootte van de thorax. Wel kunnen we extrinsieke factoren zoals het contactoppervlak tussen de elektroden en de huid, de druk op de paddels en de positie van de defibrillatiepaddels aanpassen om de transthoracale weerstand te verkleinen.

Maatregelen om de transthoracale weerstand te verkleinen

Monofasische versus bifasische defibrillatoren
Monofasische defibrillatoren zijn meer gevoelig voor een hoge transthoracale weerstand. De uiteindelijk toegediende piekstroom is kleiner terwijl de duur van de energiegolf verlengd wordt, met een kleinere efficiëntie tot gevolg. Bifasische defibrillatoren worden meestal gecontroleerd door een elektrisch circuit dat de transthoracale weerstand meet en nadien de energiegolf aanpast naar de optimale efficiëntie.
Scheer de huid onder de elektrode
Bij patiënten met een harige borstkas beperkt het luchtlaagje tussen het oppervlak van de elektrode en de huid de doorgang van de elektrische stroom. Hierdoor ontstaat een grote weerstand en een verminderde efficiëntie van de defibrillatie. Er is ook een groter risico op het ontstaan van vonken en brandwonden. Scheer daarom snel de huid in de omgeving van het contactoppervlak met de elektrode. Stel echter de defibrillatie niet uit indien een scheermesje niet onmiddellijk beschikbaar is.

Geef voldoende drukkracht op de paddels
Maak je gebruik van paddels, druk deze dan heel stevig aan op de borstkas van het slachtoffer. Hierdoor ontstaat een beter elektrisch contact tussen de elektrode en de huid en vermindert de transthoracale weerstand. Bovendien verkleint het thoraxvolume, wat eveneens een gunstig effect heeft.
De optimale kracht op de paddels van de defibrillator bedraagt 8 Kg bij volwassenen en 5 Kg bij kinderen tussen 1 en 8 jaar indien men gebruik maakt van paddels voor volwassenen [56]. De kracht van 8 Kg kan niet door iedereen worden bereikt, om die reden lijkt het meest opportuun om de sterkste hulpverlener de defibrillatie te laten uitvoeren [56]. Indien meer dan 11kg  wordt uitgeoefend zal de weerstand nog meer verkleinen.

Gebruik een geleidende gel
In tegenstelling tot de zelfklevende elektroden hebben de paddels een metalen plaat die contact maakt met de huid van de patiënt. Om de weerstand te verkleinen en de kans op brandwonden te verminderen [56] gebruik je steeds geleidende elektrode gel of defibrillatie pads. De gel dient vooral op de randen van de elektroden te worden aangebracht. Gebruik nooit medische gel of pasta - zoals de gel gebruikt bij echografie. De pads krijgen evenwel de voorkeur omdat de gel zich kan verspreiden tussen de twee elektroden wat de efficiëntie van de defibrillatie verkleint en de kans op vonken vergroot [56]

Verwijder transdermale farmaca
Medicatieklevers verhinderen een goed contact van de elektrode met de huid en dus de energietoediening. Indien de elektroden rechtstreeks op de pleister worden gepositioneerd kunnen ze brandwonden veroorzaken. Verwijder daarom eventuele medicatieklevers en reinig de huid vóór het plaatsen van de elektrode.

Defibrilleer aan het einde van de expiratie
De transthoracale weerstand is minimaal wanneer de longen leeg zijn. Indien mogelijk defibrilleer je dus best aan het einde van de expiratie. De toepassing van PEEP verhoogt de transthoracale weerstand, tracht deze instelling tijdens een defibrilaltie te vermijden. Bij astmapatiënten is de auto-PEEP soms bijzonder hoog waardoor een hogere energie-instelling voor de defibrillatie noodzakelijk kan zijn [56].

Meerdere defibrillatieschokken
Een aantal studies suggereerden dat het opeenvolgend toedienen van meerdere defibrillatieschokken de transthoracale weerstand beperkt maar significant verkleint. De reden hiertoe wordt toegeschreven aan een toename van de bloeddoorstroming van het myocard met dus een toename in weefselbloedvolume of in weefseloedeem [1]. De transthoracale weerstand zou meest dalen indien een bepaald tijdsinterval gerespecteerd wordt tussen de verschillende defibrillatieschokken. Net om deze reden wordt in de actuele guidelines aangeraden om telkens één defibrillatieschok toe te dienen, gevolgd door een periode van hartmassage.
Vermoedelijk daalt ook na het sequentieel toedienen van meerdere bifasische defibrillatieschokken de transthoracale weerstand beperkt doch significant.
Escalatie van het energieniveau
Bij het toedienen van meerdere consecutieve defibrillatieschokken, zou een escalatie van het energieniveau in de opeenvolgende schokken de transthoracale weerstand nog verder kunnen verkleinen. Dit heeft vermoedelijk te maken met een mechanisme van weefselionisatie.
Om deze reden werd door de oorspronkelijke guidelines bij gebruik van een monofasische defibrillator, een sequentie van defibrillatieschokken aan 200J, 200J en 360J aangeraden. Bij de tweede schok veronderstelde men dat de transthoracale weerstand reeds kleiner was ten gevolge van het mechanisme van meerdere defibrillatieschokken.

In de praktijk blijkt de transthoracale weerstand enkel significant te variëren bij lage energiewaarden [1].

De lichaamsomvang

Voor defibrillatie bij kinderen is minder energie nodig dan bij volwassenen. Bekeken over het gemiddelde bij volwassenen is echter de invloed van de lichaamsomvang gering.

