Infusietherapie

Index



Index

De lichaamsvloeistoffen


Verdeling van lichaamsvloeistoffen

Bij een gemiddelde man bestaat 60% van het lichaamsgewicht uit water, bij een magere man zelfs tot 65%. Bij de vrouw is 50% van het lichaamsgewicht water, 55% bij magere vrouwen.

Dit totaal lichaamswater kan worden verdeeld in twee belangrijke compartimenten: het extracellulair volume of de vloeistof buiten de cellen gelocaliseerd en het intracellulair volume of de vloeistof in de cellen.
Na het eerste levensjaar bestaat zit 2/3 of 66% van het totaal lichaamswater intracellulair, het overige derde of 34% van het totaal lichaamswater bevindt zich buiten de cellen. Dit ECF kunnen we verder verdelen in intravasculaire vloeistof (plasma) dat 25% uitmaakt van het ECF en extravasculaire of interstitiële vloeistof welke 75% uitmaakt van het ECF. Deze twee extracellulaire compartimenten zijn onderling van elkaar gescheiden door een capillaire membraan.

Nemen we dus als voorbeeld een man met een lichaamsgewicht van 70kg, dan bestaat het lichaam van deze man uit 42 Liter water (60%). Van deze 42 Liter zit 28L (66%) intracellulair en 14L (33%) extracellulair, waarvan 3.5L (25%) intravasculair en 11.5L (75%) interstitiëel.

Het Totaal Lichaamswater verandert in functie van de leeftijd, gaande van 3/4 van het lichaamsgewicht bij de geboorte tot ongeveer 2/3 van het lichaamsgewicht op volwassen leeftijd. Om deze reden kunnen oudere mensen sneller deshydrateren. Ook een baby deshydrateert snel, dit echter door een tekort aan dorstgevoel.
Een accurate inschatting van het totaal lichaamswater kan worden gemaakt door middel van enkele berekeningen :

Leeftijd TLW als % van het lichaamsgewicht ECF als % van het lichaamsgewicht ICF als % van het lichaamsgewicht
Prematuur 75 - 80
Pasgeborene 70 - 75 50 35
1 jaar oud 65 25 40 - 45
Mannelijke adolescent 60 20 40 - 45
Vrouwelijke adolescent 55 18 40

Verdeling van de elektrolyten

Er is een verschillende verdeling van de elektrolyten in deze verschillende lichaamscompartimenten.
In het plasma is het belangrijkste kation natrium. Calcium, kalium en magnesium komen voor in kleinere hoeveelheden. De belangrijkste anionen in het plasma zijn chloor, HCO3- en proteënen. Bovendien zijn er een aantal anionen die men niet routinematig detecteert, deze onbepaalde anionen vormen de "anion-gap".
Daartegenover staat het intracellulair milieu met als dominerend kation kalium, met kleinere hoeveelheden natrium en magnesium. Er is weinig bicarbonaat in de cellen, de meeste anionen zijn organische fosfaten, cellulaire proteënen, organische zuren en sulfaten. In de onderstaande tabel worden de hoeveelheden uitgedrukt in mOsm/kg :

ICF ECF
Kationen
  • Kalium : 154
  • Natrium : 6
  • Magnesium : 40
  • Natrium : 142
  • Kalium : 5
  • Calcium : 5
  • Magnesium : 3
Anionen
  • Organische PO43- : 106
  • Proteënen : 60
  • SO42- : 17
  • HCO3- : 13
  • Organische zuren : 4
  • Chloor : 105
  • HCO3- : 24
  • Proteënen : 15
  • PO43- : 5
  • SO42- : 4
  • Organische zuren : 2

Er zijn drie belangrijke concepten in de huishouding van vloeistoffen en elektrolyten :

Celmembraanpermeabiliteit
De mogelijkheid van een celmembraan om bepaalde substanties zoals water en ureum vrij te laten passeren, terwijl geladen ionen zoals natrium de membraan niet kunnen kruisen en dus aan ëën zijde ervan worden opgeslaan.
Osmolariteit
Een eigenschap van deeltjes in oplossing. Indien een substantie zich splitst in een oplossing zal het aan de osmolariteit meer bijdragen dan 1 equivalent. NaCl bijvoorbeeld, zal zich splitsen in twee osmotisch actieve deeltjes : Na en Cl. Eën milimolair NaCl leidt dus in een oplossing tot 2 miliosmolair in oplossing.
Elektroneutraliteit
Het totaal aantal positieve en negatieve ladingen komt steeds in evenwicht.
De normale serumosmolariteit variëert tussen 280 en 295 mOsm/kg.

