Shock


CPR / Intensieve Zorgen / Circulatie / Shock

Index



Definitie shock

Index


Shock is het falen van het hart of van de circulatie om te voorzien in een adequate weefselperfusie. Hierdoor worden de organen onvoldoende voorzien van zuurstof en nutriënten voor het onderhoud van het anaerobe metabolisme [1]

Bij shock gaat het dus om een perifeer deficit van de verschillende organen, waardoor onder andere zuurstofgebrek optreedt met weefselischemie. Dit gaat tevens gepaard met hypotensie, een belangrijk symptoom bij shock. Meer informatie over de fysiologie van de bloeddruk is terug te vinden in het hoofdstuk over bloeddrukmeting. Door het perifere deficit ontstaat een metabole acidose met lactaatstijging die een relatieve maat is voor de ernst van de shock.

Bij shock komen enkele fysiologische compensatiemechanismen op gang om de toevoer naar de weefsels te herstellen. We merken een snellere hartslag en een toegenomen perifere vasculaire weerstand.


Indeling shock

Index

Shock kan ingedeeld worden in:


Pathofysiologie shock

Index

Inleiding pathofysiologie

In feite kan men de pathofysiologie van de verschillende vormen van shock herleiden tot ëën gemeenschappelijke pathway:
Door enerzijds complementactivatie en neutrofielenactivatie en anderzijds reperfusiefenomenen na hypoxie krijgt men een barriërebeschadiging (met onder andere mogelijks bacterële translocatie) en daarnaast het genereren van vrije zuurstofradicalen die op hun beurt cytotoxisch zijn. Hierdoor ontstaat finaal verdere weefselschade met hypoxie en complementactivatie en wordt de cirkel gesloten. Bij niet tijdige interventie ontstaat aldus een onomkeerbare shock die, indien niet gecorrigeerd, zal leiden tot de dood.

Zowel de relatie beschreven door Starling tussen de preload en de ventriculaire output, als de analyse van de volume-drukcurve beschreven door Sagawa et al. beschrijven de cardiovasculaire functie.

Starling-mechanisme
Starling negeerde in zijn series steeds de afterload, waarbij hij stelde dat binnen fysiologische grenzen de output van het hart onafhankelijk is van de perifere weerstand waardoor gelijk welke arbeid het hart wordt opgelegd, deze arbeid zonder falen kan worden uitgevoerd. Inderdaad is een gezond hart preload afhankelijk.

 

 

 

 

 

 


De druk-volumecurve beschrijft ëën hartcyclus. De curve start bij het einddiastoisch volume. Aan het begin van de systole zal de ventriculaire druk abrupt stijgen tot net voor het openen van de klep. Deze fase noemt men de Druk-volumecurveisometrische contractie. Door het openen van de klep ontstaat de ejectie waarbij de druk in het ventrikel groter is dan de druk in respectievelijk de aorta of de A. Pulmonalis. Deze ejectiefase loopt door tot aan het sluiten van de klep aan het einde van de systole. Op dit ogenblik ontstaat een snelle dalign van de intraventriculaire druk. Tenslotte zal door het openen van de atrioventriculaire klep het ventrikel vullen tot het einddiastolisch volume en het sluiten van de klep.

De functie van het ventrikel in systole en diastole wordt beschreven door de eindsystolische druk-volume relatie (ESPVR), de veranderingen in compliantie en diastolische functie worden beschreven door de einddiastolische druk-volumerelatie (EDPVR).

Het belang van de afterload op de ventriculaire functie dient ook genoteerd te worden. Afterload is het resultaat van een obstructie in de ventriculaire outflow of van een toename in de perifere weerstand. Terwijl preload kan worden weergegeven als het einddiastolisch volume, wordt afterload weergegeven door de hele ejectiefase. Deze is dus variabel en veel moeilijker te kwantificeren. Kijken we naar de druk-volumecurve dan kunnen we de afterload vervangen door de Effectieve Arteriële Elasticiteit welke een parameter is van de bloedvaten die de principiële determinanten van de afterload omvat. De afterload kan ook worden geschat door het eind-systolisch volume te delen door het slagvolume. Dit is nuttig in klinische en experimentele situaties.

Toegenomen slagvolume bij toegenomen
contractiliteit
De volgende figuur toont het effect van veranderende contractiliteit (veranderende helling van de ESPVR) bij contstante elasticiteit en preload. Toegenomen contractiliteit leidt tot een verhoogd slagvolume.











