Bij een gemiddelde man bestaat 60% van het lichaamsgewicht uit water, bij een
magere man zelfs tot 65%. Bij de vrouw is 50% van het lichaamsgewicht water, 55% bij magere vrouwen.
Dit totaal lichaamswater kan worden verdeeld in twee belangrijke compartimenten:
het extracellulair volume of de vloeistof buiten de cellen gelocaliseerd en het intracellulair volume of de vloeistof in de cellen.
Na het eerste levensjaar bestaat zit 2/3 of 66% van het totaal lichaamswater
intracellulair, het overige derde of 34% van het totaal lichaamswater bevindt zich
buiten de cellen. Dit ECF kunnen we verder verdelen in intravasculaire vloeistof
(plasma) dat 25% uitmaakt van het ECF en extravasculaire of interstitiële
vloeistof welke 75% uitmaakt van het ECF. Deze twee extracellulaire compartimenten
zijn onderling van elkaar gescheiden door een capillaire membraan.
Nemen we dus als voorbeeld een man met een lichaamsgewicht van 70kg, dan bestaat het
lichaam van deze man uit 42 Liter water (60%). Van deze 42 Liter zit 28L (66%) intracellulair
en 14L (33%) extracellulair, waarvan 3.5L (25%) intravasculair en 11.5L (75%) interstitiëel.
Het Totaal Lichaamswater verandert in functie van de leeftijd, gaande van 3/4 van het
lichaamsgewicht bij de geboorte tot ongeveer 2/3 van het lichaamsgewicht op volwassen leeftijd.
Om deze reden kunnen oudere mensen sneller deshydrateren. Ook een baby deshydrateert snel, dit
echter door een tekort aan dorstgevoel.
Een accurate inschatting van het totaal lichaamswater kan worden gemaakt door middel van
enkele berekeningen :
Leeftijd
TLW als % van het lichaamsgewicht
ECF als % van het lichaamsgewicht
ICF als % van het lichaamsgewicht
Prematuur
75 - 80
Pasgeborene
70 - 75
50
35
1 jaar oud
65
25
40 - 45
Mannelijke adolescent
60
20
40 - 45
Vrouwelijke adolescent
55
18
40
Verdeling van de elektrolyten
Er is een verschillende verdeling van de elektrolyten in deze verschillende
lichaamscompartimenten.
In het plasma is het belangrijkste kation natrium. Calcium, kalium
en magnesium komen voor in kleinere hoeveelheden. De belangrijkste anionen in het plasma
zijn chloor, HCO3- en proteënen. Bovendien zijn er
een aantal anionen die men niet routinematig detecteert, deze onbepaalde anionen vormen de
"anion-gap".
Daartegenover staat het intracellulair milieu met als dominerend kation kalium, met
kleinere hoeveelheden natrium en magnesium. Er is weinig bicarbonaat in de
cellen, de meeste anionen zijn organische fosfaten, cellulaire proteënen, organische
zuren en sulfaten. In de onderstaande tabel worden de hoeveelheden uitgedrukt in
mOsm/kg :
ICF
ECF
Kationen
Kalium : 154
Natrium : 6
Magnesium : 40
Natrium : 142
Kalium : 5
Calcium : 5
Magnesium : 3
Anionen
Organische PO43- : 106
Proteënen : 60
SO42- : 17
HCO3- : 13
Organische zuren : 4
Chloor : 105
HCO3- : 24
Proteënen : 15
PO43- : 5
SO42- : 4
Organische zuren : 2
Er zijn drie belangrijke concepten in de huishouding van vloeistoffen en elektrolyten :
Celmembraanpermeabiliteit
De mogelijkheid van een celmembraan om bepaalde substanties zoals water en
ureum vrij te laten passeren, terwijl geladen ionen zoals natrium de membraan niet kunnen kruisen
en dus aan ëën zijde ervan worden opgeslaan.