Hypovolemie

Ernstige hypvolemie is geassocieerd met cardiovasculaire decompensatie, verminderde cellulaire perfusie en zuurstoflevering alsook met de ontwikkeling van een lactaatacidose. Indien men de zuurstofvoorziening niet onmiddellijk herstelt, zullen de celmembraanpompen irreversiebel falen.


Index

Infusievloeistoffen



Inleiding

In een speciale zak van doorzichtige plastiek bevindt zich de infusievloeistof. Deze vloeistof zal via een trousse en catheter intraveneus toegediend worden. Naast deze zakken bestaan ook nog flessen van glas of plastiek met infusievloeistof. De zakken hebben echter vele voordelen, zoals :
  1. makkelijker opbergbaar
  2. gaan moeilijker stuk bij het vallen
  3. geen luchtleiding noodzakelijk
  4. minder kans op luchtembolie
  5. steriel werken is eenvoudiger
De inhoud van de infuuszak dient luchtledig, apyrogeen en homogeen te zijn.

Intraveneuze infusievloeistoffen bevatten twee substanties : vloeistof en elektrolyten. De vloeistoffen worden meestal gebruikt om :
  1. Het acuut expanderen van het intravasculair volume
  2. Corrigeren van een evenwichtstoornis in vloeistoffen of elektrolyten
  3. Compenseren van een pathologie die de vloeistoffen of elektrolyten verstoort


Acuut expanderen van het vasculair volume

Verschillende infusievloeistoffen kunnen worden gebruikt voor het acuut expanderen van het vasculair volume :

  1. De fysiologische oplossing (NaCl 0.9%): bevat zout en water in een concentratie isotoon met het bloed (=154mM natrium).
  2. Ringer Lactaat: is analoog aan NaCl 0.9%, doch bevat kleine hoeveelheden kalium. Bovendien bevat het lactaat, wat door de lever wordt gemetaboliseerd tot bicarbonaat en dus bijdraagt in het bufferen van acidotisch bloed.
  3. Colloëden:
    • Geloplasma: wordt gemaakt van gemalen beenderen van runderen
    • HAES Sterile 6%: is plantaardig zetmeel
  4. SOPP 5%: bestaat uit humane eiwitten
  5. Albumines 20%
  6. Plasma
Merk op dat deze oplossingen geen glucose bevatten, omdat een snelle toediening in bolus het bloedglucose en de plasmaosmolariteit te snel zouden opdrijven. Bij patiënten van meer dan een jaar oud zijn bolussen van 20 mL/kg normaal, bij pasgeborenen gebruikt men bolussen van 10 mL/kg. In een intensieve zorgeneenheid kan men meerdere kleinere bolussen toedienen, met monitoring van het effect. Neonati ontvangen bolussen van 10 mL/kg met albumine voor de vasculaire expansie.

Het probleem welke infusievloeistof moet worden gebruikt bij reanimatie, zorgt nog steeds voor controverse. Colloëden zouden bij traumapatiënten hun effect deels mislopen door het capillaire lek (5), waardoor de colloëden niet in de bloedbaan blijven. Bovendien zullen oncotisch actieve moleculen in de extravasculaire ruimte nog meer vloeistof uit de bloedbaan trekken en het oedeem verergeren. Bij electieve heelkunde is het capillaire lek geringer en zullen colloëden meer effect hebben.

Merk ook op dat tijdens het toedienen van vloeistoffen met elektrolyten, de overige vasculaire bestanddelen worden gedilueerd. Het hematocriet zal dus dalen, de concentratie stollingsfactoren wordt verdund. Soms zijn andere plasmacomponenten nodig om dit effect te voorkomen. Na lange tijd zullen ook de elektrolyten herverdeeld worden, of gaan ze verloren via de nierfiltrage. Voor lange infusietherapie dienen we dus albumine of andere bloedprodukten toe te dienen, welke enige oncotische druk uitoefenen gezien hun proteënecomponent.

Wat betreft de colloëden geven we de voorkeur aan plantaardige produkten op humane of produkten afkomstig van het rund. HAES sterile blijft echter langer in het reticulo-endotheliaal systeem, waardoor we maximaal 1 liter van deze vloeistof mogen toedienen. Geloplasma heeft dit probleem minder, hiervan mag men meer toedienen. SOPP en Albumines zijn duur.