 

 

Ook het hartritme is een kritische parameter van de hartfunctie. Het hartritme bepaalt enerzijds het zuurstofverbruik van het hart, anderzijds speelt het hartritme een belangrijke rol bij de beschikbaarheid van zuurstof voor het hart. Zeventig percent van de myocardiale perfusie geschiedt gedurende de diastole. De tijd waarin het ventrikel in diastole verblijft is kritisch. Indien het hartritme toeneemt zal de tijd waarin het hart in diastole is verminderen.

Belangrijk in de behandeling is dan ook het behoud van een goede cardiac output en vasculaire weerstand om een voldoende druk en perfusie te voorzien. Het aanslaan van de behandeling kan worden gecontroleerd door het opvolgen van de lactaatacidose, urinaire output, de capillaire refill en de zuurstofsaturatie van gemengd veneus bloed.

Gecompenseerde shock

In de fase van gecompenseerde shock blijft de perfusie naar de vitale organen (hersenen en hart) bewaard dankzij de sympathische reflexen die de systemische weerstand verhogen. Het bloed wordt door arteriële constrictie afgeleid van de niet-vitale organen naar de vitale organen, het veneuze reservoir verkleint en het hartritme versnelt om het hartdebiet te behouden. De systolische bloeddruk blijft behouden, de diastolische bloeddruk is eventueel verhoogd met een aldus verkleind systolodiastolisch verschil. Een verhoogde secretie van angiotensine en vasopressine zorgen voor zout- en waterretentie ter hoogte van de nieren, vanuit de digestieve tractus wordt vocht gereabsorbeerd.
Symptomatisch merken we eventueel verwardheid, een bleke huid, toegenomen hartslag en een koude perifere huid met verminderde capillaire refill.

Ongecompenseerde shock

Bij een ongecompenseerde shock falen de compensatiemechanismen. Lichaamsregioës met onvoldoende perfusie kunnen niet langer meer het aeroob metabolisme in stand houden, het anaeroob metabolisme wordt de belangrijkste route voor de voorziening van energie. Het anaeroob metabolisme is in vergelijking echter veel minder efficiënt: per mol glucose wordt slechts twee mol adenosine-trifosfaat (ATP) geproduceerd, in vergelijking met  38 mol ATP dat ontstaat uit het aerobe mechanisme.
Het anaeroob metabolisme produceert bovendien overmatig lactaat, met een laktaatacidose tot gevolg. Ook de inefficiënte klaring van CO2 draagt bij tot de acidose. De acidose onderdrukt de myocardiale contractiliteit en verstoort het antwoord op catecholamines. Het anaeroob metabolisme verstoort bijkomend de energieafhankelijke natrium-kaliumpomp met een verstoring van de celhomeostase tot gevolg. De lysosomale, mitochondriale en membraanfuncties deterioreren.
Klinisch herken je de patiënt met een ongecompenseerde shock aan de gedaalde bloeddruk, de zeer trage capillaire refill, de tachycardie, koude extremiteiten, acidotische ademhaling, sufheid en gedaalde urinaire output.

Irreversibele shock

De diagnose van irreversibele shock wordt retrospectief gesteld. Er ontstaat schade aan de vitale organen, ondanks adequate pogingen tot herstel van de circulatie. Pathofysiologisch merkt men een forse vermindering van de energiehoudende fosfaatreserves in de cel. ATP is gedegradeerd tot urinezuur. Er wordt slechts heel traag nieuw ATP gevormd, je kan stellen dat de energiereserves in het lichaam uitgeput zijn. Dit geeft aanleiding tot de klinische vaststelling dat op een bepaald punt in het verloop van shock, het overlijden van de patiënt onvermijdelijk is, ondanks adequate therapie. Om deze reden is het vroegtijdig herkennen en efficiënt behandelen van shock van primair belang.


Distributieve shock

Index

Definitie en pathofysiologie sepsis

Distributieve shock is niet volledig hetzelfde als wat men vroeger septische shock noemde waarbij hypotensie, bacteriëmie en hoog hartdebiet met lage perifere weerstand kenmerkend waren. In de nieuwe terminologie spreekt wordt het algemeen begrip "sepsis" vervangen door bacteriëmie, sepsis (met vermoeden van infectie), multi-orgaandysfunctie en multi-orgaanfalen. Ook het begrip sepsissyndroom wordt vaak gehanteerd als synoniem van Systemic Inflammatory Response Syndrome. Men legt met dus voornamelijk het accent op het inflammatoir antwoord van het lichaam op een infectie, maar ook bijvoorbeeld op een ontsteking zoals bij pancreatitis of bij brandwonden. Niet alleen de ernst van het insult is bepalend voor de evolutie, maar ook het inflammatoir antwoord en het eventueel grondlijden van de patiënt.