De elektroden

Zelfklevende elektroden versus paddels

Zelfklevende elektroden kunnen veilig en efficiënt gebruikt worden en genieten de voorkeur op de standaard paddels gebruikt bij defibrillatie. Voornamelijk bij dreigende hartstilstand en onder omstandigheden waar de toegankelijkheid tot de patiënt bemoeilijkt wordt, zijn de zelfklevende elektroden heel praktisch. Ze laten immers toe om de defibrillatie uit te voeren van op een afstand van de patiënt, terwijl bij gebruik van de paddels het noodzakelijk is om over de patiënt te buigen. De transthoracale weerstand is bij beide hulpmiddelen identiek. In pre-arrest situaties is het nuttig om het hartritme te monitoren met behulp van de elektroden of de paddels. Deze laten immers toe om indien nodig onmiddellijk te defibrilleren, in tegenstelling tot de klassieke ECG-electroden. In deze situatie werkt men nog sneller met de zelfklevende elektroden dan met de paddels. Na de defibrillatie worden de gel pads gepolariseerd waardoor ze interfereren met de analyse van het hartritme: gedurende drie tot vier minuten leest men een valse asystolie af op de monitor. Dit probleem bestaat niet indien je de zelfklevende elektroden gebruikt. Bevestig dus steeds het tracë van het elektrocardiogram indien je gebruik maakt van gel pads.

Positie van de elektroden

De ideale positie voor de elektroden is deze waarbij een maximale stroom doorheen het fibrillerende deel van het myocard vloeit. Bij een ventriculaire fibrillatie of tachycardie zijn dit de ventrikels, bij een voorkamerfibrillatie de atria.

Conventioneel plaatst men bij de defibrilaltie van een ventrikelfibrillatie de elektroden in de conventionele sternum-apex positie. De rechter of sternale elektrode plaats je rechts naast bovenste deel van het sternum en onder de clavicula. De linker of apicale elektrode plaats je in de vijfde intercostale ruimte links midaxillair, ter hoogte van de cardiale apex of van V6 op het elektrocardiogram. Plaats de elektrode voldoende lateraal en niet op het borstweefsel van de vrouw om de transthoracale weerstand zo klein mogelijk te houden.
Een alternatief is de biaxillaire positionering waarbij de ene elektrode in de normale apicale positie wordt geplaatst, terwijl de andere elektrode op de rechter thoraxhelft  of op de linker bovenrug gedrukt wordt. Ook kan men ëën elektrode plaatsen boven het precordium en de andere elektrode net onder de linker scapula, posterieur van het hart.
Het maakt bij al deze positioneringen niet uit welke elektrode gebruikt wordt voor de apex en welke voor het sternum. Tevens werd de positionering van de electroden nog niet geëvalueerd in klinische studies met betrekking tot de overleving van de patiënt [56].

De meeste paddels voor defibrillatie zijn rechthoekig waardoor ze in de lengterichting (craniocaudaal) van de patiënt worden geplaatst. Nochtans blijkt uit de praktijk dat de apicale paddel ook wel eens transversaal geplaatst wordt. Transversale oriëntatie van de paddels verhoogt nochtans de transthoracale weerstand omdat het contact van de paddel met de gebogen thoraxwand minder groot is in deze positie. Bovendien is de stroomdichtheid groter waardoor men meer risico heeft op brandwonden ter hoogte van de huid van de patiënt. Om deze redenen wordt de transversale positionering van de defibrillatiepaddels niet aangeraden [45].

Grootte van de electroden

Bij volwassenen gebruiken we electroden met een grootte van 8 - 12 cm. Het totaal van de beide oppervlakten van de electroden moet minstens 150 cm2 bedragen [56], terwijl de kans op een succesvolle defibrillatie groter is indien men de electroden van 12 cm gebruikt [56]. Bij  grote electroden verkleint de transthoracale weerstand, anderzijds vermindert ook de stroom die doorheen het myocard zal vloeien.

Bij kinderen ouder dan acht jaar kan men een standaard AED gebruiken. Bij kinderen tussen ëën en acht jaar gebruikt men pediatrische paddels en een lager energieniveau, eventueel in te stellen via de pediatrische modus van het toestel.


Defibrillatie bij VF

Index


Inleiding

Zoals beschreven in het actieplan voor BLS zal je bij een slachtoffer dat plots collabeert in eerste instantie te zorgen voor de veiligheid van jezelf, van de omstanders en van het slachtoffer. Controleer nadien het bewustzijn en de ademhaling van het slachtoffer. Stel je vast dat het bewusteloze slachtoffer geen normale ademhaling vertoont, laat dan onmiddellijk een defibrillator brengen. Start in afwachting de reanimatie.
Indien er geen getuigen zijn van het tijdstip van collaberen van de patiënt en indien er twee professionele hulpverleners aanwezig zijn met een defibrillatietoestel, is het nuttig om eerst twee minuten te reanimeren alvorens te defibrilleren - dit komt overeen met vijf cycli van hartmassages en beademingen.

Zodra de defibrillator beschikbaar is, wordt het toestel neergezet naast het linkeroor van het slachtoffer. De hulpverlener voert de hele procedure uit aan de linkerzijde van het slachtoffer wat een beter gebruik van het toestel toelaat.  Er blijft daarbij ruimte vrij aan de rechterzijde van het slachtoffer voor het uitvoeren van de hartmassage door een tweede hulpverlener. Dergelijke posities zijn nuttig doch in de praktijk niet steeds mogelijk; alternatieve posities kunnen dan ook naar gelang de omstandigheden met evenveel succes gebruikt worden.