Osmolariteit
Een eigenschap van deeltjes in oplossing. Indien een substantie zich splitst
in een oplossing zal het aan de osmolariteit meer bijdragen dan 1 equivalent. NaCl bijvoorbeeld,
zal zich splitsen in twee osmotisch actieve deeltjes : Na en Cl. Eën milimolair NaCl leidt dus
in een oplossing tot 2 miliosmolair in oplossing.
Elektroneutraliteit
Het totaal aantal positieve en negatieve ladingen komt steeds in evenwicht.
De normale serumosmolariteit variëert tussen 280 en 295 mOsm/kg.
Hypovolemie
Ernstige hypvolemie is geassocieerd met cardiovasculaire decompensatie, verminderde
cellulaire perfusie en zuurstoflevering alsook met de ontwikkeling van een lactaatacidose.
Indien men de zuurstofvoorziening niet onmiddellijk herstelt, zullen de celmembraanpompen
irreversiebel falen.
In een speciale zak van doorzichtige plastiek bevindt zich
de infusievloeistof. Deze vloeistof zal via een trousse en catheter intraveneus toegediend worden. Naast deze zakken bestaan
ook nog flessen van glas of plastiek met infusievloeistof. De zakken hebben
echter vele voordelen, zoals :
makkelijker opbergbaar
gaan moeilijker stuk bij het vallen
geen luchtleiding noodzakelijk
minder kans op luchtembolie
steriel werken is eenvoudiger
De inhoud van de infuuszak dient luchtledig, apyrogeen en homogeen te zijn.
Intraveneuze infusievloeistoffen bevatten twee substanties : vloeistof
en elektrolyten. De vloeistoffen worden meestal gebruikt om :
Corrigeren van een evenwichtstoornis in vloeistoffen of
elektrolyten
Compenseren van een pathologie die de vloeistoffen of elektrolyten verstoort
Acuut expanderen van het vasculair volume
Verschillende infusievloeistoffen kunnen worden gebruikt voor het acuut expanderen
van het vasculair volume :
De fysiologische oplossing (NaCl 0.9%): bevat zout en water in een concentratie
isotoon met het bloed (=154mM natrium).
Ringer Lactaat: is analoog aan NaCl 0.9%, doch bevat kleine hoeveelheden
kalium. Bovendien bevat het lactaat, wat door de lever wordt gemetaboliseerd tot bicarbonaat en dus
bijdraagt in het bufferen van acidotisch bloed.
Colloëden:
Geloplasma: wordt gemaakt van gemalen beenderen van
runderen
HAES Sterile 6%: is plantaardig zetmeel
SOPP 5%: bestaat uit humane eiwitten
Albumines 20%
Plasma
Merk op dat deze oplossingen geen glucose bevatten, omdat een snelle toediening in bolus het
bloedglucose en de plasmaosmolariteit te snel zouden opdrijven.
Bij patiënten van meer dan een jaar oud
zijn bolussen van 20 mL/kg normaal, bij pasgeborenen gebruikt men bolussen van 10 mL/kg. In een intensieve zorgeneenheid kan men meerdere kleinere bolussen toedienen,
met monitoring van het effect. Neonati ontvangen bolussen van 10 mL/kg met albumine voor
de vasculaire expansie.
Het probleem welke infusievloeistof moet worden gebruikt bij reanimatie, zorgt nog
steeds voor controverse. Colloëden zouden bij
traumapatiënten hun effect deels mislopen door
het capillaire lek (5), waardoor
de colloëden niet in de bloedbaan blijven. Bovendien zullen oncotisch actieve moleculen in de
extravasculaire ruimte nog meer vloeistof uit de bloedbaan trekken en het oedeem verergeren.
Bij electieve heelkunde is het capillaire lek geringer en zullen colloëden meer effect hebben.
Merk ook op dat tijdens het toedienen van vloeistoffen met elektrolyten, de overige
vasculaire bestanddelen worden gedilueerd. Het hematocriet zal dus dalen, de concentratie
stollingsfactoren wordt verdund. Soms zijn andere plasmacomponenten nodig om dit effect te
voorkomen. Na lange tijd zullen ook de elektrolyten herverdeeld worden, of gaan ze verloren via
de nierfiltrage. Voor lange infusietherapie dienen we dus albumine of andere bloedprodukten toe
te dienen, welke enige oncotische druk uitoefenen gezien hun proteënecomponent.
