Bloeddrukmeting


Index



Inleiding

Index

Een bloeddruk wordt opgebouwd door het debiet dat uit het linker hart wordt gepompt tegen de perifere weerstand opgebouwd door de resistentie van arteriën en arteriolen:

 

Bloeddruk = hartdebiet x Totale Perifere Weerstand

 

Het hartdebiet is het product van het hartritme en het slagvolume. De relatie tussen hartdebiet en perifere weerstand is meestal omgekeerd evenredig: een dalign in het hartdebiet veroorzaakt een toename in de perifere weerstand en omgekeerd, om de bloeddruk binnen aanvaardbare grenzen te houden. Helaas kunnen we de perifere weerstand moeilijk meten, waardoor de bloeddruk als parameter van de hemodynamiek aan waarde verliest.

De bloeddruk is tevens afhankelijk van het circulerend bloedvolume en van de viscositeit van het bloed.

De bloeddruk volgt de fasen van de hartcyclus en is dus pulsatiel met een piekwaarde tijdens de systole en een dal tijdens de diastole. Meer perifeer is de bloeddruk hoger dan centraal. Ter hoogte van de arteriolen is de bloeddrukval het grootst, tot meer dan 50%. De arteriolen leveren dan ook de belangrijkste bijdrage in de systemische vasculaire weerstand. Wanneer de bloedstoorm de capillairen bereikt, is de flow eerder continu of laminair.  In de grote venen valt de bloeddruk op nul.
De pulsatiele golf van de bloeddruk verplaatst zich 15 keer sneller door de bloedvaten dan de eigenlijke bloedstroom.

Bovendien varieert de bloeddruk naargelang het tijdstip van de dag, de geleverde fysische activiteit, de emotionele toestand, het gevoel van pijn, de omgevingsgeluiden en de omgevingstemperatuur en ten gevolge van het gebruik van koffie, tabak en andere drugs.

 


Arteriële bloeddrukwaarden

Index

Systolische bloeddruk

Tijdens de systole van het linker ventrikel wordt het bloed in de aorta gestuwd en stijgt de bloeddruk tot 100 - 140mmHg. De bloeddruk die we op dit ogenblik meten noemen we dan ook de systolische bloeddruk.
De elasticiteit van de arteriën zorgt ervoor dat de bruuske drukstijging wat afgevlakt wordt, tevens zal de systolische druk meer distaal, hoger zijn dan proximaal ten gevolge van de kleinere diameter van de arterie.
De systolische bloeddruk bepaalt de shearstress die tijdens de systole op de wand van de arteriën uitgeoefend wordt en is belangrijk in de pathofysiologie van een ruptuur van een aneurysma.

Diastolische bloeddruk

Tijdens de diastole is het hart in rust, de hartspier of myocard is ontspannen. De atria en ventrikels vullen zich passief met bloed, de atrioventriculaire kleppen staan open. De aortaklep en de pulmonaalklep daarentegen zijn gesloten ten gevolge van de hogere bloeddruk in de aorta en de arteria pulmonalis ten opzichte van de ventrikels. Door verdere vulling van de atria en de ventrikels wordt het myocard uitgerokken.
De elasticiteit van de bloedvaten zorgt er ook voor dat tijdens de diastole van het hart de druk in de arteriën niet op nul valt. Op dit ogenblik meten we de diastolische bloeddruk.

Normale waarden

De normale bloeddruk bij volwassenen bedraagt 120/80. Bij kinderen bestaat er een eenvoudige regel:

 

1 tot 5 jaar Systolische bloeddruk = 90 + 2x de leeftijd


Leeftijd Systolische bloeddruk (mmHg) Diastolische bloeddruk (mmHg)
Minder dan 1 jaar 70 - 90 45 - 60
1 tot 5 jaar 80 - 100 50 - 70
5 tot 12 jaar 90 - 110 60 - 70
meer dan 12 jaar 100 - 120 65 - 80

 

Pulse pressure

Het verschil tussen de systolische en diastolische bloeddruk noemt men de "pulse pressure"


Mean Arterial Blood Pressure (MAP)

Het gemiddelde van de arteriële bloeddruk over een bepaalde tijdsperiode wordt gedefinieerd als de "Mean Arterial Blood Pressure (M.A.P.)" en bedraagt 70 tot 100mmHg. Deze M.A.P. kan geschat worden met behulp van volgende formule:

 
MAP = systolische bloeddruk + 2x diastolische bloeddruk
                                              3

 

De M.A.P. geeft veranderingen in de relatie tussen het hartdebiet en de systeemweerstand weer. Het reflecteert de arteriële bloeddruk in de bloedvaten die de organen perfunderen. Een lage MAP is een aanwijzing voor een lage perfusie van de organen, terwijl een hoge MAP overeen komt met een toegenomen arbeid voor het hart.