Bij sepsis is er een ontoereikende aanvoer van zuurstof naar de weefsels, ondanks het normaal tot verhoogde hartdebiet. Dit komt omdat de bacteriële toxines een aantal complese metabole en hemodynamische interacties triggeren. Er heerst een ongecontroleerd inflammatoir antwoord met een abnormale distributie van het bloed in de microcirculatie en een gedaalde weefselperfusie. Het is vooral ons antwoord ten opzichte van micro-organismen dat onze vijand wordt. Het immuun arsenaal om te vechten tegen bacteriën is dermate krachtig dat we hiervan meer gevaar ondervinden dan van de micro-organismen zelf. Mediatoren en activatoren worden vrijgesteld in het lichaam en werken als vasodilatoren of vasoconstrictoren. Sommige activeren de stollingscascade, anderen werken cardiaal deprimerend. De behandeling richtte zich dan ook voornamelijk op de onderdrukking van deze inflammatie. Het falen van de anti-inflammatoire agentia deed echter de definitie van sepsis in vraag stellen. Studies toonden uiteindelijk aan dat de overmatige inflammatoire respons in de praktijk toch lager is dan verwacht (5) en niet overeenkomt met het klinisch beeld.

Immuunrespons sepsis

Patiënten in sepsis vertonen anderzijds vaak tekenen van immunosuppressie met verlies van de vertraagde hypersensitiviteit, onmogelijkheid om een infectie te klaren en een predispositie voor infecties (5). Initiëel ziet men dan een toename van inflammatoire mediatoren maar terwijl de sepsis persisteert ontstaat er een shift naar een anti-inflammatoire immunosuppressieve status.  
Geactiveerde CD4T-cellen lijken te zijn geprogrameerd om cytokines te produceren met antagonistische eigenschappen. De Type 1 helper T-cel produceert inflammatoire cytokines, de Type 2 helper T-cellen produceren cytokines met anti-inflammatoire eigenschappen. Men weet niet welke factoren deze producetie reguleren, vermoedelijk wordt ze bepaald door onder meer de plaats van infectie, de grootte van het bacteriëel inoculum of het type pathogeen.
Anderzijds vertonen trauma en brandwondenpatiënten vaak een verminderd aantal T-cellen en zijn deze cellen bovendien in een toestand van anergie, wat betekent dat ze een verlaagd antwoord vertonen op een antigen. Gedurende een sepsis sterft een groot aantal lymfocyten en epitheelcellen van het gastro-intestinaal stelsel door apoptose (5). Apoptotische cellen stimuleren anergie, terwijl necrose net een inflammatoir antwoord stimuleert (5). Necrose zien we vooral bij de hepatocyten in de regio van de centrale vene, vermoedelijk omdat dit orgaan meest gevoelig is aan hypoxie. Ook het hersenweefsel en de hartspiercellen vertonen bij ernstige sepsis necrose. Nochtans is de celdood op autopsie niet steeds in verhouding met de ernst van de voorafgaande kliniek (5).  Men speculeert daarom dat de cellen in een toestand van hibernatie verkeren tijdens ernstig orgaanfalen, met het doel de cellulaire processen te reduceren tot enkel het "interne huishouden".

Neutrofielen
spelen ook de rol van het dubbel snijdend zwaard. Neutrofielen zijn essentiëel voor het uitroeien  van pathogenen, toch is het excessief vrijstellen van oxidantia en proteasen verantwoordelijk voor de schade aan de organen. Door de intrapulmonaire sequestratie van neutrofielen en het feit dat de longen bij sepsis vaak mee betrokken raken in de pathologie, legde men hier vaan de link tussen de activatie van de neutrofielen en de orgaanschade. Nochtans kan men in studies aantonen dat het medicamenteus vergroten van de neutrofielenpopulatie leidt tot een betere outcome en bestaat er nog heel wat twijfel over de juiste rol die neutrofielen spelen (5)