Over het gebruik van Fresh Frozen Plasma bestaat weinig evidentie. Guidelines schrijven voor om bij patiënten met microvasculair bloedverlies, Fresh Frozen Plasma te infunderen indien de aPTT of de PT meer dan anderhalve keer de startwaarde bedraagt. Men beveelt een dosis van 10 tot 15 mL/kg aan. De stollingstesten zouden echter ontoereikend zijn om de indicatie tot transfusie van fresh frozen plasma te stellen. Significante bijwerkingen zoals allergieën, volume overbelasting of overdracht van virussen kunnen door een slechte indicatie meer voorkomen (1).

Bij het berekenen van de hoeveelheid te infunderen vloeistof kan men best te veel geven in plaats van te weinig. Men maakt zich vaak zorgen over de vloeistofoverbelasting die men veroorzaakt, te weinig herstel van het vochtverlies leidt echter tot lage perfusies, shock en acidose. Kort na stabilisatie zullen de meeste patiënten de overtollige vloeistoffen ook mobiliseren. Enkel indien cardiogene shock dient men het te infunderen volume te beperken.


Het onderhoudsinfuus


Onderhoudsinfusen worden gebruikt om tegemoet te komen aan eventuele verliezen van vloeistoffen en elektrolyten. De samenstelling en snelheid van toediening zal afhankelijk zijn van het verlies. Indien de juiste vloeistof wordt gekozen, zou de elektrolytensamenstelling in het lichaam van de patiënt constant moeten blijven.
Er zijn verschillende methoden om de vochtbenodigdheden van de patiënt te berekenen. Eerst dienen we echter de samenstelling van de verschillende beschikbare vloeistoffen te kennen.


Verdeling van de infusievloeistoffen over het lichaam
Toename van het intracellulair volume
Glucose 5% bestaat als hypertone oplossing voornamelijk uit water. Dit water zal, gezien de verdeling van lichaamsvloeistoffen in ons lichaam, zich voor 2/3 verplaatsen naar het intracellulaire milieu. Bij toediening van 1 liter glucose 5% komt er aldus na reeds 30 minuten 660 mL vocht terecht in dit intracellulaire milieu, waardoor oedeem van de cellen ontstaat.
De 10% die toch intravasculair blijft, zal een hyponatriëmie met stuipen veroorzaken. Deze waterintoxicatie gaat gepaard met oligurie.
Het mechanisme berust op de reactie van het lichaam op het toedienen van vrij water. Geeft men een hypotone vloeistof aan een euvolemische patiënt, dan merken de osmoreceptoren in de hypotalamus een dalign van de plasma-osmolariteit. Hierbij wordt minder anti-diuretisch hormoon geproduceerd met een vermindering in reabsorptie van water in de nieren en dus excretie van vrij water. De osmolariteit van het serum blijft aldus behouden.
Is er hypovolemie dan stimuleren de volumereceptoren in de atria en de grote bloedvaten de vrijstelling van ADH waardoor meer vocht wordt geresorbeerd ter hoogte van de nieren. Bij een hypovolemische patiënt met een hypo-osmolair plasma zal de stimulus tot vrijstelling van ADH groter zijn dan de remming om de osmolariteit te bewaren. De hyponatriëmie draagt bij tot een verminderde urineproductie, gezien natrium noodzakelijk is voor de vorming van urine.
Toename van het intracellulaire en het extracellulaire volume
Hiervoor gebruiken we een combinatie van fysiologische oplossing met glucose.
Toename van het extracellulaire volume
Een fysiologisch oplossing zal het extracellulaire milieu expanderen. 30 minuten na infusie van NaCl 0.9% zal 30% in het intravasculaire compartiment blijven. NaCl 0.9% is isotoon en heeft een osmolariteit van 285mOsm/kg. Afhankelijk van de toniciteit van de vloeistof kan men het pecentage van de vloeistof dat intravasculair blijft, aanpassen. Bijvoorbeeld 30 minuten na infusie van NaCl 0.45% zal slechts 20% van de toegediende vloeistof intravasculair blijven, terwijl 30 minuten na infusie van NaCl 3% het vasculair volume meer zal toenemen dan bij toediening van de isotone vloeistof.
Ringer lactaat heeft een osmolariteit van 265 mOsm/kg. Beide vloeistoffen kunnen afwisselend door elkaar worden gebruikt, tenzij bij neurotraumata waar NaCl 0.9% de voorkeur krijgt omwille van de hogere osmolariteit, waardoor het hersenoedeem vermindert.
Inkrimping van het intracellulaire milieu
Voor een inkrimping van het intracellulaire milieu dienen we een hypertone oplossing zoals NaCl 3% toe. Vooral bij brandwonden en schedeltraumata kunnen hypertone oplossingen gunstig zijn. Bijwerkingen zijn de hypernatriëmie en het ontstaan van een metabole acidose ten gevolge van de chloorbelasting. Gebruikt men ze samen met isotone oplossingen, dan worden de bijwerkingen geminimaliseerd.
Colloëden
Het effect van colloëden op de vochtcompartimenten is moeilijker te voorspellen. De verdeling van het colloëd is afhankelijk van de oncotische activiteit van de vloeistof en de integriteit van de capillaire membraan. Na infusie van bijvoorbeeld 25% albumine bij een gezonden volwassene, zal ongeveer de volledige hoeveelheid vloeistof intravasculair blijven. Bij trauma of sepsis is de integriteit van de capillaire membraan minder zeker, waardoor de verdeling van de vloeistof minder voorspelbaar is.