 


Afwijkende bloeddrukwaarden

Index

Hypertensie

De diagnose van pathologische hypertensie berust op twee consecutieve metingen tijdens twee of meerdere consultaties. Volgende waarden bij patiënten ouder dan 18 jaar worden als pathologisch beschouwd:

Categorie Systolische bloeddruk (mmHg) Diastolische bloeddruk (mmHg)
Normaal <120 <80
Prehypertensie 120 - 139 80 - 89
Hypertensie stadium I 140 - 159 90 - 99
Hypertensie stadium II >159 >100


Een geïsoleerde systolische hypertensie wordt gedefinieerd als een systolische bloeddrukwaarde hoger dan 140mmHg met een diastolische bloeddrukwaarde lager dan 90mmHg.

Controleer bij chronische hypertensie tevens het effect op de eindorganen: de ogen (hypertensieve retinopathie), het hart (Linker ventrikelhypertrofie), de hersenen (neurologische stoornissen) en de nieren (afwijkende nierfunctie en urineanalyse).

Hypotensie

Uit de stelling dat de bloeddruk afhankelijk is van het hartdebiet en de perifere weerstand, kan je afleiden dat hypotensie het gevolg is van een gedaald hartdebiet, een dalign in de perifere weerstand of een combinatie van beide.

Bij een relatief lage bloeddruk vergelijk je de waarde met eventuele vorige waarden. Om orthostatische of posturale hypotensie te diagnostisceren controleer je de bloeddruk eerst bij de liggende patiënt, na 10 minuten zitten en nogmaals na 3 minuten staan.  Normaal zal de sytolische bloeddrukwaarde bij deze houdingsverandering licht dalen, terwijl de diastolische bloeddruk wat toeneemt. Een systolische bloeddruk die door de houdingsverandering meer dan 20mmHg daalt, of een diastolische bloeddruk die meer dan 10mmHg daalt, is diagnostisch voor orthostatische hypotensie. Dit komt voor bij sommige intoxicaties, bij bloedverlies, na langdurige bedrust of bij ziekten van het autonoom zenuwstelsel.


Hemodynamische parameters

Index

Hartdebiet

De hoeveelheid bloed die per minuut in de aorta gepompt wordt, noemen we het hartdebiet (cardiac output) en wordt gemeten met behulp van de pulmonaalkatheter. Het hartdebiet in rust schommelt tussen 4 en 8L/min. Aangezien het linker en het rechter ventrikel met elkaar in serie staan, is het debiet van beide ventrikels hetzelfde.
De waarde van het hartdebiet geeft een globaal beeld van de circulatie maar leert niets over de orgaanperfusie. Bij hypovolemie, shock en hartfalen daalt het hartdebiet. In de initiële fase van sepsis – nog vóór het ontstaan van septische shock – zal het hartdebiet toenemen.

Het hartdebiet wordt opgebouwd uit de hartfrequentie maal het slagvolume:

Hartdebiet = Hartfrequentie x Slagvolume

Bij een snelle dalign van de hartfrequentie zal eveneens het hartdebiet dalen. Hiermee samen daalt de orgaanperfusie. Het verhogen van de hartfrequentie is dan ook vaak één van de mogelijkheden om het hartdebiet te verhogen.

Cardiac index

Om te compenseren voor de variatie in lichaamsbouw, wordt het hartdebiet vaak uitgedrukt naar eenheid van lichaamsoppervlakte: de cardiac index. Dit is dus de hoeveelheid bloed per minuut uitgepompt door het hart, per vierkante meter lichaamsoppervlakte. De normale waarde bedraagt 2.5 tot 4,2L/min/m2.
Omwille van de brede variatie is de cardiac index een relatief ongevoelige parameter voor de functie van het linker ventrikel. Een meer accurate inschatting van de functie van het ventrikel kan gemaakt worden door het hartdebiet te evalueren tijdens een inspanning.

Cardiac Index = Hartdebiet / Totale lichaamsoppervlakte

Omwille van de brede variatie is de cardiac index een relatief ongevoelige parameter voor de functie van het linker ventrikel. Een meer accurate inschatting van de functie van het ventrikel kan gemaakt worden door het hartdebiet te evalueren tijdens een inspanning. Indien het hartdebiet niet kan compenseren om het toegenomen zuurstofverbruik bij te houden, merken we een dalign in de gemengd veneuze saturatie. Een gedaalde gemengd veneuze saturatie bij een toegenomen zuurstofnood reflecteert meestal weefselhypoxie.