Wat betreft de colloëden geven we de voorkeur aan plantaardige produkten op humane of
produkten afkomstig van het rund. HAES sterile blijft echter langer in het
reticulo-endotheliaal systeem, waardoor we maximaal 1 liter van deze vloeistof mogen toedienen. Geloplasma
heeft dit probleem minder, hiervan mag men meer toedienen. SOPP en Albumines zijn duur.
Over het gebruik van Fresh Frozen Plasma bestaat weinig evidentie. Guidelines schrijven
voor om bij patiënten met microvasculair bloedverlies, Fresh Frozen Plasma te infunderen indien
de aPTT of de PT meer dan anderhalve keer de startwaarde bedraagt. Men beveelt een dosis van
10 tot 15 mL/kg aan. De stollingstesten zouden echter ontoereikend zijn om de
indicatie tot transfusie van fresh frozen plasma te stellen. Significante bijwerkingen zoals
allergieën, volume overbelasting of overdracht van virussen kunnen door een slechte
indicatie meer voorkomen (1).
Bij het berekenen van de hoeveelheid te infunderen vloeistof kan men best te veel geven
in plaats van te weinig. Men maakt zich vaak zorgen over de vloeistofoverbelasting die men
veroorzaakt, te weinig herstel van het vochtverlies leidt echter tot lage perfusies,
shock en acidose. Kort na stabilisatie zullen de meeste patiënten de
overtollige vloeistoffen ook mobiliseren. Enkel indien
cardiogene shock dient men het te infunderen volume
te beperken.
Het onderhoudsinfuus
Onderhoudsinfusen worden gebruikt om tegemoet te komen aan eventuele verliezen van
vloeistoffen en elektrolyten. De samenstelling en snelheid van toediening zal afhankelijk zijn
van het verlies. Indien de juiste vloeistof wordt gekozen, zou de elektrolytensamenstelling in
het lichaam van de patiënt constant moeten blijven.
Er zijn verschillende methoden om de vochtbenodigdheden van de patiënt te berekenen. Eerst
dienen we echter de samenstelling van de verschillende beschikbare vloeistoffen te kennen.
Verdeling van de infusievloeistoffen over het lichaam
Toename van het intracellulair volume
Glucose 5% bestaat als hypertone oplossing voornamelijk uit water. Dit water
zal, gezien de verdeling van lichaamsvloeistoffen
in ons lichaam, zich voor 2/3 verplaatsen naar het intracellulaire milieu. Bij toediening van
1 liter glucose 5% komt er aldus na reeds 30 minuten 660 mL vocht terecht in dit
intracellulaire milieu, waardoor oedeem van de cellen ontstaat.
De 10% die toch intravasculair blijft, zal een
hyponatriëmie met stuipen
veroorzaken. Deze waterintoxicatie gaat gepaard met oligurie.
Het mechanisme berust op de reactie van het lichaam op het toedienen van vrij water. Geeft
men een hypotone vloeistof aan een euvolemische patiënt, dan merken de osmoreceptoren in de
hypotalamus een dalign van de plasma-osmolariteit. Hierbij wordt minder anti-diuretisch
hormoon geproduceerd met een vermindering in reabsorptie van water in de nieren en dus excretie
van vrij water. De osmolariteit van het serum blijft aldus behouden.
Is er hypovolemie dan stimuleren de volumereceptoren in de atria en de grote bloedvaten
de vrijstelling van ADH waardoor meer vocht wordt geresorbeerd ter hoogte van de nieren. Bij
een hypovolemische patiënt met een hypo-osmolair plasma zal de stimulus tot vrijstelling van
ADH groter zijn dan de remming om de osmolariteit te bewaren. De hyponatriëmie draagt bij tot
een verminderde urineproductie, gezien natrium noodzakelijk is voor de vorming van urine.