Beschikbare infusievloeistoffen

De tabel geeft een overzicht van de meest gebruikte infusievloeistoffen :

Infusievloeistof Glucose (g/L) Na+ K+ Ca2+ Cl- Lactaat PO43- Mg2+
5% Dextrose (D5W) 50 0 0 0 0 0 0 0
10% Dextrose (D10W 100 0 0 0 0 0 0 0
Fysiologisch (NS) 0 154 0 0 154 0 0 0
D5NS 50 154 0 0 154 0 0 0
D51/2NS 50 77 0 0 77 0 0 0
0.2%NS 0 31 0 0 31 0 0 0
3%NaCl 0 513 0 0 513 0 0 0
Ringer Lactaat 0 130 4 3 109 28 0 0
D5RL 50 130 4 3 109 28 0 0

Humaan Serum Albumine heeft meerdere functies in het plasma. Het zorgt voor het behoud van het plasmavolume, bindt farmaca en verwerkt reactieve inflammatoire mediatoren gegenereerd door basale aerobe processen (11).
Albumine is een plasmaproteëne dat bestaat uit 585 aminozuren en omvat 50% van het totale eiwit in het plasma. De concentratie van albumine is typisch 0.6 mM of 45 mg/mL.
Klinisch worden colloëden gebruikt om volumeverlies te compenseren en zo de weefselperfusie te verbeteren bij sepis, trauma, shock of heelkundige stress.

Albumine is beschikbaar in oplossingen van 5%, 25% of als plasma proteënefractie, een mengsel van proteënen zoals 83 tot 90% albumine, 17% alfa- en beta-globulines en 1% gamma-globulines. Het gebruik van dit mengsel wordt geassocieerd met hypotensie door activatie van de Hageman-factor, wat aanleiding geeft tot productie van andere vaso-actieve substanties zoals kinine en prostaglandines. Door de slechte evidentie in verband met de outcome en de hoge kostprijs wordt albumine enkel voorbehouden voor patiënten met een hypoalbuminemie.

HAES of Hydroxyethyl starch is een synthetisch gemodifieerd polymeer van amylopectine en wordt gebruikt als colloëd en plasma-expander. Het heeft een moleculair gewicht van 69.000 dalton. De fysische en chemische eigenschappen van HAES zijn het gevolg van de hydroxylatie. De hydroxylatie bepaalt de halfwaardetijd van HAES en dus de colloëdale activiteit (11). Vergeleken met albumine heeft HAES dezelfde efficiëntie voor vochtreanimatie.

HAES wordt geassocieerd met een toename van de prothrombinetijd en de partiële thromboplastinetijden samen met een vermindering van fibrinogeen en bloedplaatjes. Het kan ook interfereren met de Kupfercellen in de lever. HAES bevat lactaat en kan dus de lactaatspiegel beënvloeden. Door de opname in het reticulo-endotheliale systeem heeft het eveneens een inflammatoir effect (11).
HAES is minder duur dan albumine en indien toegediend in beperkte volumes heeft het weining effect op de coagulatie.