Men stelt nu de theorie dat het primair antwoord van het lichaam op een infectie of een letsel er eentje is van ongecontroleerde hyperinflammatie. In de etiologische regio zou het lichaam zich nadien beschermen door de anti-inflammatoire mechanismen te activeren, terwijl buiten deze regio de systemische inflammatie blijft predomineren. Blokkeren van het immuunantwoord zou de outcome negatief beënvloeden.
In eerste instantie reageert het lichaam met een stimulatie van het immuunantwoord. In deze fase kunnen anti-inflammatoire farmaca levensreddend zijn. Hoe langer de sepsis aanhoudt, hoe meer uitgesproken het hypoimmuun effect. Gedurende deze fase lijkt de toediening van anti-inflammatoire producten nefast. De meeste overlijdens doen zich voor tijdens een langdurige hypoimmune status. Het bepalen van de inflammatoire mediatoren in het bloed zou kunnen een rol spelen in deze diagnose. Inflammatoire medicamenten kunnen een rol spelen in de behandeling tijdens deze tweede fase.

Tevens spelen genetische factoren een rol bij het al dan niet ontstaan van een fulminante sepsis.

Overlijden  

Autopsiestudies konden niet aantonen waarom patiënten in sepsis overlijden. Soms overlijdt een patiënt aan refractaire shock doch dit is uitzonderlijk. Door de cardiale dilatatie en de tachycardie blijft de cardiac output meestal relatief gevrijwaard. Niettegenstaande het optreden van het ARDS-syndroom overlijden septische patiënten zelden ten gevolge van hypoxie of hypercarbie. Nierfalen is frequent maar niet onoverkomelijk gezien de mogelijkheid tot dialyse. Leverdysfunctie leidt zelden tot hepatische encefalopathie.

Voorbeelden:

Septische shock op urinaire infectie

Men zal de shock heel vlug onder controle krijgen gezien de infectie gelocaliseerd is en gemakkelijk te behandelen. Het inflammatoir syndroom is meestal beperkt.

Hemorrhagische necrotiserende pancreatitis

Ook zonder surinfectie is de inflammatie zeer uitgesproken en kan de patiënt dagen vasopressorendependent zijn en zelfs afglijden naar een multi-orgaanfalen.

De tamponziekte

Bij de ene vrouw lokt deze ziekte shock uit door een vaginale kolonisatie zonder bacteriëmie, bij de andere vrouw gaat dit ongemerkt voorbij.

Levercirrhose

Bij een levercirrhosepatiënt bestaan er uitgesproken perifere shunten en is het hartdebiet reeds verhoogd met een verlaagde perifere weerstand. Komt daarbij nog sepsis dan zeer vlug een shocksyndroom optreden met een sterk verlaagde perifere weerstand.

Symptomen

Sepsis manifesteert zich door ëën van volgende symptomen: een temperatuur van meer dan 38.5ëC of minder dan 36.0ëC, een hartslag van meer dan 90 slagen per minuut, een ademhaling aan een frequentie van meer dan 20 per minuut of een PaCO2 van minder dan 32 mmHg en meer dan 12.000 of minder dan 4.000 witte bloedcellen/mm3.

Septische shock is een door sepsis geënduceerde hypotensie of een noodzaak aan vasopressoren of inotropica om de bloeddruk op peil te houden, niettegenstaande adequate vochtresuscitatie. Tevens zijn er perfusieabnormaliteiten welke eventueel samengaan met een lactaatacidose, oligurie of een acute verandering in de mentale status.

Behandeling

Vochtresuscitatie

Geef vooreerst zuurstof via een aangezichtsmasker aan een debiet van 5 tot 10 liter per minuut, te titreren naar de arteriële bloedgaswaarden indien deze beschikbaar zijn. Indien nodig dient de patiënt te worden geëntubeerd.