Slagvolume

Het slagvolume wordt gedefinieerd als de hoeveelheid bloed dat door de ventrikels wordt uitgepompt bij elke contractie. Dit slagvolume bedraagt 50 tot 100mL en is op zich weer afhankelijk van de preload of voorbelasting, de afterload of nabelasting en de contractiliteit van de ventrikels. Een gedaald slagvolume kan het gevolg zijn van een gestoorde contractiliteit van het hart of een klepdysfunctie. Bij een falend hart merkt men als eerste een dalign van het slagvolume. Een toegenomen slagvolume kan het gevolg zijn van een toename in het circulerend volume of een toename van de inotropie.
Meestal pompen de ventrikels de helft van hun inhoud uit.

Slagvolume index

Om te compenseren voor lichaamsbouw wordt de Slag Volume Index berekend: het slagvolume per m2 lichaamsoppervlakte. Deze bedraagt 25 tot 45mL/m2.

Preload

De preload staat gelijk met de vulling van het ventrikel aan het eind van de diastole en dus met het volume aangeboden aan het hart ten opzichte van de spanning van de hartspiervezels. Druk èn volume zijn dus belangrijk in de definitie van preload. Een dalign van het intravasculair volume uit zich door een dalign in de preload, een toename van dit volume zorgt voor een toename van de preload. Ook bij tricuspiedstenose en bij een myocardinfarct neemt de preload toe door toename van de stijfheid van het myocard. Bij hypertrofische cardiomyopathie zal de druk hoog zijn ten gevolge van de lage compliantie, het intraventriculair volume is heel klein volume en dus is de preload heel klein. Monitoren van de centraal veneuze druk volstaat is in dit geval dus niet, men dient met een echocardiogram ook het aangeboden volume te bepalen.

Algemeen is een gezond hart afhankelijk van de preload, terwijl een pathologisch hart afterload-afhankelijk is.

Afterload

Wanneer het hart het bloed uitstort in de bloedvaten, ondervindt het een weerstand die bepaald wordt door de mate van vasoconstrictie en door de viscositeit van het bloed.  Deze weerstand wordt gedefinieerd als afterload of perifere weerstand en kan berekend worden met de volgende formule:

Perifere Weerstand = [(MAP - CVD)/ CO] x 80

De perifere weerstand wordt in de kliniek gebruikt om de therapie te sturen bij onder meer het sepsissyndroom. Meestal heeft men hier immers te doen met een lage perifere weerstand (600 dynes sec cm-5 of lager). Deze verlaagde perifere weerstand berust op ofwel een dilatatie (vasoplegie) ofwel op shuntvorming. Vaak zien we echter een combinatie van beiden. Typisch bij sepsis en nog meer bij levercirrose, al dan niet gecombineerd met sepsis, vindt men extreem lage waarden van 200 dynes of minder. Bij levercirrose is de lage perifere weerstand te wijten aan een verhoogde vrijstelling van NO (vasodilatatie) en aan de varices die shunteren.
Uit deze voorbeelden volgt nochtans dat een verlaagde perifere weerstand op zichzelf weinig betekenis heeft en zowel kan berusten op een infectie (sepsis), inflammatie (pancreatitis, brandwonden) als op shunten (levercirrose). Nog meer onzekerheid ontstaat wanneer de patiënt een voorafbestaand of concomitant hartlijden heeft, bijvoorbeeld een ischemisch myocardlijden of een aantasting door de sepsis van het myocard.

Bij afname van het hartdebiet zal in principe door vasoconstrictie de perifere weerstand toenemen om de perfusiedruk te behouden. De bloeddrukmeting leert dan ook niets over de orgaanperfusie, dit is een zeer belangrijk gegeven in pathologische omstandigheden. Bijvoorbeeld bij een ernstige bloeding zal de bloeddruk bewaard blijven door de toegenomen perifere weerstand, niettegenstaande de orgaanperfusie toch in het gedrang komt. In deze situaties blijven ook de arteriële saturatie en de polsfrequentie vrij lang normaal. Toch kan een bloeddruk op zichzelf heel belangrijk zijn, bijvoorbeeld bij hersentraumata met toegenomen intracraniële druk (I.C.P.). Hier zal de absolute waarde van de bloeddruk wel een rol spelen, gezien de perfusiedruk van de hersenen het verschil is tussen de gemiddelde arteriële druk (M.A.P.) en de I.C.P. Deze perfusiedruk in de hersenen moet meer bedragen dan 60 tot 70 mmHg.