Index

Het aanprikken van een vene


Wanneer het A.B.C. is ingesteld, dient een intraveneuze catheter te worden geplaatst voor het continu en snel veneus toedienen van farmaca, alsook om een waakinfuus open te houden. Men toonde echter aan dat de evidentie van vele farmaca gebruikt ter behandeling van (peri-)arrest aritmieën beperkt is. Daarom schrijven de nieuwste richtlijnen voor dat men het toedienen van dergelijke farmaca niet mag beschouwen als prioriteit. Eerst dienen andere interventies te worden uitgevoerd alvorens men de tijd neemt om een intraveneuze lijn te plaatsen en farmaca toe te dienen (22).

De eerste keuze is uiteraard het aanprikken van een perifere vene. Dit is immers een snelle techniek, veilig, gemakkelijk aan te leren en vereist niet het stopzetten van C.P.R. Bij obese of hypovolemische patiënten kan dit aanprikken echter moeilijk zijn. Piekconcentraties van de farmaca zullen tevens langer uitblijven in vergelijking met de centrale lijn. Men kan via de perifere lijn best een bolus toedienen, gevolgd door een bolus van 20 mL vloeistof, waarbij men tevens de benen in hoogstand brengt, om aldus het farmacon sneller in de centrale circulatie te brengen (22).

Het plaatsen van een centrale lijn vereist meer ervaring en kan aanleiding geven tot belangrijke complicaties. Om een pneumothorax te voorkomen dient men de reanimatie te onderbreken tijdens het aanprikken van een centrale vene. Een ingestelde fibrinolytische behandeling is een relatieve contraëndicatie voor het plaatsen van een centrale lijn, gezien het risico op nabloeden en de vorming van een hematoom.


Catheters

Er bestaan verschillende soorten catheters:

  1. Kinderen
    • 26 gauge (paars)
    • 24 gauge (geel)
    • 22 gauge (blauw)
    • 20 gauge (roos)
    • Uitzonderlijk Arrow 6 Fr
  2. Volwassenen
    • 18 gauge (groen)
    • 16 gauge (grijs)
    • 14 gauge (oranje)
    • 20 gauge (roos)
    • Uitzonderlijk Arrow 8.5 Fr
      Deze catheter wordt gebruikt bij Levertransplantatie. Men plaatst de 18 gauge catheter in de arm, verwijdert de naald en sluit de catheter af met de afsluitdop.
      Vervolgens wordt het omliggend veld en de catheter opnieuw breed ontsmet, men verwijdert de afsluitdop en plaatst de mandrain van de 8.5 Fr catheter. Men verwijdert de 18 gauge catheter, dilateert met een dilatator en schuift de 8.5 Fr catheter er over.


De punctieplaats

Bij voorkeur zoekt men in rustige omstandigheden een vene ter hoogte van de voorarm, hand of elleboog.
De voorkeurmethode bij reanimaties, en tevens de snelste, is het plaatsen van een grote catheter (16 gauge of meer) in de een vene van het bovenste extremiteit, meestal de vena basilaris.

Indien de venen van het bovenste lidmaat niet toegankelijk zijn, is een alternatief het aanprikken van de vena jugularis externa, of de vena femoralis, wat moeilijk kan zijn bij obese patiënten. In sommige omstandigheden, zoals bijvoorbeeld bij operaties ter hoogte van de vena cava superior, is het aangewezen om een infuus te plaatsen ter hoogte van een vene gelegen onder het diafragma.
Bij kleine kinderen kan het aanprikken van een schedelvene soms soelaas brengen.


De techniek

Men klemt het lidmaat af met een garrot. De druk van de garrot moet hoger liggen dan de veneuze druk en lager dan de arteriële druk, zodat de desbetreffende vene zich vult met bloed komende van distaal.

De punctieplaats wordt vervolgens ontsmet met een alcoholische oplossing.

Tangentieel wordt de vene aangeprikt totdat de collector zich met bloed vult, dan wordt de catheter naar de huid toe van de naald afgeschoven.
De naald wordt verwijderd en de catheter wordt verbonden met de trousse.

Ter hoogte van de punctieplaats wordt een steriele kleefpleister geplakt.

Na het toedienen van medicatie via een perifere vene kan men best flushen met bijvoorbeeld een bolus van 20ml bij volwassenen teneinde de farmaca in de centrale circulatie te verzekeren. Ook hoogstand van het lidmaat kan helpen.