Bij hypotensie herstel je het circulatoir deficit door herstel van het circulerend volume, herstel van de preload en de afterload en herstel van het hartdebiet.
Volumerepletie is zeer belangrijk en dient vaak zeer snel te worden ingesteld. Indien men de balans tussen zuurstofverbruik en zuurstofaanvoer aan de weefsels snel kan corrigeren, daalt immers de mortaliteit. Volumerepletie gebeurd afgaande op vullingsdrukken en tekenen van perifere perfusie. Men vult meestal met synthetische colloëden omdat zij in tegenstelling tot de kristalloëden een betere intravasculaire vulling geven per toegediende eenheid en ook langer in de bloedbaan blijven. Er zijn te weinig wetenschappelijke gegevens om het gebruik van hypertone zoutoplossingen te gebruiken bij shock. Glucoseoplossingen zijn enkel geëndiceerd indien een hypoglycemie aanwezig is. In het bijzonder bij kinderen dien je een hypoglycemie evenwel actief op te sporen. Eiwitoplossingen zoals albumine, SOPP en plasma worden enkel gegeven op indicatie van een lage albuminespiegel of stollingsproblemen. Ook bloedtransfusie kan noodzakelijk zijn om het zuurstoftransport naar de weefsels te optimaliseren.

Geef bij kinderen met tekenen van shock een bolus van 20mL/kg isotoon cristalloid, zelfs indien de bloeddruk normaal is [59]. Herevalueer de circulatoire toestand na elke vloeistofbolus om te besluiten of verdere vochttoediening noodzakelijk is.

Zodra de vullingsstatus is genormaliseerd of althans voldoende is aangevuld kan je vaso-actieve medicatie toedienen. Wacht enerzijds niet op het volledige antwoord van de vulling, anderzijds zijn inotropica zinloos bij een niet-gevulde patiënt. Vroeger startte men dopamine dat zowel het hartdebiet verhoogd, de bloeddruk herstelt als de splanchnische circulatie en de nierdoorbloeding verbetert. Krijgt men de bloeddruk niet snel genoeg op peil dan wordt overgeschakeld op noradrenaline. Vroeger werd dit ongaarne gebruikt gezien zijn sterke vasoconstrictie waarbij men soms nierinsufficiëntie en distale lidmaatnecrose zag optreden. Door adequate vulling zijn deze bijwerkingen echter tot een minimum herleid. Door het snelle herstel van de perfusiedruk met noradrenaline ziet men nu zelfs een verbetering van de nierfunctie.
Als eindpunt in de reanimatie van shock beschouwt men de normalisatie van de arteriële bloedgaswaarden, de lactaatconcentratie in het bloed, het basedeficiet en de pH.

Antibiotica

Uiteraard is de etiologisch gerichte therapie primordiaal. Het falen bij het stellen van een adequate diagnose of het efficiënt behandelen van de infectie is de meest voorkomende fout in de behandeling van sepsis. Artsen werkzaam op de afdeling Intensieve Zorgen dienen voldoende kennis te hebben van frequente en minder frequente oorzaken van koorts en infectie bij deze patiëntenpopulatie. Vele vooral oudere patiënten of patiënten met een hoog ureum vertonen geen koortsepisode. Dit afwezige inflammatoir antwoord gaat gepaard met een hoge mortaliteit (5). Vroege tekenen van sepsis zijn een veranderde mentale status, een lichte toename of vermindering van het aantal leucocyten of het percentage neutrofielen of een hogere glycemie.
Het effect van antibiotica is echter slechts te verwachten na uren of dagen. Een bëta-lactamantibioticum zal zijn eerste effect vertonen na 6 tot 8 uren, gezien het ingrijpt op de celwand. Dit zijn de slow killers. Een aminoglycoside daarentegen werkt intracellulair en zal een effect hebben na ongeveer 1 uur, dit noemt men dan ook de fast killers. Men kan dus geen patiënt deshockeren met antibiotica.
Indien men bloedculturen afneemt kan men dit best doen uit een perifeer bloedvat. De culturen gebeuren semikwantitatief of kwantitatief.

Geactiveerd Proteëne C

Recombinant humaan geactiveerd proteëne C (A.P.C.) is een anticoagulans en het eerste antiinflammatoir agens dat effectief bleek in de behandeling van sepsis (5). APC inactiveert de stollingsfactoren Va en VIIa waardoor de productie van thrombine wordt geënhibeerd. Er zou een feedbacksysteem bestaan tussen de stollingscascade en de inflammatoire cascade. Inhibitie van thrombine leidt tot inhibitie van bloedplaatjesactivatie, recrutering van neutrofielen en degranulatie van mastcellen. APC heeft ook direct anti-inflammatoire eigenschappen en blokkeert de productie van cytokines door monocyten alsook de adhesie van cellen. Bovendien remt APC de apoptose van cellen.