Eën schok versus drie schokken

Het gebruik van ëën versus drie opeenvolgende defibrillatieschokken werd tot heden niet geëvalueerd in klinische studies [56]. Wel is aangetoond dat bij zelfs korte onderbrekingen in de sequentie van hartmassage om te beademen of om een analyse van het hartritme uit te voeren, de kans op herstel van een normaal ritme snel vermindert. Na de reanimatie zal ook meer myocarddysfunctie voorkomen met een slechtere outcome voor de patiënt [56]. Toch wordt bij elke reanimatie de sequentie van thoraxcompressies geregeld onderbroken, de tijd die daarbij besteed wordt aan hartmassage is gemiddeld slechts 51 tot 76% van de totale CPR-interventie [56].

Het toedienen van drie defibrillatieschokken zoals aangeraden in de vroegere richtlijnen, zorgde voor belangrijke onderbrekingen in het doorvoeren van de reanimatie [56]. Daarbij is de efficiëntie van een eerste bifasische schok meer dan 90% wat betekent dat een persisterende ventrikelfibrillatie na een eerste defibrillatie eerder een teken is van de nood aan hartmassages dan aan een volgende defibrillatieschok [56]. De nieuwe richtlijnen raden dan ook aan om onmiddellijk, na het toedienen van de eerste defibrillatieschok, de reanimatie gedurende twee minuten verder te zetten met cycli van dertig hartmassages en twee beademingen. Na de tijdsperiode van twee minuten kan, indien nodig, een nieuwe defibrillatieschok toegediend worden.

Zelfs indien de defibrillatie het hartritme en de perfusie herstelde, kan je zelden de carotis palperen. Een poging om in dit geval de hartslag te controleren leidt enkel tot onnodig tijdverlies waarbij het mycoard verder gecompromitteerd wordt. Ook na een succesvolle defibrillatie start je dus gedurende twee minuten de hartmassage. Hartmassage op een normaal werkend hart zal geen ventrikelfibrillatie uitlokken, hartmassage op een hart in asystolie na een defibrillatie kan het hartritme wel naar een fibrillatie converteren [56].

Energieniveau bij defibrillatie

Een succesvolle defibrillatie vereist de toediening van voldoende elektrische energie om een kritische massa van het fibrillerende myocard te herstellen naar een gecoërdineerde elektrische activiteit onder de vorm van een georganiseerd hartritme. De optimale energie is deze die de defibrillatie verwezenlijkt met een minimum aan myocardiale restschade [22]. Door het juiste energieniveau te kiezen zal tevens het nodig aantal herhaalde schokken beperkt blijven wat ook op zijn beurt de myocardschade indijkt. De optimale energiewaarden voor defibrillatie zijn echter niet gekend, de voorgestelde waarden komen voort uit een algemene consensus in de litteratuur [56]. Men stelt een bepaald energieniveau in op het toestel, niettegenstaande de eigenlijke transmyocardiale stroom het succes van de defibrillatie bepaalt.

Bij de energietoediening gaat de voorkeur uit naar bifasische defibrillatoren, monofasische defibrillatoren worden niet langer meer geproduceerd doch blijven vermoedelijk nog een tijdje in gebruik [56]. Op elk handbediend defibrillatietoestel moet vermeldt staan of een monofasische of een bifasische energiegolf toegediend wordt. Staat de aard van de gebruikte energiegolf niet vermeldt op het toestel, defibrilleer de patiënt dan met een energie van 200 Joule [56]. Het is niet gekend of je voor de volgende defibrillatieschokken de energie-instelling al dan niet dient te verhogen [56].

Monofasische defibrillatie

Bij de traditionele transthoracale defibrillatie werd de energie toegediend volgens een monofasische sinusoëdale golf. De energiestroom bezit hierbij slechts ëën polariteit en stroomt dus slechts in ëën richting. Deze monofasische defibrillatoren worden verder ingedeeld naar de snelheid waarmee de stroom terug op nul valt. Valt de stroom gedempt weer op nul, dan spreekt men van Monophasic Damped Sinusoial of MDS-waveform. Wordt de stroom elektronisch beëindigt alvorens deze op nul valt, dan spreekt men van Monophasic Truncated Exponential of MTE-waveform.

MDS-waveform

MTE-waveform

Monofasische gedempte sinusoidale golf

De optimale stroom voor een succesvolle monofasische defibrillatie is ongeveer 30 tot 40 Ampëre. De kans op herstel naar een leefbaar hartritme na een eerste monofasische schok van 200 Joules - het energieniveau aangeraden voor de eerste schok in de vroegere richtlijnen - is 54 tot 63% voor de MTE-golf en 77 tot 91% voor de MDS-golf [56]. Omwille van deze lage efficiëntie raadt men een energieniveau van 360 Joule aan voor de eerste en alle volgende schokken bij gebruik van een monofasische defibrillator [56]. Het gebruik van hogere monofasische energieniveaus resulteert evenwel in een groter risico op brandwonden en in meer atrioventriculaire blocks na de defibrillatie. Deze ritmestoornissen zijn echter voorbijgaand en hebben geen invloed op de uiteindelijke overleving van de patiënt [56].

Bifasische defibrillatie

Een bifasische schok genereert een sequentie van twee stroomstoten met een tegenovergestelde polariteit. Men maakt een onderscheid tussen de Biphasic Truncated Exponentional of BTE-waveform en de Rectilinear Biphasic of RLB-waveform. De amplitude en de duur van de golflengte wordt door het toestel aangepast aan de variaties in transthoracale weerstand [56]. De optimale verhouding tussen de eerste en de tweede fase van de defibrillatiegolf en de efficiëntie van de verschillende energiegolven bij de defibrillatie zijn echter nog niet bepaald [56].