Toename van het intracellulaire en het extracellulaire volume
Hiervoor gebruiken we een combinatie van fysiologische oplossing met glucose.
Toename van het extracellulaire volume
Een fysiologisch oplossing zal het extracellulaire milieu expanderen. 30 minuten na infusie van
NaCl 0.9% zal 30% in het intravasculaire
compartiment blijven. NaCl 0.9% is isotoon en heeft een osmolariteit van 285mOsm/kg. Afhankelijk van de toniciteit van de vloeistof kan men het pecentage van
de vloeistof dat intravasculair blijft, aanpassen. Bijvoorbeeld 30 minuten na infusie
van NaCl 0.45% zal slechts 20% van de toegediende vloeistof intravasculair
blijven, terwijl 30 minuten na infusie van NaCl 3% het vasculair volume meer zal
toenemen dan bij toediening van de isotone vloeistof.
Ringer lactaat heeft een osmolariteit van 265 mOsm/kg. Beide vloeistoffen
kunnen afwisselend door elkaar worden gebruikt, tenzij bij
neurotraumata waar
NaCl 0.9% de voorkeur krijgt omwille van de hogere osmolariteit, waardoor het hersenoedeem
vermindert.
Inkrimping van het intracellulaire milieu
Voor een inkrimping van het intracellulaire milieu dienen we een hypertone
oplossing zoals NaCl 3% toe. Vooral bij
brandwonden en
schedeltraumata kunnen hypertone oplossingen
gunstig zijn. Bijwerkingen zijn de
hypernatriëmie en het ontstaan van
een metabole acidose ten gevolge van de chloorbelasting. Gebruikt men ze samen met
isotone oplossingen, dan worden de bijwerkingen geminimaliseerd.
Het effect van colloëden op de vochtcompartimenten is moeilijker te
voorspellen. De verdeling van het colloëd is afhankelijk van de oncotische activiteit
van de vloeistof en de integriteit van de capillaire membraan. Na infusie van
bijvoorbeeld 25% albumine bij een gezonden volwassene, zal ongeveer de volledige
hoeveelheid vloeistof intravasculair blijven. Bij
trauma of sepsis is de integriteit van
de capillaire membraan minder zeker, waardoor de verdeling van de vloeistof minder voorspelbaar
is.
Beschikbare infusievloeistoffen
De tabel geeft een overzicht van de meest gebruikte infusievloeistoffen :
Infusievloeistof
Glucose (g/L)
Na+
K+
Ca2+
Cl-
Lactaat
PO43-
Mg2+
5% Dextrose (D5W)
50
0
0
0
0
0
0
0
10% Dextrose (D10W
100
0
0
0
0
0
0
0
Fysiologisch (NS)
0
154
0
0
154
0
0
0
D5NS
50
154
0
0
154
0
0
0
D51/2NS
50
77
0
0
77
0
0
0
0.2%NS
0
31
0
0
31
0
0
0
3%NaCl
0
513
0
0
513
0
0
0
Ringer Lactaat
0
130
4
3
109
28
0
0
D5RL
50
130
4
3
109
28
0
0
Humaan Serum Albumine heeft meerdere functies in het plasma. Het zorgt voor het behoud
van het plasmavolume, bindt farmaca en verwerkt reactieve inflammatoire mediatoren gegenereerd
door basale aerobe processen (11).
Albumine is een plasmaproteëne dat bestaat uit 585 aminozuren en omvat 50% van het totale
eiwit in het plasma. De concentratie van albumine is typisch 0.6 mM of 45 mg/mL.
Klinisch worden colloëden gebruikt om volumeverlies te compenseren
en zo de weefselperfusie te verbeteren bij sepis,
trauma,
shock of heelkundige stress.