Een belangrijk risico geassocieerd aan de toediening van APC is het ontstaan van bloedingen. Bij patiënten met een INR van meer dan 3.0 of met minder dan 30.000 bloedplaatjes per mm3 dient men zeer voorzichtig te zijn met de toediening van APC. In vele ziekenhuizen wordt omwille van het risico op intracraniële bloedingen, de toediening van APC sterk beperkt.

Intensieve behandeling met insuline

Indien men de bloedglucosespiegel met intensieve insulinetherapie kan bewaren tussen 80 en 110 mg/dL, bekomt men een lagere morbiditeit en mortaliteit bij kritisch zieke patiënten (6). De insulinetherapie verminderd duidelijk het aantal episodes van sepsis alsook de mortaliteit ten gevolge van multipel orgaanfalen.

De beschermende eigenschap van insuline is niet gekend. Bij hyperglycemie is de fagocytaire functie van neutrofielen echter gestoord, corrigeren van de glycemie kan deze functie verbeteren. Insuline heeft ook een antiapoptotisch effect.

Corticoëden

Toediening van hoge doses corticoëden verbetert de overleving niet en kan de prognose minder goed maken door secundaire infecties te promoten. Toch hebben enkele ernstig zieke patiënten baat bij fysiologische dosissen corticoëden (5). Dit verklaart men ten gevolge van de down-regulatie van adrenerge receptoren. Catecholamines verhogen immers de arteriële bloeddruk door stimulatie van de adrenerge receptoren; corticosteroëden vergroten de expressie van deze adrenerge receptoren. 
Een recente studie toonde aan dat 50 mg hydrocortisone viermaal per dag, samen met 50 ëg fludrocortisone per dag, de overleving positief kan beënvloeden (5). Het is echter wat verontrustend dat patiënten zonder relatieve bijnierinsufficiëntie onder deze behandeling een licht gestegen (doch statistisch niet significante) stijging vertonen in de mortaliteit.

Septische shock bij kinderen

Oorzaken septische shock bij kinderen

De belangrijkste oorzaak van sepsis bij kinderen is de meningococcensepsis. Toch moeten andere oorzaken, zoals de Groep B-streptococcen bij jonge kinderen, de gramnegatieve sepsis in relatie met een onderliggende urineweginfectie en de Groep-A streptococcensepsis in overweging genomen worden.

MeningococcenrashHet belangrijkste symptoom bij een meningococcensepsis is het voorkomen van rash en purpura bij een ziek kind. Bij aanvang van de meningococcensepsis is de rash echter vaak minder manifest en moet je goed op zoek gaan naar purpuraletsels. Soms is de rash volledig afwezig.
Bij het meer zeldzame toxisch syndroom overwegen hoge koorts, hoofdpijn, verwardheid, conjunctivale en mucosale hyperemie, subcutaan oedeem, braken en waterige diarree. Vroegtijdige toediening van antibiotica, samen met een efficiënte reanimatie, is van levensbelang.

In landen waar vaccinatie tegen Meningococcus C werd uitgevoerd, is het aantal meningococceninfecties significant gedaald.

Aanpak septische shock bij kinderen

 


Hypovolemische shock

Index

Pathofysiologie

Hypovolemische shock
ontstaat ten gevolge van een verminderd intravasculair volume wat aanleiding geeft tot een verminderde veneuze retour en dus een verminderd einddiastolisch volume en carciac output.

De pathofysiologie kan worden weergegeven met behulp van het Starling-mechanisme: Starlingmechanisme bij hypovolemie

Ter compensatie van de bloeding zal een vasoconstrictie optreden, waardoor de bloeddruk behouden blijft doch de cardiac output nog meer vermindert. 

Bij milde bloeddrukdalign ten gevolge van hypovolemie ontstaat een activatie van de Bezold-Jarisch reflex met een verhoogde secretie van renine alsook de neiging tot bloeddrukdalign, welke echter meteen wordt opgeheven door de baroreceptor reflex. Bij zeer extreme hypovolemie echter is reeds lang bekend dat een bradycardie kan optreden. Mogelijks speelt een paradoxale activatie van de Bezold-Jarisch reflex hierbij een rol.

Oorzaken

Symptomen

Behandeling

  1. Zorg voor veiligheid

  2. Controleer de vitale functies en grijp zo nodig in

  3. Breng het slachtoffer eventueel met de benen in hoogstand

  4. Controleer geregeld de vitale parameters

  5. Geef 100% zuurstof

  6. Zorg voor adequate vasculaire vulling

De behandeling van een hypovolemsiche shock vereist een herstel van de veneuze retour naar het hart. De oorzaak van het intravasculair tekort dient uiteraard te worden hersteld en de circulatie naar de vitale organen wordt op een adequate manier behouden.