Het intraosseus infuus

Index

Indicaties

Ook via de beenmergholte kan je vloeistoffen toedienen. In de beenmergholte van pijpbeenderen bevinden zich immers veneuze sinussen die in verbinding staan met de veneuze systeemcirculatie. Deze toedieningsweg is zeer efficiënt: onder zwaartekracht kunnen hoeveelheden vocht tot 100 ml/uur toegediend worden. Onder druk geplaatst zijn zelfs toedieningen van nog grotere hoeveelheden vocht mogelijk.
De tijd waarme farmaca de circulatie bereiken is vergelijkbaar al de tijd die farmaca nodig hebben om de circulatie te bereiken via een centrale catheter [57]. Bovendien kan bloed afgenomen worden voor bepalign van een kruisproef en kunnen bloedgasjes genomen worden voor de bepalign van de ventilatieparameters, het hemoglobine en de electrolytenwaarden. De techniek biedt dan ook een ideaal alternatief om in urgentiesituaties een vasculaire toegangsweg te creëren bij babyës en kleine kinderen tot 6 jaar, wanneer een veneuze toegangsweg niet kan bekomen worden. Ook bij volwassenen kan je, in geval van een moeilijke perifere punctie, gebruik maken van de intraosseuze toegangsweg.

De infusietherapie via het beenmerg wordt best beperkt tot enkele uren waarna je overschakelt op een intussen bekomen veneuze toegangsweg. Het aanprikken van het beenmerg gebeurd onder steriele omstandigheden om een osteomyelitis te voorkomen. 

Je kan de intraosseuze toegangsweg ook gebruiken voor:

  • inductie en onderhoud van algemene anesthesie
  • antibioticatherapie
  • controleren van epileptische insulten
  • toediening van Inotropica

Benodigdheden

  • Ontsmettingsmiddel voor de huid
  • Intraosseuze naald (18 Gauche) of naald voor het beenmerg
  • Lokaal anestheticum
  • Een spuit van 5 ml
  • Een spuit van 50 ml

Techniek

Bij voorkeur plaatst men het intraosseus infuus ter hoogte van de anterieure zijde van de proximale tibia, 2 tot 3 cm onder de tuberositas tibialis, of ter hoogte van de distale femur. Plaats het intraosseus infuus niet in beenderen met osteomyelitishaarden of fracturen en gebruik de tibia niet indien de femur aan die zijde is gebroken.

  • Reinig de prikplaats en injecteer een kleine hoeveelheid lokaal anestheticum in de huid, verder infiltrerend tot het periost
  • Plaats de intraosseuze naald 45ë ten opzichte van de huid in de richting weg van het epifyseaal plateau
  • Duw de naald verder tot je weerstand voelt en penetreer met de naald de cortex van het bot. Eens doorheen de cortex moet de naald kunnen rechtstaan zonder steun
  • Verwijder de trochar en verifiëer correcte positie door aspiratie van bloed met de spuit van 5 mL
  • Fixeer de naald op steriele wijze
  • Geef voorzichtige vloeistofbolussen afhankelijk van de klinische situatie, gebruik makend van de spuit van 50 mL
  • De intraosseuze toegangsweg wordt verwijderd zodra een perifere vene kan worden aangeprikt. Hoe langer het intraosseus infuus ter plekke blijft, hoe groter het risico op sepsis.

Complicaties

  • Osteomyelitis
  • Compartimentsyndroom
  • (beenmerg- of vetembool?)

Contra-indicaties

  • Rechts-links shunt
  • Pulmonale hypertensie
  • Ernstige pulmonaire insufficiëntie
omwille van het theoretisch risico op embolen
Index

Catheterinfecties


Definities

Cathetercontaminatie
Contaminatie van de catheter met huidflora. Geen echte infectie.
Catheterkolonisatie
Aanwezigheid van organisme in de catheter, vastgesteld door een kweek, doch afwezigheid van lokale of systemische infectietekenen
Catheter-geassocieerde infectie
Terugvinden van een bepaald aantal organismen in een cathetersegment, in associatie met een klinische bacteriëmie of lokale infectie
Catheter-geassocieerde bacteriëmie
Terugvinden van het zelfde organisme bij semikwantitatieve kweken van de cathetertip en het bloed van de patiënt

Incidentie

Catheterinfecties behoren tot de top drie van de infecties verworven in het ziekenhuis, met een incidentie van 4 tot 17%.
De infectie varieert naargelang het type Intensieve Zorgenafdeling. In het brandwondencentrum bijvoorbeeld ligt het aantal catheterinfecties hoger dan in de respiratoire intensieve zorgen.

