trauma -
waarbij de ademhalingsmechaniek gestoord is. Deze twee typen van ademhalingsstoornissen vergen
een andere aanpak hoewel er vaak, zeker na enkele dagen kunstmatige beademing, een mengvorm
ontstaat - bijvoorbeeld een nosocomiale pneumonie bij een comapatiënt.
Het stellen van de indicatie tot kunstmatige beademing is vaak een moeilijk probleem.
We onderscheiden volgende indicaties:
Tachypnoe>35/min bij een volwassene, wat uiteindelijk tot
uitputting van de ademhalingsspieren zal leiden. Dit verhoogd energieverbruik kan leiden tot
een punt waarbij ook de cardiopulmonaire functie van de patiënt in het gedrang komt.
De klinische context, bijvoorbeeld na narcose zal men vaak verder gaan
met beademen
Klinische parameters zoals bijvoorbeeld het gebruik van
hulpademhalingsspieren, tachypnoe, zweten, monosyllabische spraak, rusteloosheid en stupor
CO-intoxicatie, intracraniële overdruk
Ook voor alleen intubatie bestaan er
afzonderlijke indicaties.
perifere weerstand, met bloeddrukdalign
als gevolg. Snelle vulling is dan ook vaak noodzakelijk.
De intrathoracale drukstijging heeft ook een invloed op de
pulmonale bloedvaten door de toename van de
intravasculaire druk. Zeker bij ondervulde patiënten zal de
wiggedruk hierdoor vals toenemen. Dit is nog meer het geval
bij hoge beademingsdrukken zoals bij carapatiënten. In die gevallen is de interpretatie van de
centraal veneuze drukken moeilijk en kan soms een
transoesofageaal echocardiogram (TEE) een beter indruk geven van de vullingstatus van de
patiënt.
Ook het hart ondergaat een invloed van de intrathoracale drukstijging. Bij grote
harten kan dit effect gunstig zijn door "squeezing", meestal echter is het effect
negatief door een stijging van de pulmonaaldruk. Bij zeer hoge intrathoracale drukken kan
dit zelfs gepaard gaan met een shift van het septum naar links, waardoor ook het linker
ventrikel
in het gedrang komt. Bij ondervulde patiënten en bij hoge intrathoracale drukken kan een
tamponade optreden van bijvoorbeeld het hart. Ondersteuning van het hart door vulling,
eventueel
in combinatie met dobutamine is dan ook vaak noodzakelijk.
Tenslotte zijn er ook nog pulmonaire effecten van positieve drukbeademing. Door
de meestal verhoogde zuurstofconcentratie (FiO2) treedt een remming op van de
mucociliaire werking, welke nog supplementair onderbroken wordt door de endotracheale cuff.
Ook ontstaan resorptie-atelectasen naarmate de FiO2 hoger wordt, met secundair
verhoogde shunting. Algemeen neemt men aan dat vanaf een FiO2>0.6 er
zuurstoftoxiciteit optreedt, waarschijnlijk op basis van vrije zuurstofradicalen zoals
superoxide, waterstofperoxide en hydroxylradicalen. Op moleculair niveau kunnen deze
vrije zuurstofradicalen ernstige cellulaire schade veroorzaken. Deze graad van cellulaire schade
is evenredig met de duur van de zuurstoftoediening en de gebruikte concentratie. Bij
zuurstofconcentraties van 50% toegediend gedurende meer dan 24 uren toonden gegevens uit
broncheolair lavagevocht reeds lipidenperoxidatie, vrijstelling van macrofagen en leucotriënen
en een toegenomen aggregatie van neutrofielen aan. Hoge concentraties kunnen een exacerbatie van
het onderliggend lijden veroorzaken
(4).
Door de verhoogde intra-alveolaire druk (voornamelijk piekdruk) kan een
barotrauma met pneumothorax optreden. Bovendien bestaat er het overrekken van de
epitheliale, interstitiële en endotheliale structuren van de alveoli,
wat kan leiden tot een diffuse alveolaire aantasting. Bij dit trauma zou het volume in
de alveoli belangrijker zijn dan de druk
(4). Aldus is de patiënt met een
onderliggend longlijden meer gevoelig om Acute Longschade te ontwikkelen dan de patiënt welke
nood heeft aan hoge beademingsdrukken ten gevolge van een opgezet abdomen. Gezien plateaudrukken
van meer dan 40 cmH2O bij dieren aanleiding gaven tot longschade, tracht men deze
plateaudrukken meestal niet hoger te brengen dan 35 tot 40 cmH2O.