In de eertste hulp kan men bij een hypovolemische shock besluiten om de patiënt met de benen in hoogstand te leggen. Ook de Trendelenburg-positie kan nuttig zijn om de veneuze retour te herstellen.
De keuze van produkten voor intravasculaire vulling is variabel. Men zal initieel het bloedvolume trachten te compenseren met behulp van cristalloëden of colloëden in een verhouding van respectievelijk 1/3 voor cristalloëden of 1/1 voor colloëden. Aldus bekomt men een toestand van normovolemische hemodilutie. Gedurende deze hemodilutie zal het haematocriet alsook de zuurstofcontent van het bloed verminderen. Adequate oxygenatie van de perifere weefsels blijft in deze toestand behouden door een toename van de cardiac output en een verhoogde zuurstofextractie ter hoogte van de weefsels. 

Ter hoogte van het hart is de myocardiale reserve echter meer belangrijk, gezien de myocardiale zuurstofextractie in rust reeds quasi maximaal is. Deze extractie kan gedurende de hemodilutie dus niet toenemen. Bereikt men het kritische hematocriet  dan is het coronair reserve uitgeput en kan de myocardiale bloedflow niet verder toenemen. De myocardiale ischemie leidt tot cardiale insufficiëntie, wat op zijn beurt weer aanleiding geeft tot weefselhypoperfusie en weefselhypoxie.

Toediening van 100% zuurstof of hyperoxische ventilatie zal de hoeveelheid zuurstof fysisch opgelost in het plasma vergroten, voornamelijk in het geval van normovolemische hemodilutie, gezien het plasmacompartiment is toegenomen. Bij varkens is aangetoond dat de weefsels in deze situatie voornamelijk gebruik maken van dit opgeloste zuurstof voor hun oxygenatie waardoor weefselhypoxie teniet wordt gedaan. De hyperoxische ventilatie vergroot echter de coronaire en systemische vasculaire weerstand, niettegenstaande de myocardischemie partiëel verdwijnt en de myocardfunctie behouden blijft (46).

Hypovolemische shock bij kinderen

Oorzaken hypovolemische shock bij kinderen

Zuigelingen vertonen ten opzichte van oudere kinderen vaker een beeld van hypovolemische shock ten gevolge van een ernstige gastro-enteritis of  bij een acuut abdomen. Dit komt door een lager fysiologisch reserve in combinatie met een hogere prevalentie van deze aandoeningen.
Bij zuigelingen kan een shock zelfs het eerste teken zijn van een ernstige gastro-enteritis, met weinig voorafgaand braken of diarree. Dit beeld wordt veroorzaakt door het feit dat plots een massieve hoeveelheid vocht vanuit de darm in de darmwand diffundeert, met depletie van het intravasculair volume en shock tot gevolg. Dit fenomeen doet zich ontstaat vooraleer de stoelgang geëvacueerd wordt, waardoor de diagnose vaak obscuur blijft. Tijdens de reanimatie van deze kinderen, wordt vaak de copieuze hoeveelheid waterige diarree merkbaar.

Aanpak hypovolemische shock bij kinderen

 


Index

Cardiogene shock


Pathofysiologie

Bij cardiaal falen is het primaire deficit het gedaalde hartdebiet, waarbij secundair een vasoconstrictie optreedt om de perfusiedruk op peil te houden. Faalt ook de
bloeddruk dan spreekt men van een shock die op zijn beurt aanleiding kan geven tot orgaanhypoperfusie met ischemie en uiteindelijk orgaanfalen. Longfalen ontstaat bovendien door longoedeem, leverfalen door leverstuwing, bijkomstig aan de hypoperfusie.

Buiten de Intensieve Zorgenafdeling is een zuivere cardiale shock zeldzaam, meestal vindt men een combinatie met distributieve shock. Dit maakt dan ook de interpretatie van de gemeten en berekende hemodynamische waarden moeilijk. Er is immers geen typisch patroon die het soort shock met volledige zekerheid kan klasseren in sepsis, cardiogeen falen of een combinatie van beiden. Een hoog hartdebiet met lage perifere weerstand kan zowel passen bij levercirrhose, sepsis als bij "High output failure". Een laag hartdebiet met hoge perifere weerstand sluit sepsis niet uit.