Albumine is beschikbaar in oplossingen van 5%, 25% of als plasma
proteënefractie, een mengsel van proteënen zoals 83 tot 90% albumine, 17% alfa- en
beta-globulines en 1% gamma-globulines. Het gebruik van dit mengsel wordt geassocieerd
met hypotensie door activatie van de Hageman-factor, wat aanleiding geeft tot productie van
andere vaso-actieve substanties zoals kinine en prostaglandines. Door de slechte evidentie
in verband met de outcome en de hoge kostprijs wordt albumine enkel voorbehouden voor patiënten
met een hypoalbuminemie.
HAES of Hydroxyethyl starch is een synthetisch gemodifieerd polymeer van
amylopectine en wordt gebruikt als colloëd en plasma-expander. Het heeft een moleculair
gewicht van 69.000 dalton. De fysische en chemische eigenschappen van HAES zijn
het gevolg van de hydroxylatie. De hydroxylatie bepaalt de halfwaardetijd van HAES en dus de
colloëdale activiteit (11).
Vergeleken met albumine heeft HAES dezelfde efficiëntie voor vochtreanimatie.
HAES wordt
geassocieerd met een toename van de prothrombinetijd en de partiële
thromboplastinetijden samen met een vermindering van fibrinogeen en bloedplaatjes. Het kan ook
interfereren met de Kupfercellen in de lever. HAES bevat lactaat en kan dus de lactaatspiegel
beënvloeden. Door de opname in het reticulo-endotheliale systeem heeft het eveneens een
inflammatoir effect (11).
HAES is minder duur dan albumine en indien
toegediend in beperkte volumes heeft het weining effect op de coagulatie.
Het aanprikken van een vene
Wanneer het A.B.C. is ingesteld, dient een intraveneuze
catheter te worden geplaatst voor het continu en snel veneus toedienen van farmaca, alsook
om een waakinfuus open te houden. Men toonde echter aan dat de evidentie van vele
farmaca gebruikt ter
behandeling van (peri-)arrest
aritmieën beperkt is.
Daarom schrijven de nieuwste richtlijnen voor dat men het toedienen van dergelijke
farmaca niet mag beschouwen als prioriteit. Eerst dienen andere
interventies te worden uitgevoerd alvorens men de tijd neemt om een intraveneuze lijn te
plaatsen en farmaca toe te dienen
(22).
De eerste keuze is uiteraard het aanprikken van een perifere vene. Dit is immers
een snelle techniek, veilig, gemakkelijk aan te leren en vereist niet het
stopzetten van C.P.R. Bij obese of hypovolemische patiënten kan dit aanprikken echter
moeilijk zijn. Piekconcentraties van de
farmaca zullen tevens
langer uitblijven in vergelijking met de centrale lijn. Men kan via de perifere lijn best een
bolus toedienen, gevolgd door een bolus van 20 mL vloeistof, waarbij men tevens de
benen in hoogstand brengt, om aldus het
farmacon sneller in de
centrale circulatie te brengen (22).
Het plaatsen van een centrale lijn vereist meer ervaring en kan
aanleiding geven tot belangrijke complicaties. Om een pneumothorax te voorkomen dient men de
reanimatie te onderbreken tijdens het aanprikken
van een centrale vene. Een ingestelde fibrinolytische behandeling is een relatieve
contraëndicatie voor het plaatsen van een
centrale lijn, gezien het risico op nabloeden en
de vorming van een hematoom.
Uitzonderlijk Arrow 8.5 Fr
Deze catheter wordt gebruikt bij Levertransplantatie. Men plaatst de 18 gauge
catheter in de arm, verwijdert de naald en sluit de catheter af met de afsluitdop.
Vervolgens wordt het omliggend veld en de catheter opnieuw breed ontsmet, men verwijdert de
afsluitdop en plaatst de mandrain van de 8.5 Fr catheter. Men verwijdert de 18 gauge
catheter, dilateert met een dilatator en schuift de 8.5 Fr catheter er over.
De punctieplaats
Bij voorkeur zoekt men in rustige omstandigheden een vene ter hoogte van de voorarm,
hand of elleboog.