Bovendien speelt ook nog de compliantie van het myocard en van de bloedvaten een rol. Bij een acuut vasculair volumeverlies door bloeding, verbranding of sepsis, zal het hartdebiet genormaliseerd worden door een stijging in de hartfrequentie en een snelle vulling van het intravasculaire volume.
Bij acuut ischemisch falen echter, zal het gedaald hartdebiet hersteld worden door enerzijds een toename in de contractiliteit, anderzijds door een reductie van de afterload - meestal met dalign van de bloeddruk - waardoor het hart kan uitpompen tegen een lagere weerstand en dus het slagvolume stijgt.
Bij acuut myocardinfarct ontstaat echter ook een stijfheid van de hartspier die maakt dat de druk in het ventrikel snel oploopt, wat kan aanleiding geven tot longoedeem.

Gemengd veneuze saturatie

Langs de distale poort van de pulmonaalkatheter kan een bloedstaal genomen worden voor bepalign van de gemengd veneuze saturatie. Indien het hartdebiet niet kan compenseren om een toegenomen zuurstofverbruik bij te houden, merken we een dalign in de gemengd veneuze saturatie. Een gedaalde gemengd veneuze saturatie bij een toegenomen zuurstofnood reflecteert meestal weefselhypoxie.


De Longcirculatie

Index

Met een pulmonaalkatheter kan de bloeddruk in de longcirculatie gemeten worden. In tegenstelling tot de systeemcirculatie kent de longcirculatie een lagere weerstand en een lagere druk: 1/6 van de druk in de systeemcirculatie.
Soms ontstaat er een "mismatch" tussen de longcirculatie en de alveolaire ventilatie, bijvoorbeeld ten gevolge van atelectasevorming, alveolaire inondatie of inflammatie. Bij geventileerde patiënten zal de druk in de longen oplopen tot meer dan 35 cm H2O, waardoor de longcirculatie eveneens in het gedrang komt.

Koppeling zuurstoftransport en zuurstofverbruik

In principe dient het hartdebiet om zuurstof en andere nutriënten naar de weefsels te voeren en zo de perfusie te verzekeren.
Het zuurstoftransport hangt af van het hartdebiet en de binding van zuurstof op het aanwezige hemoglobine. Het aanwezige hemoglobine is zeldzaam een beperkende factor. Normaal is er een verband tussen het zuurstofverbruik en het zuurstofaanbod, door een koppeling via het hartdebiet dat zich aanpast.

Nochtans in pathologische omstandigheden, onder andere bij sepsis, treedt vaak een ontkoppeling op van het zuurstofverbruik en het zuurstofaanbod, waarbij bij voldoende aanvoer het verbruik toch niet adequaat zal zijn. Dit kan berusten op perifere shunten maar evenzeer op de onmogelijkheid van de cellen van het orgaan om de aangeboden zuurstof te verbruiken. Dus, zoals bij het hartdebiet, zal het zuurstofverbruik enkel een globale evaluatie geven, doch geen orgaangerichte. Een eenvoudig voorbeeld hiervan is de coronaire ischemie, waar enkel het hart een tekort heeft. Een klassiek voorbeeld bij de IZ-patiënten is de splanchnische ischemie, waar bij een normaal of supranormaal hartdebiet, zelfs met een normaal lactaat, toch een tekort kan zijn in het splanchnisch gebied: gut failure.

De Bezold-Jarisch reflex

Inleiding

In 1867 observeerden Bezold en Hirt dat een intraveneuze injectie van veratrum alkaloiden een belangrijke bloeddrukdalign en bradycardie veroorzaakte, samen met een apnoe. In de late jaren dertig argumenteerde Jarisch dat de receptoren voor deze reflex in het ventrikel van het hart gelegen zijn. Nog later ontdekte men dat de reflectoire apnoe veroorzaakt werd door een mechanisme verschillende van het hemodynamisch effect.