Oorzaken

Diagnose

De diagnose van een cardiogene shock is moeilijk, gezien men vaak combinaties vindt van een cardiogene met een
distributieve shock. Bij een cardiogene shock nemen we een elektrocardiogram. Hierdoor kunnen we de volgende oorzaken onderscheiden:

Bovendien vragen we een RX-thorax aan:

We vragen via het labo:

We vragen tevens een echocardiogram:

Behandeling

Ook hier is de eerste reflex het
toedienen van zuurstof via een masker, 5 tot 10 liter, en indien nodig zal de patiënt worden geëntubeerd.

Meestal bestaat de therapie uit een combinatie van positieve inotropica en een vasopressortherapie, soms in combinatie met perifere dilatatie. Dit laatste is natuurlijk wat tegenstrijdig.

In de praktijk start men met Dobutamine (Dobutrexë) tot het gewenste hartdebiet bereikt is of tot de polsfrequentie te hoog oploopt. Belangrijk is toch om ook bij cardiaal falen de vullingsdrukken te optimaliseren, eventueel via de vullingsproef.
Is de bloeddruk toch te laag, dan associeert men met Dopamine of zelfs met Noradrenaline. Iedere afterloadtoename zal in principe het hartdebiet doen afnemen, maar uiteraard is de coronaire perfusiedruk kritisch en zeker bij een patiënt met een hoge vullingsdruk dient men de gemiddelde bloeddruk boven 60 mmHg te houden.

Ook wordt vaak, bij hemodynamische stabilisatie, overgeschakeld op inodilatoren, type Corotropeë, dat zowel perifeer dilateert als de contractiliteit verbetert.

In het tegengestelde geval, waar de patiënt niet reageert op Dopamine, Dobutamine (Dobutrexë) of Noradrenaline, zal men overgaan op Adrenaline, wat een zeer krachtige inotropie heeft.
Uiteindelijk moet wel verondersteld worden dat elke verhoging van de hartcontractiliteit en ook van de polsfrequentie, gepaard gaat met een toegenomen zuurstofverbruik van het hart.

De etiologische behandeling bestaat primair uit een PTCA of het plaatsen van een stent. Indien het cardiaal falen persisteert kan men een Intra-Aortic Balloon Pump plaatsen, dit is een ballonetje in de aorta dat zich opblaast tijdens de diastole en ontspant tijdens de systole. Bij sepsis en infecties levert dit enigzins een gevaar op !
Ook een Ventricular Assist Device kan worden geplaatst.


Index

Vasodilatoire shock


Pathofysiologie

Vasodilatoire shock is een toestand van hypotensie met hypoperfusie van de eindorganen ten gevolge van een dalign in de systemische vasculaire weerstand. Vasodilatoire shock is een gekende karakteristiek van
septische shock doch wordt ook gezien in de eindfase van hemorrhagische shock en als complicatie van de cardiopulmonaire bypass (2).

Men dient nog heel wat werk te verrichten om het mechanisme waarop de vasodilatatie in dit soort shock berust, op te helderen. Men kon reeds aantonen dat de vasodilatatie bij septische shock berust op de ongecontroleerde vrijstelling van stikstofoxide (NO) en het openen van de ATP-afhankelijke kaliumkanalen op de vasculaire gladde spiercellen (2).

Behandeling

Klinisch gebruikt men enkel de
catecholamine-vasopressoren. Deze zijn soms effectief, niettegenstaande hun werkingsmechanisme vaak is verminderd in toestanden van vasodilatoire shock, waarbij we tevens een toename zien van de bijwerkingen ten gevolge van de hogere dosissen die men vaak gebruikt (2). De mortaliteit van catecholamine-resistente vasodilatoire shock blijft hoog, waardoor de nood voor andere benaderingen toeneemt.

Morales et al.(2) toonden aan dat de vrijstelling van vasopressine deficiënt verloopt bij de verschillende vormen van vasodilatoire shock. Zij stellen dat, bij gecompromitteerde cardiovasculaire functie, de rol van dit hormoon sterk stijgt. Correctie van het AVP gedurende vasodilatoire shock zou de vasculaire tonus en aldus de bloeddruk doen toenemen (2).

CPR / Intensieve Zorgen / Circulatie / Shock


Bart Massaer