Ingangspoort voor catheterinfecties

Het is via meerdere studies aangetoond dat de huid rond de incisie de belangrijkste ingangspoort is voor catheterinfecties. Analyse van cathetersegmenten met Gramkleuring en semikwantitatieve bepalignen toonde aan dat er een belangrijke aanwezigheid is van bacteriën van de huid tot de incisie. Adherentie en migratie vormen de belangrijkste mechanismen voor catheterinfecties.
Op de tweede plaats komt de contaminatie van de catheter gedurende de manipulatie ervan.
Hematogene verspreiding van een distale infectieplaats met kolonisatie van de catheter komt veel minder voor en is geassocieerd met gisten, enterococcen en Klebsiella.
Andere bronnen zijn gecontamineerde transducerkits en infusielijnen. Deze ingangspoorten zijn zeldzaam.

Risicofactoren

Welke catheters ?

Klinische trials toonden aan dat de tip van perifere intraveneuze catheters een significant risico vertonen om gecontamineerd te worden na 72 uur. Nochtans zijn deze catheters minder geassocieerd met infecties dan centrale, pulmonaire en arteriële catheters, indien ze elke 72 uur vervangen worden. Bij infusie via de onderste ledematen is er een groter risico op infectie.
Arteriële catheters zijn minder dan centrale en pulmonaire catheters geassocieerd met infectie. Ze vormen een zeldzame bron van bacteriëmie in de I.Z.-afdeling, vermoedelijk omdat de hogere arteriële flow de adherentie van bacteriën aan de catheter verhindert.
veneuze catheters dragen een belangrijk risico op geassocieerde infecties en bacteriëmie, vergeleken met perifere en arteriële catheters. Bij tripple-lumen catheters zou het risico 7 - 19% bedragen, vergeleken met een risico van 3.7% bij enkellumen-catheters.
A. Pulmonaliscatheters hebben een ongeveer gelijkaardig risico op infectie: 5 - 12%.

Diagnose

Klinisch onderzoek is onbetrouwbaar, lokale inflammatietekenen of purulentie ter hoogte van de insteekplaats wordt in minder dan de helft van de gevallen gezien. Ook aanwezigheid van koorts, leucocytose of positieve perifere bloedculturen zijn onbetrouwbare parameters.

De meest gebruikte en meest betrouwbare test is dan ook het verwijderen van de catheter en cultuur van de tip door het over een bloed-agarplaat te rollen. Indien meer dan 15 kolonies per plaat voorkomen heeft men een specificiteit van 76 - 96% en een positief voorspellende waarde van 16 - 31% voor catheter-geassocieerde bacteriëmie of sepsis. Andere technieken zoals gramkleuring van de cathetertip hebben hoge vals-positieve waarden.

Bloedculturen dienen te worden afgenomen via de catheter en via een perifere plaats. Bloedculturen via de catheter alleen hebben uiteraard een hoge vals-positieve uitslag.

Organismen

Preventie

Volgende nieuwe technieken zouden kunnen bijdragen tot de preventie van catheterinfecties:

Vitacuff:
Dit is een subcutaan collageen aan de ingangspoort van de catheter, geëmpregneerd met zilver. Het gebruik ervan zou zijn geassocieerd met een drievoudige reductie voor wat betreft kolonisatie en een viervoudige reductie voor bacteriëmie. Nadeel is de kostprijs.
Chlorhexidine gluconate:
Met dit produkt kan men de huid decontamineren alvorens de catheter in te brengen, wat leidt tot een grotere reductie dan bij gebruik van jodiumoplossingen

Behandeling

Als algemene regel geldt dat, indien men cathetersepsis vermoedt, de catheter dient te worden verwijderd en eventueel vervangen. De meeste complicaties zijn immers zelf-limiterend en verdwijnen dus na het verwijderen van de catheter.