BTE-waveform

RLB-Waveform

Bij een bifasische defibrillatie vloeit ongeveer 15 tot 20 Ampëre doorheen het myocard. Beide varianten van bifasische energietoediening hebben daarbij dezelfde efficiëntie voor het defibrilleren van een ventrikelfibrillatie [56]: bij gebruik van een BTE-energieniveau zal met het toedienen van de eerste schok de ventrikelfibrillatie beëindigd worden met een kans van 86 tot 98% [56], een RLB-golf heeft een kans van 85% om een ventrikelfibrillatie na een eerste schok te herstellen [56]. Zodoende is een bifasische schok van 120 Joule even efficiënt als een monofasische schok van 200 Joule, terwijl bij een reeds lang aanhoudende ventrikelfibrillatie de efficiëntie van de eerste bifasische schok groter is dan deze van de analoge monofasische schok. Het gebruik van bifasische defibrillatoren wordt dan ook aangeraden. Daarenboven veroorzaakt een bifasische schok minder myocardiale schade en is het gebruik ervan potentieel veiliger voor de omstanders [1]. In studies toonde men ook aan dat er na de toediening van bifasische schokken minder ST-afwijkingen voorkwamen op het elektrocardiogram. Defibrillatoren die een bifasische schok produceren zijn bovendien lichter en kleiner in volume, een belangrijke eigenschap in de urgentiegeneeskunde [22]. Gebruik je een bifasische defibrillator, stel dan het energieniveau bij de eerste schok minstens in op 120 Joule. Het is niet gekend of je bij de volgende defibrillatieschokken deze energieinstelling trapsgewijs dient te verhogen. Een alternatief is het instellen van het toestel op 150 Joule voor alle defibrillatieschokken [56].

Op stroom gebaseerde defibrillatie

Een ander veelbelovend alternatief voor de traditionele defibrillatie is de op stroom gebaseerde defibrillatie waarbij de gebruiker de nodige stroom in Ampëres instelt in plaats van de nodige energie in Joules. De defibrillator meet zelf vooraf de transthoracale weerstand door een stroom met laag voltage doorheen de thorax te sturen en past nadien de geleverde stroom aan in functie van de transthoracale weerstand. Aldus wordt voorkomen dat bij een grote transthoracale weerstand slechts kleine hoeveelheden energie worden toegediend. Nog meer onderzoek is noodzakelijk om de maximale amplitude van de stroom, de gemiddelde stroom en de tijdsduur van de verschillende fasen te bepalen.

Blind defibrilleren

"Blind defibrilleren" is het uitvoeren van een defibrillatie zonder monitoring van het hartritme [56]. Gezien de beschikbaarheid van paddels met de mogelijkheid om het hartritme te beoordelen via een "Quick Look"-procedure, wordt het blind defibrilleren niet aangeraden [56].

Defibrillatie op een open thorax

Enkel in het operatiekwartier kan men bij een patiënt met een reeds geopende thorax rechtstreeks op het hart defibrilleren. Gebruik hiervoor elektroden van 6 cm voor volwassenen en van 4 cm voor kinderen. Eën elektrode wordt aangebracht achter het linker ventrikel, ëën elektrode plaatst men op de voorkant van het rechter ventrikel. Men defibrilleert met energiewaarden van 5 Joule, eventueel op te bouwen tot 50 Joule.

Veiligheid bij defibrillatie

Elektrische veiligheid

Om tijdens de defibrillatie een optimale veiligheid te garanderen, mag geen enkel lid van het team tijdens het toedienen van de elektrische schok direct contact hebben met het slachtoffer. Als bediener van de defibrillator waarschuw je de omstanders wanneer je de defibrillatie zal uitvoeren. Nadien controleer je of niemand nog gevaar loopt alvorens de schok toe te dienen. Mors geen electrodengel gezien dit het geleidingsoppervlak zal vergroten. Ook de intraveneuze lijn wordt tijdens de defibrillatie best niet vastgehouden. Roep "Los" vooraleer je defibrilleert en raak tijdens de defibrillatie geen enkel deel van de elektrode aan.

Water is een goede elektrische geleider en kan dus een baan creëren voor de stroom van de defibrillator naar de hulpverlener of de omstander toe. Er bestaat kleine kans dat de getroffen hulpverlener ook een schok ontvangt met minieme brandwonden tot gevolg [22]. Water op de huid van de thorax van het slachtoffer zal eveneens een weg vormen voor de stroom en de efficiëntie van de toegediende schok verminderen. Verwijder dan ook onmiddellijk natte kledij van het slachtoffer en droog de thorax.  

Veilig gebruik van zuurstof

Slecht aangedrukte defibrillatiepaddels kunnen tijdens de defibrillatie vonken ontwikkelen. Krijgt de patiënt tijdens de reanimatie extra zuurstof toegediend dan kan deze vonkontwikkeling ontaarden in brand met brandwonden bij de patiënt tot gevolg. Bij gebruik van zuurstof kan je het brandgevaar verkleinen door volgende maatregelen [56] in acht te nemen:

Defibrillatie bij patiënten met een pacemaker of geëmplanteerde defibrillator

Meer en meer hartpatiënten dragen een geëmplanteerde pacemaker. Bij geselecteerde patiënten met een voorgeschiedenis van ritmestoornissen worden kleine defibrillatoren ingeplant die indien nodig een geringe hoeveelheid energie kunnen afleveren aan de hartspier. Deze pacemakers zijn onderhuids te voelen ter hoogte van de bovenste thoraxhelft of ter hoogte van het abdomen, meestal aan de linkerzijde van het slachtoffer. Het toestel heeft de grootte van een half pakje kaarten waarover vaak een klein litteken te zien is.