De voorkeurmethode bij reanimaties, en tevens de snelste, is het plaatsen van een grote
catheter (16 gauge of meer) in de een vene van het bovenste extremiteit, meestal de
vena basilaris.
Indien de venen van het bovenste lidmaat niet toegankelijk zijn, is een
alternatief het aanprikken van de
vena jugularis externa, of de
vena femoralis, wat moeilijk kan zijn bij obese patiënten. In sommige
omstandigheden, zoals bijvoorbeeld bij operaties ter hoogte van de vena cava superior, is het
aangewezen om een infuus te plaatsen ter hoogte van een vene gelegen onder het diafragma.
Bij kleine kinderen kan het aanprikken van een schedelvene soms soelaas brengen.
Ook via de beenmergholte kan je vloeistoffen toedienen. In de beenmergholte
van pijpbeenderen bevinden zich immers veneuze sinussen die in verbinding staan met de
veneuze
systeemcirculatie. Deze toedieningsweg is zeer efficiënt: onder zwaartekracht
kunnen hoeveelheden vocht tot 100 ml/uur toegediend worden. Onder
druk geplaatst zijn zelfs toedieningen van nog grotere hoeveelheden vocht mogelijk.
De tijd waarme farmaca de circulatie bereiken is vergelijkbaar al de tijd die
farmaca nodig hebben om de circulatie te bereiken via een
centrale catheter[57].
Bovendien kan bloed afgenomen worden voor bepalign van een kruisproef en kunnen
bloedgasjes genomen worden voor de bepalign van de ventilatieparameters, het
hemoglobine en de electrolytenwaarden. De techniek
biedt dan ook een ideaal alternatief om in urgentiesituaties een vasculaire toegangsweg
te creëren bij babyës en kleine kinderen tot 6 jaar,
wanneer een veneuze toegangsweg niet kan bekomen
worden. Ook bij volwassenen kan je, in geval van een moeilijke perifere
punctie, gebruik maken van de intraosseuze toegangsweg.
De infusietherapie
via het beenmerg wordt best beperkt tot enkele uren waarna je overschakelt op
een intussen bekomen
veneuze toegangsweg. Het aanprikken van het
beenmerg gebeurd onder steriele omstandigheden om een osteomyelitis te voorkomen.
Je
kan de intraosseuze toegangsweg ook gebruiken voor:
Bij voorkeur plaatst men het intraosseus infuus ter hoogte van de anterieure zijde van de proximale
tibia, 2 tot 3 cm onder de tuberositas tibialis, of ter hoogte van de
distale femur. Plaats het intraosseus infuus niet in beenderen met
osteomyelitishaarden of fracturen en gebruik de tibia niet indien de femur aan die zijde is
gebroken.
Reinig de prikplaats en injecteer een kleine hoeveelheid lokaal anestheticum in de
huid, verder infiltrerend tot het periost
Plaats de intraosseuze naald 45ë ten opzichte van de huid in de richting weg van
het epifyseaal plateau
Duw de naald verder tot je weerstand voelt en penetreer met de naald de cortex van
het bot. Eens doorheen de cortex moet de naald kunnen rechtstaan zonder steun
Verwijder de trochar en verifiëer correcte positie door aspiratie van bloed met de
spuit van 5 mL
Fixeer de naald op steriele wijze
Geef voorzichtige vloeistofbolussen afhankelijk van de
klinische situatie, gebruik makend van de spuit van 50 mL
De intraosseuze toegangsweg wordt verwijderd zodra een perifere
vene
kan worden aangeprikt. Hoe langer het intraosseus infuus ter plekke blijft, hoe groter het risico op sepsis.
De vena jugularis heeft als punctieplaats een hoger risico op catheterinfecties dan
de vena subclavia. Men wijdt dit aan toegenomen pooling van nasale secreties ter hoogte van de hals
bij de liggende patiënt en aan de onmogelijkheid om de hals voldoende af te dekken. Toch
verkiest men meestal de vena jugularis als punctieplaats, gezien het kleinere risico op
pneumothorax.