Indien er empirische nood is aan antibiotica, is Vancomycine het meest geschikt terwijl men wacht op het resultaat van de culturen, dit omwille van de toenemende resistentie van Staphylococcen tegen oxacilline. De coagulase-negatieve staphylococcen kunnen worden uitgeroeid door verwijderen van de catheter alleen, of door combinatie met antibiotica gedurende 3 tot 7 dagen. In geval van Staphylococcus Aureusbacteriëmie dient men de intraveneuze antibiotica door te geven gedurende 2 tot 3 weken gezien de hogere associatie met endocarditis.


Index

Prikongevallen


Risico op overdracht van HIV

Achtergrond

Het Humaan Immunodificiëntie Virus behoort tot de familie van de retroviridae en het genus Lentiviridae. De leden van dit genus zijn Cytopathisch, wat betekent dat zij de cel beschadigen. Ze hebben een lange latentieperiode en de ziekte kent een chronisch verloop.
Er bestaan twee sybtypes van HIV, HIV-1 en HIV-2. Men detecteerde ook reeds twee subtypes van HIV-1, namelijk HIV-1O en HIV-1M. Het HIV-1-virus kent een tragere progressie en een lagere perinatale transmissikans dan HIV-2. HIV-2 komt voornamelijk voor in West-Afrika.
Het virus kent een hoge turn-over, met 109 virions per dag (2). Het virus repliceert zich voornamelijk in de lymfonodi, waar het de T-helper lymfocyten (CD4 T-cellen) vernietigt. Ongeveer 10% van de individuen geënfecteerd met het HIV-virus ontwikkelt AIDS in de komende 2 tot 3 jaar na infectie. De overigen ontwikkelen AIDS na een gemiddelde periode van 10 jaar.

Wijze van overdracht

HIV komt voornamelijk voor in de CD4-T-helpercellen, de macrofagen en de monocyten. Een hoge lading aan virussen is noodzakelijk voor transmissie. HIV werd reeds geësoleerd uit bloed, cerebrospinaal vocht, tranen, speeksel, sperma, synoviaal vocht, pleuraal vocht, peritoneaal vocht, pericardiaal vocht, amnionvocht, vaginale secreties en borstmelk.
Transmissie is mogelijk via oraal, rectaal en vaginaal sexueel contact, transfusie van bloedproducten, intraveneuze naalden en vertikale transmissie van moeder op kind.
Het screenen van bloedproducten op HIV verminderde reeds aanzienlijk het risico op overdracht van het virus.

Transmissie in het ziekenhuis

HIV kan worden overgedragen van patiënt naar zorgenverlener via exposie aan geënfecteerde lichaamsvloeistoffen. Dit kan gebeuren via het spatten op de mucosa, of via prikongevallen. Diepe subcutane of intramusculaire blootstelling aan naalden gecontamineerd met bloed van een patiënt met een hoge HIV-viremie blijkt de meest ernstige vorm van contact te zijn.
Drie factoren bepalen het risico voor een gezondheidswerker ten aanzien van HIV:

  1. Het risico op blootstelling aan prikongevallen
  2. Het risico op conversie na een prikongeval
  3. De prevalentie van HIV in de ziekenhuispopulatie
De meeste ongevallen gebeuren tijdens procedures die bestaan uit meerdere stappen, tijdens het herkappen van naalden of wanneer scherpe voorwerpen niet adequaat worden verwijderd. Dit geeft duidelijk de noodzaak aan van naaldcontainers waarin de naalden onmiddellijk kunnen worden opgeborgen, zonder uitstel.

Een enkelvoudig prikongeval met geënfecteerd bloed biedt een risico van 0.31% op transmissie van HIV. Het cummulatief risico voor een anesthesist blijkt 4.5% te zijn (3). Bij gewone infusen draagt slechts een klein percentage van de anesthesisten handschoenen, bij centrale veneuze catheters draagt een groot percentage handschoenen. Vooral oudere anesthesisten dragen minder handschoenen, ook bij het prikken van kinderen draagt men minder handschoenen. Het merendeel van de artsen volgt dus niet de algemene raadgevingen. Men dient elke patiënt te beschouwen als potentiëel besmet.

Indien toch een prikongeval plaats vond, is profylaxie aangewezen. De profylaxie start ideaal 1 tot 2 uur na het prikongeval, doch heeft nut aangetoond tot twee weken na het prikongeval. Een mogelijk regime is Zidovudine 250mg per dag, lamivudine 150mg per dag en indinavir 800mg per dag gedurende een week. De hoge toxiciteit en de slechte compliantie kunnen de therapie compliceren.

Bart Massaer