Plaats je de elektroden van een externe defibrillator over het geëmplanteerde toestel, dan kan de efficiëntie van de externe defibrillatie gestoord worden. Bovendien zal er stroom door de elektrode van de pacemaker vloeien en brandwonden veroorzaken waar de tip van de elektrode tegen het myocard aanligt. Om dit risico te minimaliseren worden de elektroden van de externe defibrillator minstens 2.5 cm van de pacemaker geplaatst [22]. Eventueel kan je een alternatieve positie overwegen voor het plaatsen van de paddels. Nadien wordt de externe defibrillatie uitgevoerd zoals normaal.

Bij het detecteren van een ventrikelfibrillatie of een ventrikeltachycardie zal de ingeplante defibrillator maximaal zes keer pogen om te defibrilleren. Enkel indien een nieuwe episode van de ritmestoornis ontdekt wordt, vuurt de ingeplante defibrillator opnieuw. Heeft de ingeplante pacemaker het fibrillatieritme ontdekt en levert hij zelf schokken af, wacht dan gedurende 30 tot 60 seconden om extern te defibrilleren. De ontlading van een geëmplanteerde automatische defibrillator veroorzaakt contracties van de musculus pectoralis. Als hulpverlener loop je echter geen enkel gevaar om zelf een schok van het toestel te ontvangen. Uitwendige defibrillatie kan deze toestellen beschadigen; na de defibrillatie dient de pacemaker of de geëmplanteerde defibrillator te worden gecontroleerd.

Zelden zal een defecte inwendige defibrillator herhaaldelijk blijven vuren. In dit geval is de patiënt meestal bewust en merk je een normaal tracë op het elektrocardiogram. Door een magneet te plaatsen op de huid boven de pacemaker, kan je de pacemaker uitschakelen.

Complicaties van defibrillatie

Brandwonden

De elektrische stroom gebruikt om te defibrilleren kan brandwonden van de huid veroorzaken. Voornamelijk indien de patiënt extra zuurstof toegediend krijgt, bestaat er brandgevaar. Neem dan ook de nodige voorzorgen alvorens te defibrilleren.

Myocardschade

De elektrische stroom toegediend bij een defibrillatie veroorzaakt een zekere graad van myocardschade waarvan de incidentie en de ernst nog niet echt zijn bestudeerd. De myocardschade uit zich eventueel in veranderingen op het elektrocardiogram, ritmestoornissen en myocardnecrose. Ook de CK-MB waarden zullen na de defibrillatie toegenomen zijn, zeker bij hogere energieniveaus [1].

Ritmestoornissen

De defibrillatie als therapie van levensbedreigende ritmestoornissen kan op haar beurt ritmestoornissen uitlokken ten gevolge van de grotere depolarisatie van de celmembraan.


ALS bij ventriculaire fibrillatie

Index


Het volledige algoritme voor Advanced Life Support bij ventrikelfibrillatie wordt samengevat in het actieplan voor VF/VT.

Reanimatiecyclus

Bij volwassenen die een plotse circulatiestilstand doormaken, vinden we in de meeste gevallen als onderliggend hartritme een ventriculaire fibrillatie. Deze ventriculaire fibrillatie kan evenwel worden voorafgegaan door een ventriculaire tachycardie of een supraventriculaire tachycardie.

Na het opstarten van Basic Life Support met 30 hartmassages en 2 beademingen wordt zo snel mogelijk een defibrillator aangebracht. Enkel indien er geen reanimatie gestart werd door de omstanders - en het arrest zich vermoedelijk reeds langer dan vijf minuten voordoet - geef je eerst gedurende twee minuten hartmassages en beademing alvorens een defibrillatie uit te voeren. Plaats de paddels of de zelfklevende elektroden op de thorax van de patiënt en analyseer het hartritme. Gaat het om een ventrikelfibrillatie of een ventrikeltachycardie, laadt dan de defibrillator tot een energiewaarde van 150 tot 200 Joule voor een bifasisch toestel en 360 Joule voor een monofasisch toestel. Geef een eerste defibrillatieschok. De periode waarin de hartmassage onderbroken wordt om te defibrilleren mag nooit langer duren dan tien seconden om de kans op herstel van de spontane circulatie optimaal te houden.

Onmiddellijk na het defibrilleren en zonder het hartritme opnieuw te analysren start je terug de hartmassage. Zelfs indien de defibrilaltie succesvol was zal immers zelden de pols onmiddellijk voelbaar zijn, een poging om de pols te palperen leidt in deze omstandigheden enkel tot verdere myocardiale schade in geval van een persisterende circulatiestilstand [57]. Indien het hartritme hersteld werd zal bovendien het doorvoeren van hartmassages het sinusaal ritme niet opnieuw omzetten in een fibrillatieritme, enkel in geval van asystolie kan de hartmassage een ventrikelfibrillatie uitlokken wat uiteraard een gunstig effect is [57].

