ademhalingsfysiologie |
|
CPR \ Fysiologie \ ademhalingsfysiologie Index
Het kleinste levende deeltje in ons lichaam is de cel. In deze cel vindt een zeer belangrijke verbrandingsreactie - ook oxidatiereactie genoemd - plaats, noodzakelijk voor de overleving van de cel. Om een verbrandingsreactie goed te laten verlopen hebben we
steeds nood aan een
brandstof, zuurstof (O2) en energie: Ook bij de verbrandingsreactie in de cel zijn deze onderdelen absoluut noodzakelijk. Brandstoffen halen we uit ons voedsel, voornamelijk onder de vorm van koolhydraten. Zuurstof is aanwezig in de ons omringende lucht en ook energie halen we uit de voeding. Wanneer we deze componenten samenbrengen, ontstaat een verbranding of oxidatie. Het eindresultaat van deze reactie bevat afvalstoffen, koolstofdioxide (CO2) en energie:
De afvalstoffen worden uit de cel en uit ons lichaam verwijderd, koolstofdioxide wordt uitgeademd en het is de energie die onze cel in staat stelt om te kunnen functioneren. Aangezien we in ons lichaam reserves van voedsel (brandstof en energie) hebben aangelegd onder de vorm van vetten, blijft zuurstof het belangrijkste onderdeel van deze verbrandingsreactie. Zonder zuurstof is leven dus onmogelijk!
Ingeademde lucht bestaat uit ongeveer 21% zuurstof en 79% stikstof. Bij een luchtdruk van 1 atmosfeer (dus op niveau van de zeespiegel) komt dit overeen met een partiële zuurstofspanning van 149 mmHg of 20 kPa. In de ingeademde lucht bevinden zich ook nog CO2 en een aantal edelgassen in zeer lage concentraties.
Aërobe metabolisme
Onder normale omstandigheden derven alle cellen energie met behulp van zuurstof.
Deze
intracellulaire energieproductie noemt men het aërobe metabolisme. De koolhydraten, vetten
en proteënes worden gemetaboliseerd tot acetyl-CoA. Dit acetyl-CoA treedt binnen
in de citroenzuurcyclus in de mitochondriën en wordt verder gemetaboliseerd tot CO2.
Voor elke geoxideerde glucosemolecule bekomt men 38 ATP moleculen. De energie opgeslagen in deze ATP-moleculen kan dan worden gebruikt voor de ionenpompen, de spiercontractie, proteënesynthese of cellulaire secretie. Gedurende de afgifte van energie wordt uit ATP weer ADP gegenereerd. ATP kan in het lichaam niet worden opgeslagen doch dient continu te worden gevormd. Er is dus eveneens een constante nood aan metabole substraten en aan zuurstof.
De verhouding tussen de totale CO2-productie en het zuurstofverbruik wordt
het respiratoir quotiënt genoemd. Dit respiratoir quotiënt is afhankelijk van de soort
brandstof die wordt gebruikt; voor koolwaterstoffen bedraagt het 1.0, voor vetten
0.7 en voor proteënen 0.8. De totale CO2-productie bedraagt normaal
200 mL/min en het zuurstofverbruik is ongeveer 250 mL/min, wat betekent dat het
respiratoir quotiënt onder normale omstandigheden 0.8 bedraagt, voornamelijk door
een verbranding van zowel vetten als koolhydraten.
De totale zuurstofconsumptie kan ook worden geschat aan de hand van het gewicht van de
patiënt en bedraagt dan 10 x (L.G)
CPR \ Fysiologie \ ademhalingsfysiologie |