Het Humaan Immunodificiëntie Virus behoort tot de
familie van de retroviridae en het genus Lentiviridae. De leden van dit genus zijn
Cytopathisch, wat betekent dat zij de cel beschadigen. Ze hebben een lange
latentieperiode en de ziekte kent een chronisch verloop.
Er bestaan twee sybtypes van HIV, HIV-1 en HIV-2. Men detecteerde ook reeds
twee subtypes van HIV-1, namelijk HIV-1O en HIV-1M. Het HIV-1-virus kent een
tragere progressie en een lagere perinatale transmissikans dan HIV-2. HIV-2 komt voornamelijk
voor in West-Afrika.
Het virus kent een hoge turn-over, met 109 virions per dag
(2). Het virus repliceert zich
voornamelijk in de lymfonodi, waar het de T-helper lymfocyten (CD4 T-cellen) vernietigt.
Ongeveer 10% van de individuen geënfecteerd met het HIV-virus ontwikkelt AIDS in de komende
2 tot 3 jaar na infectie. De overigen ontwikkelen AIDS na een gemiddelde periode van
10 jaar.
Wijze van overdracht
HIV komt voornamelijk voor in de CD4-T-helpercellen, de macrofagen en de monocyten. Een
hoge lading aan virussen is noodzakelijk voor transmissie. HIV werd reeds geësoleerd uit bloed,
cerebrospinaal vocht, tranen, speeksel, sperma, synoviaal vocht, pleuraal vocht, peritoneaal
vocht, pericardiaal vocht, amnionvocht, vaginale secreties en borstmelk.
Transmissie is mogelijk via oraal, rectaal en vaginaal sexueel contact,
transfusie van bloedproducten,
intraveneuze naalden en vertikale transmissie
van moeder op kind.
Het screenen van bloedproducten op HIV verminderde reeds aanzienlijk het risico op
overdracht van het virus.
Transmissie in het ziekenhuis
HIV kan worden overgedragen van patiënt naar zorgenverlener via exposie aan
geënfecteerde lichaamsvloeistoffen. Dit kan gebeuren via het spatten op de mucosa, of
via prikongevallen. Diepe subcutane of intramusculaire blootstelling aan naalden
gecontamineerd met bloed van een patiënt met een hoge HIV-viremie blijkt de meest ernstige
vorm van contact te zijn.
Drie factoren bepalen het risico voor een gezondheidswerker ten aanzien van HIV:
Het risico op blootstelling aan prikongevallen
Het risico op conversie na een prikongeval
De prevalentie van HIV in de ziekenhuispopulatie
De meeste ongevallen gebeuren tijdens procedures die bestaan uit meerdere stappen,
tijdens het herkappen van naalden of wanneer scherpe voorwerpen niet adequaat worden
verwijderd. Dit geeft duidelijk de noodzaak aan van naaldcontainers waarin de naalden
onmiddellijk kunnen worden opgeborgen, zonder uitstel.
Een enkelvoudig prikongeval met geënfecteerd bloed biedt een risico van 0.31% op
transmissie van HIV. Het cummulatief risico voor een anesthesist blijkt 4.5% te zijn
(3). Bij gewone infusen
draagt slechts een klein percentage van de anesthesisten handschoenen, bij centrale veneuze
catheters draagt een groot percentage handschoenen. Vooral oudere anesthesisten dragen minder
handschoenen, ook bij het prikken van kinderen draagt men minder handschoenen. Het merendeel
van de artsen volgt dus niet de algemene raadgevingen. Men dient elke patiënt te beschouwen
als potentiëel besmet.
Indien toch een prikongeval plaats vond, is profylaxie aangewezen. De profylaxie start
ideaal 1 tot 2 uur na het prikongeval, doch heeft nut aangetoond tot twee weken na het
prikongeval. Een mogelijk regime is Zidovudine 250mg per dag, lamivudine 150mg per dag
en indinavir 800mg per dag gedurende een week. De hoge toxiciteit en de slechte compliantie
kunnen de therapie compliceren.