Voer gedurende twee minuten de reanimatie door met 30 hartmassages en twee beademingen. Onderbreek nadien kort de reanimatie om opnieuw het hartritme te analyseren. Persisteert de ventrikelfibrillatie of de ventrikeltachycardie, geef dan een tweede defibrillatieschok van ditmaal 150 tot 360 Joule voor een bifasische defibrillatie of 360 Joule voor een monofasische defibrillatie. Start ook na deze tweede defibrillatie onmiddellijk terug de hartmassage.
Bij de aanpak van een ventrikelfibrillatie of een ventrikeltachycardie is een goede coërdinatie tussen de reanimatie en de defibrillatie heel belangrijk. Een fibrillerend hart heeft immers een tekort aan zuurstof en aan metabole substraten. Een korte periode van hartmassage zal de noodzakelijke zuurstof en energie naar het hart laten circuleren waardoor de kans op een volgende succesvolle defibrillatie groter is. Uit analyses van de fibrillatiegolf kan men afleiden dat een kort tijdsverloop tussen de hartmassage en de defibrillatie de kans op succes bij de defibrillatie vergroot [57]. Zelfs indien men dit tijdsverloop met enkele seconden kan inkorten, stijgt de kans op een succesvolle defibrillatie aanzienlijk [57]. Bij een falende defibrillatie controleer je tijdens de reanimatie de positie van de electroden en hun contact met de thorax.

Voer opnieuw gedurende twee minuten de reanimatie door met 30 hartmassages en twee beademingen. Onderbreek nadien kort de reanimatie om opnieuw het hartritme te analyseren. Persisteert de ventrikelfibrillatie of de ventrikeltachycardie, geef dan een bolus adrenaline FIV en meteen nadien een derde defibrillatieschok van 150 tot 360 Joule voor een bifasische of 360 Joule voor een monofasische defibrillatie. Start ook na deze derde defibrillatie opnieuw onmiddellijk de hartmassage.

Net vóór de vierde defibrillatie bij een persisterende ventrikelfibrillatie  of ventrikeltachycardie en tijdens de analyse van het hartritme geef je 300mg amiodarone IV in 20 mL fysiologisch. Amiodarone  is het enige anti-aritmicum met een bewezen effect op de overleving van de patiënt, eventueel kan een tweede dosis van 150mg worden gegeven tot een maximale cumulatieve hoeveelheid van 2.2g over 24 uur.
Er bestaat weinig evidentie voor de toediening van andere farmaca dan amiodarone terwijl vele anti-aritmica op zich ook een ventrikelfibrillatie kunnen uitlokken. Lidocaëne heeft geen bewezen effect op lange of korte termijn. Het kan eventueel toegediend worden als alternatief voor amiodarone aan een intraveneuze dosis van 1mg/kg, doch mag niet gebruikt worden indien amiodarone reeds werd toegediend.

Vanaf nu volg je deze sequentie met telkens alternerend een toediening van adrenaline 1mg IV, dus vóór de vijfde, de zevende, de negende defibrillatie... Bewaar de adrenaline binnen handbereik om de pauzes tussen de hartmassage en de defibrillatie zo kort mogelijk te houden. Is adrenaline niet beschikbaar, stel de defibrillatie dan niet uit. De adrenaline die net vóór de defibrillatie wordt toegediend, zal gedurende de volgende hartmassages circuleren in het lichaam. Onafhankelijk van het geanalyseerde hartritme wordt dus elke drie tot vijf minuten een bolus adrenaline IV toegediend wat in de praktijk overeenkomt met een injectie na het doorlopen van twee cycli. Schakel je over van het actieplan van niet-defibrilleerbare hartritmes naar dit actieplan, dan wordt adrenaline gegeven drie tot vijf minuten na de vorige toediening.

Bij refractaire fibrillatie met vermoeden op hypomagnesiëmie (bijvoorbeeld bij diureticagebruik) kan je nog overwegen om 2g magnesium intraveneus toe te dienen. Hercontroleer bij refractaire fibrillatie tevens de positie en contacten van de elektroden.

Merk je bij de analyse van het hartritme een asystolie of een polsloze elektrische activiteit, handel dan volgens het actieplan van niet-defibrilleerbare hartritmes.
Stel je bij de analyse van het hartritme vast dat een niet-defibrilleerbaar en georganiseerd - met regelmatige of smalle complexen - hartritme is ontstaan, palpeer dan de pols van de patiënt. De analyse van het hartritme mag echter niet te veel tijd in beslag nemen en de controle van de polsslag mag enkel uitgevoerd worden indien een georganiseerd hartritme vastgesteld wordt. Twijfel je over de aanwezigheid van arteriële pulsaties, zet de reanimatie dan verder tot je zekerheid hebt. Merk je een georganiseerd hartritme tijdens de reanimatie, onderbreek dan geenszins de hartmassage om de pols te controleren, tenzij het slachtoffer tekens van leven vertoont. Toont de patiënt tekens van leven, start dan de postreanimatiezorg en behandel de onderliggende ritmestoornis.

Correctie van omkeerbare oorzaken

Ga tijdens de reanimatiecyclus na of er omkeerbare oorzaken zijn die de ventrikelfibrillatie uitlokken. Behandel indien nodig.

Intubatie en ventilatie

De meest betrouwbare en veilige luchtweg wordt voorzien door de endotracheale intubatie. Een intubatiepoging mag echter enkel ondernomen worden door een zorgverlener die getraind en ervaren is in de techniek. De intubatie mag immers niet meer dan dertig seconden in beslag nemen, zoniet beadem je meteen weer met de beademballon. Voer de laryngoscopie uit zonder de hartmassage te onderbreken. Enkel op het ogenblik dat de endotracheale tube tussen de stembanden wordt geplaatst, mag de hartmassage kort pauzeren.
Eens de patiënt geëntubeerd is, controleer je de correcte positie van de tube gepositioneerd waarna je de hartmassage hervat aan een frequentie van 100 per minuut, nu zonder te pauzeren voor de ventilatie. Stel de ventilatiefrequentie in op 10 beademingen per minuut om hyperventilatie te vermijden.