Anatomie en fysiologie van de reflex

De Bezold-Jarisch reflex is een cardiaal inhiberende reflex. De afferente vezels van cardiale receptoren welke in de vagus lopen,  zijn samengesteld uit twee belangrijke vezeltypes: ongeveer 25% van deze vezels is gemyeliniseerd en ontstaat in de wand van de atria en de atrio-cavale junctie. De overige 75% niet-gemyeliniseerde vezels zijn verdeeld over de verschillende kamers van het hart. Dierexperimenteel onderzoek toonde aan dat de niet-gemyeliniseerde vezels, de vagale type C vezels, verantwoordelijk zijn voor deze reflex (8). De receptoren die we terugvinden in de wand van de vier hartkamers zijn dan de niet-gekapselde uiteinden van deze vezels en vertonen een zeer heterogeen antwoord op verschillende stimuli van mechanische (druk, inotropie en volume) en chemische (alkaloiden, ATP, dierlijke gifsoorten) aard.
Het lijkt alsof de Bezold-Jarisch reflex voornamelijk de vasomotorische output van het hart inhibeert, onafhankelijk van de modulatie van het hartritme.

Belang van de Bezold-Jarisch reflex

Er is nog steeds geen volledige duidelijkheid over de fysiologische triggers welke de Bezold-Jarisch reflex uitlokken. Toch kreeg men de laatste jaren meer inzicht in de rol welke deze reflex speelt in normale omstandigheden.
Verschillende systemen nemen in fysiologische en pathofysiologische omstandigheden deel aan de regulatie van de bloeddruk om hemodynamische stabiliteit te bekomen. Deze verschillende systemen zijn zo op elkaar afgestemd dat de output vanuit de medullaire vasomotorische centra nauw is gereguleerd.
Deze medullaire output bestaat voornamelijk uit de sympathische zenuwactiviteit en zorgt in normale omstandigheden voor gedeeltelijk toegeknepen bloedvaten. Dit noemt men de vasomotorische tonus.
Modulatie van de vasomotorische tonus is meer complex dan het eenvoudigweg verhogen of verlagen van de sympathische output. Er bestaat immers een lokale intrinsieke regulatie van arteriolen door koolstofdioxide, zuurstofspanning en pH, samen met een extrinsieke vasomotorische modulatie waar verscheidene systeemreflexen in participeren.

De baroreceptor reflex, een primair homeostatisch mechanisme, omvat stretchreceptoren in de carotiden en de aortalichaampjes, waarvan de afferente impulsen via de zenuw van Herring en de nervus vagus respectievelijk naar de medulla lopen. In afwezigheid van stimulatie hebben de cardiale inhiberende receptoren een lichte activiteit, output van deze receptoren draagt bij tot de tonische inhibitie van de vasomotorische centra. Indien de receptoren hevig worden gestimuleerd zorgen ze voor toegenomen activiteit waarbij ze de vasomotorische centra volledig gaan inhiberen; er ontstaat een vasodilatatie. De baroreceptoren hoger vermeld zijn complementair met de Bezold-Jarisch reflex. De baroreceptor lijkt dominant te zijn indien beide reflexen actief zijn. Men kan deze dominantie echter medicamenteus ontkoppelen, met bloeddrukdalign tot gevolg.

Hypotensie

Reeds in de jaren ´70 kon men aantonen dat gelijkaardige dalign in bloeddruk met meer renale vasoconstrictie gepaard ging bij hemorrhagische versus cardiogene shock. Dit lijkt nogal bizar gezien, gedurende hypotensie onafhankelijk van de oorzaak, de baroreflexen systemische vasoconstrictie triggeren om de dalign in de bloeddruk tegen te gaan.
Het inhiberende antwoord van de Bezold-Jarisch reflex is echter meer actief in het renaal vasculair systeem dan in het vasculair systeem van de ledematen. Dit kan verklaren waarom de bloedvaten in de nieren contraheren bij hypovolemische shock, terwijl bij cardiogene shock deze bloedvaten eerder dilateren.

Coronaire reperfusie

Men erkent reeds lang de bijzondere morbiditeit gepaard gaande met reperfusie van voorheen ischemisch myocard. Reperfusie zou de Bezold-Jarisch reflex mogelijks triggeren, voornamelijk in het geval van posterieur of inferieure reperfusie.

Aortastenose

Traditioneel stelt men dat de syncope welke optreedt indien men inspanningen levert met een stenotische aortaklep, te wijten is aan een onmogelijkheid om de cardiac output te verhogen bij een gefixeerde outflowobstructie. Men denkt nu echter dat ook hier de Bezold-Jarisch reflex een mogelijke rol speelt, gezien een toename van de linker ventrikulaire druk de cardioinhibitorische reflexen triggert en aldus hypotensie promoot. Men denkt dat de forse contractie van het hart de vagale receptoren hevig stimuleert. De Bezold-Jarisch reflex kan in deze situatie aanleiding geven tot complete cardiovasculaire collaps.


Bart Massaer