Minimaliseren van deze plateaudrukken kan door een vermindering van het teugvolume (minder dan
6 L/kg) bij
volume-gecontroleerde beademing of door het toedienen
van sedativa of neuromusculaire blokkers.
Door de minder uitgesproken
diagfragmaexcursies en de positie van de patiënt ontstaat een dorsobasale hypoventilatie met
atelectase, soms infectie, en een veranderde ventilatie-perfusieverhouding. Veel van de
voorgaande factoren zullen de kans op een nosocomiale infectie sterk vergroten.
Daarnaast treedt bij langdurige beademing en vooral bij hoge ventilatiedrukken een stuwing
op in het splanchnisch gebied met lever-, nier- en maagdarmdysfunctie waarbij ook ascites
optreedt.
Traditioneel ventileert men gezonde patiënten met dus een normale cardiorespiratoire
functie, tegen relatief trage ventilatiefrequenties van 8 tot 12 ademhalingen per minuut
en getijvolumina van 12 tot 15 ml/kg. Met deze volumina worden drukken van meer dan
80 cmH2O, in diermodellen de grens voor het veroorzaken van longruptuur
niet bereikt, zelfs niet onder pathologische omstandigheden
(4).
De plateaufase, de overgang tussen in- en uitademing, is de fase waarin het gas en
de druk zich verdelen over de longen en die in principe de alveolaire druk weerspiegelt.
Indien ingesteld verkort de plateaufase door "trapping" van de inspiratiefase met mogelijk
toename van de piekdruk of van expiratiefase met mogelijk onvolledige uitademing en het stijgen
van de intrathoracale druk.
De uitademingsfase is meestal passief en hangt af van de I/E-verhouding en van
de ingestelde frequentie.
Bij uitademing wordt de druk in de luchtwegen gereduceerd tot de atmosferische druk. De
uitademing geschiedt aldus passief en is afhankelijk van de weerstand in de luchtwegen en van
de longcompliantie.
De eindexpiratoire druk, de overgang tussen in- en uitademing, laat vaak toe een
restdruk te behouden, de positieve eindexpiratoire druk (PEEP). Indien het expirium te
kort is kan ook auto-PEEP ontstaan.
Oudere modellen lieten toe om een negatieve eindexpiratoire druk te behouden. Dit wordt
echter niet meer gebruikt gezien de kans op premature sluiting van de luchtwegen.
Indien tracheale intubatie of
ballonbeademing inefficiënt zijn om
adequate gaswisseling te herstellen bij acuut respiratoir falen, kan een levensbedreigende
situatie zich voordoen. Onder deze omstandigheden voorziet Percutane Transtracheale Jet
Ventilatie (PTJV) of High Frequenty Jet Ventilation met een dikke naald onmiddellijke
oxygenatie en ventilatie. Nadien kan een definitieve procedure zoals orale
intubatie op geleide van een bronchoscopie, gevolgd door een
chirurgische tracheostomie, uitgevoerd worden
(1).
Laryngaal oedeem na een extubatie komt voor bij 4.2%, waarbij slechts
1% van de patiënten dient te worden geherintubeerd voor acuut respiratoir falen.
(2) De onmogelijkheid om de
glottisopening met behulp van directe laryngoscopie te visualiseren maakt de
endotracheale intubatie moeilijk.
Methode
Resuscitatie met behulp van een PTJV bij moeilijke
intubatie is niet nieuw voor een anesthesist, otolaryngotherapeut of
urgentist. PTJV is echter niet populair in de intensieve zorgen.
PTJV is relatief veilig, eenvoudig en vereist weinig ervaring.
Punctie van de trachea ter hoogte van de
cricothyroidmembraan met een breed-lumen angiocath (14 of 16
gauche)
kan worden uitgevoerd met weinig trauma. Bij kinderen gebruikt men eventueel een katheter van
18 gauche Men stabiliseert de
larynx met de vingers en palpeert de
cricothyroidmembraan. De naald wordt naar caudaal ingebracht tot men lucht kan aspireren. Men
brengt nadien een plastiek katheter in de trachea in, de connector van een
3.0-endotracheale tube past op deze katheter, alsook een
spuit van 3 ml.