Alternatief kan men de endotracheale intubatie uitstellen tot de spontane circulatie van de patiënt hersteld is. Aanvaardbare alternatieven zijn de Combitube, het larynxmasker, het ProSeal larynxmasker en de laryngeale tube. Indien de luchtweg wordt vrijgehouden door ëën van deze hulpmiddelen, kan men eveneens de hartmassage doorzetten zonder te pauzeren voor de ventilatie. Enkel indien de beademing inefficiënt wordt door een te groot gaslek kan je de sequentie van hartmassages onderbreken en opnieuw dertig hartmassages afwisselen met 2 beademingen.

Farmaca

Inleiding

Op heden werd in geen enkele placebogecontroleerde studie aangetoond dat het routinematig gebruik van vasopressoren tijdens een reanimatie een gunstig effect zou hebben op de overleving op lange termijn van de patiënt [57] [30]. Desondanks baseert men zich op de resultaten van dierproeven om het gebruik van adrenaline nog steeds aan te raden. De reanimatiecyclus mag evenwel niet onderbroken worden voor de toediening van farmaca.

Toedieningsweg

Zodra mogelijk tracht men een perifeer of een centraal infuus te plaatsen. De centrale toegangsweg geeft een hogere piekconcentratie voor de farmaca en een kortere circulatietijd, toch krijgt de perifere toegangsweg de voorkeur aangezien je voor het plaatsen van een centraal infuus de hartmassage moet pauzeren terwijl de techniek gepaard gaat met belangrijke complicaties.

Het aanprikken van een perifere vene is eenvoudiger, sneller en veiliger. Na het toedienen van een farmacon langs perifere weg spuit je 20mL vocht om de toegangsweg te flushen. Breng het lidmaat gedurende tien tot twintig seconden in hoogstand om het farmacon sneller in de centrale circulatie toe te laten.

Bij een moeilijke intravasculaire toegangsweg kan je opteren om een intraosseus infuus te plaatsen. Deze techniek wordt voornamelijk voorbehouden voor infusietherapie bij kinderen, toch kan je er ook bij volwassenen efficiënt gebruik van maken. Via intraosseuse toediening bereiken farmaca de circulatie immers met een vergelijkbare snelheid als via een centrale catheter. Bovendien kan je via de intraosseuse route bloedgasjes afnemen voor bepalign van de ventilatieparameters, het hemoglobine en de elektrolytenwaarden.

Tenslotte is er de mogelijkheid om farmaca toe te dienen via de trachea. Via deze weg is de plasmaconcentratie van het farmacon echter onvoorspelbaar waardoor de juiste dosis voor tracheale toediening niet gekend is. Gedurende een reanimatie is de equipotente dosis van adrenaline gegeven via de trachea drie tot tien maal hoger dan de dosis gegeven via een perifeer infuus. Sommige studies suggeregen zelfs dat de tracheale toediening van adrenaline aanleiding geeft tot suboptimale plasmaconcentraties met een beta-adrenerg effect, hypotensie en een lage coronaire perfusie tot gevolg. voor adrenaline geven we via de trachea 3mg gedilueerd in 10mL steriel water. Steriel water geeft een betere absorptie van adrenaline dan fysiologisch.

Epinephrine (Adrenaline)

De alfa-adrenerge werking van adrenaline veroorzaakt vasoconstrictie waardoor de myocardiale en cerebrale perfusie toeneemt. De verbeterde coronaire bloeddoorstroming zal de frequentie van de fibrillatiegolf doen toenemen en de kans op een volgende succesvolle defibrillatie vergroten.
Er bestaat geen evidentie over het juiste ogenblik binnen de reanimatiecyclus waarop epinephrine best wordt toegediend. Richtlijnen raden aan om een intraveneuze bolus epinephrine te geven indien de fibrillatie persisteert na de toediening van twee defibrillatieschokken. Nadien wordt de bolus elke drie tot vijf minuten herhaald.

Epinephrine kan ook worden toegediend via de endotracheale tube aan een dosis van 2 tot 3 mg, gedilueerd in 10ml. Na de toediening voert men vijf ventilaties uit om het farmacon goed te verspreiden in de bronchiaalboom en de absorptie te verbeteren.

Anti-aritmica

Amiodarone

Ook wat betreft de anti-aritmica bestaat geen evidentie dat ze de overleving op lange termijn na een reanimatie kunnen beënvloeden. Vergeleken met placebo en lidocaëne heeft amiodarone een bewezen voordeel op de overleving op korte termijn indien het toegediend wordt na de derde defibrillatieschok bij een refractaire ventrikelfibrillatie. Toch blijft de wetenschappelijke evidentie voor het gebruik van amiodarone beperkt [57]. Richtlijnen raden aan om, indien de ventrikelfibrillatie persisteert na de derde schok, een bolus van 300mg amiodarone IV toe te dienen. Geef bij terugkerende of refractaire fibrillatie een volgende bolus amiodarone van 150mg IV gevolgd door een continu infuus van 900mg amiodarone over 24 uur.

Lidocaëne

Als alternatief kan je lidocaëne toedienen aan een dosis van 1mg/Kg IV. Geef echter geen lidocaëne indien amiodarone beschikbaar is.

Magnesium

Niettegenstaande voor magnesium evenmin evidentie bestaat dat het de outcome na een ventrikelfibrillatie verbetert, wordt aangeraden om bij refractaire ventrikelfibrillatie met vermoeden van hypomagnesiëmie een IV bolus van 2g magnesiumsulfaat toe te dienen.