De zuurstof onder druk
wordt geleverd vanuit de muuraansluiting. Inspiratie wordt verwezenlijkt door insufflatie van de
zuurstof onder druk, door de PTJV. Expiratie geschiedt passief, secundair aan de elasticiteit
van longen en thoraxwand. Lucht ontsnapt door de glottisopening, wat leidt tot bubbels ter
hoogte van de oropharynx.
Figuur 1: Insertie van de angiocath door de cricothyroidembraan in
de trachea (H-Os Hyoideum; TC- Cartilago Thyroidea; CC-Cartilago cricoidea;
CM-Cricothyroidmembraan)
Voordelen
De techniek van HFJV is eenvoudig toe te passen bij volwassenen.
Hartmassage blijft mogelijk en
aspiratie van de farynx kan nog worden doorgevoerd.
Zelfs een corpus alienum kan worden verwijderd door de
toename in intrapulmonale druk.
Complicaties
Indien PTJV electief wordt uitgevoerd zijn er minder complicaties te verwachten dan
bij een urgente procedure. Mogelijke complicaties zijn cervico-mediastinaal emfyseem,
slechte coërdinatie van de ademhalingsbewegingen, acute hypoventilatie en
pneumothorax.
De FiO2 wordt aangepast volgens de PaO2 doch is ook afhankelijk van
de aandoening. Bij ARDS bijvoorbeeld zal men een genoegen nemen met een PaO2 van
65/70 mmHg om de FiO2 onder de 0.6 te houden. Hetzelfde doet men bij weaning van een
carapatiënt. Daarentegen zal men bij de postoperatieve patiënt liberaler zijn met de
PaO2.
Het tidal volume wordt ingesteld om de PaCO2 binnen normale grenzen te
houden. Het benodigde volume hiervoor bedraagt meestal 7 tot 9 ml/kg. Is de piekdruk toch
te hoog dan zal men ofwel het TV verlagen en de frequentie verhogen, ofwel overgaan op
pressure control, eventueel met
Inverse Ratio Ventilation. Heeft dit niet het gewenste resultaat dan zal men overgaan op
permissieve hypercapnie mits controle van de acidose.
De frequentie wordt meestal tussen de 12 tot 18 beademingen per minuut
gehouden, tenzij zich de bovenvermelde situatie voordoet.
PEEP wordt ingesteld om collaps van de alveoli tegen te gaan of om het alveolair
oedeem te verminderen, wat zal toelaten om de FiO2 te verlagen. De hoogte van de
PEEP wordt geregeld volgens de PaO2/FiO2-verhouding. Er bestaan
verschillende modaliteiten zoals best-PEEP, minimale-PEEP, optimale-PEEP en voorkeurs-PEEP.
Toch blijkt de beste strategie deze van zo weinig mogelijk PEEP te zijn
(4).
PEEP veroorzaakt een hemodynamische weerslag die onder sommige omstandigheden gunstig kan
zijn. Bij patiënten met cardiogeen longoedeem zal het toepassen van PEEP de ventriculaire
preload verminderen en aldus het functioneren van
het myocard verbeteren. Deze verbetering leidt tevens tot een betere pulmonale functie en
een verhoogde arteriële oxygenatie.
Op pulmonair niveau zal PEEP het volume van de alveoli vergroten op lineaire wijze
tussen 0 en 10 cmH2O. Bij PEEP van meer dan 15 cmH2O zal het
alveolair volume niet meer significant toenemen
(4).
Door het instellen van PEEP zal men tenslotte alveolen rekruteren, wat betekent dat
het aantal alveoli dat deelneemt aan de ventilatie toeneemt.
Toch dient
rekening gehouden te worden met de hemodynamische weerslag van PEEP. Het meten van de
PaO2 is dus onvoldoende om de PEEP te regelen. Indien hoge PEEP en/of hoge
FiO2 noodzakelijk zijn wordt overgegaan op sedatie en curarisatie om enerzijds de
kans op barotrauma te verminderen door tegenademen of hoesten, anderzijds wil men de
zuurstofbehoefte doen dalen door de spierrelaxatie en de sedatie.