Natriumbicarbonaat

Ook voor de routinematige toediening van natriumbicarbonaat bij CPR bestaat geen wetenschappelijke evidentie [57]. Bij vermoeden van hyperkaliëmie of bij intoxicatie met tricyclische antidepressiva kan je een intraveneuze bolus van 50meq natriumbicarbonaat overwegen. De verdere toediening van natriumbicarbonaat gebeurt op geleide van de bloedgasanalyse. Het toedienen van natriumbicarbonaat op een arteriële pH van minder dan 7.1 is controversieel [57] gezien de bloedgaswaarden tijdens een circulatiestilstand niet de zuurbasestatus van de weefsels weergeven. Een meer nauwkeurige registratie geschiedt door analyse van de gemengd veneuze pH, op het terrein is echter zelden een pulmonaalcatheter beschikbaar. Een bloedafname via een centraal veneuze catheter kan eventueel een beter alternatief vormen voor de bepalign van de zuurbasestatus in de weefsels.

Persisterende ventrikelfibrillatie

Bij een persisterende ventrikelfibrillatie controleer je de correcte positie van de paddels en overweeg je een alternatieve positionering. Ga eveneens na of er geen omkeerbare oorzaken kunnen behandeld worden

De tijdsduur waarover de reanimatie wordt verder gezet is afhankelijk van de persoonlijke inschatting [57]. In die gevallen waar het opstarten van de reanimatie nuttig was, zal het ook nuttig zijn om de reanimatie verder te zetten zolang de fibrillatie of de ventrikeltachycardie persisteert.


Ventriculaire fibrillatie bij kinderen

Index


Epidemiologie ventrikelfibrillatie bij kinderen

Cardiaal arrest komt veel minder frequent voor bij kinderen en de oorzaken ervan zijn meer gevarieerd. Onder de leeftijd van 17 jaar is de asystolie of de polsloze elektrische activiteit het meest voorkomend ritme in geval van een plotse hartstilstand, terwijl het slechts in 7 tot 15% van de gevallen gaat om een ventriculaire fibrillatie.
Ongeveer 50% van de pediatrische hartstilstanden komen voor bij kinderen van minder dan 1 jaar oud. Meestal gaat het om wiegendood of om respiratoire aandoeningen. Onder de leeftijd van zes maanden vormen de verdrinkingsdood en het trauma de belangrijkste oorzaak [22]. Het onderliggend lijden dient te worden gecorrigeerd om een succesvolle defibrillatie te bekomen. Een ventrikelfibrillatie bij kinderen kan eveneens uitgelokt worden door hypothermie,door aritmieën veroorzaakt door farmaca, door een congenitaal hartlijden, door een "long QT-syndroom" of door elektrolytenstoornissen zoals in geval van hypokaliëmie.

Defibrillatie kinderen

Inleiding

Ook bij kinderen dient een ventrikelfibrillatie of een ventrikeltachycardie onmiddellijk gedefibrilleerd te worden. Over het gebruik van automatische defibrillatoren bij kinderen bestaat echter nog niet veel wetenschappelijke evidentie. Ook het gebruik van handbediende defibrillatoren berust eerder op klinische ervaring dan op wetenschappelijke feiten.

Ziekenhuizen en andere gespecialiseerde zorginstellingen dienen te beschikken over handbediende defibrillatoren die geschikt zijn om de lage energiedosissen te leveren in de reanimatie van kinderen [59].

Grootte van de elektroden

Om een goed contact met de thoraxwand te verzekeren, kies je bij de reanimatie van een kind best voor de grootst mogelijke elektroden [59]. Volgende maten worden aangeraden:

Gebruik een geleidende gel om de weerstand tussen paddels en de huid te verkleinen. Ook de voorgevormde pads of zelfklevende defibrillatieelektroden zijn efficiënt. Gebruik voor een defibrillatie geen echogel of pads geëmpregneerd met alcohol.

Positie van de elektroden

Plaats de elektroden in anterolaterale positie: een elektrode onder de rechter clavicula en een elektrode ter hoogte van de linker oksel. Indien de elektroden te groot zijn bestaat er een risico op het overspringen van vonken tussen de elektroden. Plaats in dit geval de ene elektrode op de bovenrug en net onder de linker scapula, en de andere elektrode op de borstkas links van het sternum. Dit noemt men de anteroposterieure positie.

Optimale kracht op de elektroden

Om de transthoracale weerstand zo klein mogelijk te houden, druk je de elektroden op de borstkas met een kracht van 3kg bij kinderen met een lichaamsgewicht kleiner dan 10kg, en een kracht van 5kg bij grotere kinderen [59].

Energieniveau

Net als bij volwassenen zijn bifasische defibrillatoren efficiënter en veiliger dan monofasische toestellen. De juiste energiewaarden die moeten toegediend worden zijn niet gekend, als consensus stelt men dat een energieinstelling van 4 Joule per kilogram veilig kan toegediend worden voor de eerste en alle volgende defibrillatieschokken [56]. De hogere energieniveaus ten opzichte van de vroegere richtlijnen hebben een betere efficiëntie met verwaarloosbare bijwerkingen [59], terwijl hogere dosissen reeds gebruikt werden met minimale neveneffecten [59].

Stel de handbediende defibrillator in op het energieniveau net hoger dan het berekende en gebruik pediatrische paddels (4.5 - 8 cm) bij kinderen met een lichaamsgewicht minder dan 10 Kg. Bij grotere kinderen gebruik je de volwassen paddels vanaf het ogenblik dat het elektrodeoppervlak volledig op de borstkas van de patiënt kan worden geplaatst. De transthoracische weerstand zal hierdoor verminderen. De ene paddel wordt geplaatst over de apex van het hart, de andere onder de rechter clavicula.

Farmaca

Adrenaline wordt gegeven aan een dosis van 10 µg/kg.


Bart Massaer