Centraal Veneuze Druk


Index



Inleiding

Index

Een verlies aan circulerend volume wordt initieel gecompenseerd worden door venoconstrictie met shift van vocht vanuit het veneuze reservoir naar het arterieel systeem. Het veneuze reservoir kan tot 50% van het bloedvolume stockeren en voorziet dus in een aanzienlijk reserve om bij hypovolemie de arteriële bloeddruk te compenseren. Onder deze omstandigheden volstaan het 

Een verlies aan circulerend volume wordt initieel gecompenseerd worden door venoconstrictie met shift van vocht vanuit het veneuze reservoir naar het arterieel systeem. Het veneuze reservoir kan tot 50% van het bloedvolume stockeren en voorziet dus in een aanzienlijk reserve om bij hypovolemie de arteriële bloeddruk te compenseren. Onder deze omstandigheden volstaan het bepalen van de bloeddruk en het hartritme niet om volledige informatie te verkrijgen over de cardiovasculaire status van de patiënt.

Een bepalign van het totale circulerend volume zou in deze omstandigheden ideaal zijn, doch een dergelijke meting is technisch moeilijk. In plaats hiervan wordt de centraal veneuze druk (CVD) gemeten, hetzij in de vena cava superior, hetzij in het rechter atrium. Indien er geen ernstige hartziekte of longziekte aanwezig is zal dit een indicatie geven van het circulerend volume, niettegenstaande het eigenlijk een index is van de voorbelasting of preload van het rechter ventrikel.
De centraal veneuze druk is dus een weergave van zowel het bloedvolume van de patiënt als van de veneuze tonus en de functie van het rechter ventrikel. De CVD is bovendien afhankelijk van de intrathoracale druk - met een belangrijke invloed van positieve drukbeademing - en van veneuze obstructies.

Distensie jugulaire veneKlinisch kan je de centraal veneuze druk beoordelen door de distensie van de jugulaire venen te evalueren ten opzichte van de angulus sterni. Door 5 cmH2O op te tellen bij de bekomen hoogte bekomt je een analoog van de centraal veneuze druk [2]. Deze interpretatie is echter vrij inaccuraat en enkel interpreteerbaar indien de centraal veneuze druk hoger is dan normaal. De klinische evaluatie geeft geen beoordeling over tijd en een absolute waarde ontbreekt.

Het meten van de centraal veneuze druk wordt vaak bekritiseerd omwille van een slechte correlatie met de cardiale preload en de volumestatus van de patiënt. Door rekening te houden met de fysiologische determinanten van de centraal veneuze druk en door het vermijden van meetfouten kan men echter waardevolle informatie bekomen [2].


Meting van de centraal veneuze druk

Index

Met een meting van de centraal veneuze druk kan je een schatting maken van de vullingsdrukken van het rechter hart. Jammer genoeg correleert een toename van de centraal veneuze druk niet steeds met een toename in het hartdebiet. Bij overvulling bereikt de cardiale functie immers een plateau waarbij verdere volumebelasting een toename van de centraal veneuze druk teweeg brengt zënder toename van het hartdebiet. De toename van de centraal veneuze druk leidt in dit geval enkel tot meer perifeer oedeem en congestie van organen.
De drempel waarbij dit fenomeen optreedt ligt meestal rond een centraal veneuze druk van 12 tot 14 mmHg [2], niettegenstaande een grote individuele variabiliteit.

Vullingsproef

De gouden standaard om te bepalen of de vullingslimiet voor de hartfunctie bereikt is, is door het uitvoeren van een vullingsproef. Je bepaalt dan of een verhoging van de centraal veneuze druk door toediening van een volumebolus ook aanleiding geeft tot een toename van het hartdebiet.
Geef de patiënt een volumebolus tot de centraal veneuze druk oploopt met 2mmHg. Een onmiddellijke toename van het hartdebiet met 300mL/min betekent een positieve test. De infusievloeistof die voor de vullingsproef gebruikt wordt is niet belangrijk, wel is het van belang om het vocht zo snel mogelijk toe te dienen, bij voorkeur met behulp van een drukzak [2].
Alternatief kan je de benen van de patiënt eleveren en gebruik maken van de autotransfusie om het cardiaal antwoord te beoordelen. Soms wordt gebruik gemaakt van de hepatojugulaire reflux waarbij druk uitgeoefend wordt op het rechter bovenquadrant van het abdomen, terwijl je het effect op de jugulaire distensie evalueert. Persisteert de jugulaire distensie langer dan 10 seconden dan is een dysfunctie van het rechter hart waarschijnlijk en zal het hartdebiet van de patiënt niet meer toenemen na extra vulling [2].

Alternatieven

Door het invoeren van de bed-side echocardiografie, recent door de echo-Doppler en door de transoesofagale Doppler kan men nu veel informatie bekomen op niet-invasieve wijze. Vooral gezien er nog steeds discussie is over het feit of de preload beter wordt gedefinieerd door volume dan door druk, kan de echocardiografie zeker een heel waardevolle aanwinst zijn bij de hemodynamische monitoring. Echocardiografie meet het volume van het hart, de contractiliteit, visualiseert klepafwijkingen en het pericard. Op IZ is het soms moeilijk te beoordelen, gezien de long voor het hart schuift bij beademde patiënten. Het lijkt dan toch ook onontbeerlijk dat indien men bij een patiënt een pulmonaalcatheter plaatst om de hemodynamiek te monitoren, men vooraf toch ook een echocardiografie uitvoert. Drukmetingen, metingen van zuurstofverbruik en zuurstoftransport kunnen uiteraard niet vervangen worden door andere vormen van monitoring, hiervoor is dus absoluut een pulmonaalcatheter noodzakelijk.


Interpretatie centraal veneuze druk

Index

Het nulpunt bij centraal veneuze drukmeting

Bij het meten van een hydrostatische druk refereren we steeds ten opzichte van een nulpunt. Gezien de zeer lage centraal veneuze drukwaarden is het belangrijk om deze ënullingë heel correct uit te voeren. Meest correct nult men de centraal veneuze druk op het niveau van het rechter atrium, wat overeen komt met een punt 5 centimeter onder de angulus sterni. Gezien de relatief ronde vorm van het rechter atrium blijft dit referentiepunt correct bij verandering van decubitus naar halfzittend en omgekeerd [2]. Op intensieve zorgen maakt men echter vaker gebruik van een punt ter hoogte van de junctie tussen de mid-axillaire lijn en de vierde intercostaalruimte. Dit punt is meer afhankelijk van de positionering van de patiënt en wordt bepaald bij de liggende patiënt [2]. De bekomen veneuze drukwaarde ligt gemiddeld ook 3mmHg hoger dan bij de nulling op het niveau van het rechter atrium. [2].

Absolute waarde van de centraal veneuze druk

De centraal veneuze druk wordt klassiek gemeten met een watermanometer: een waterkolom, vaak een plastiek tube, verbonden met de katheter. De hoogte van de waterkolom boven het referentiepunt is de centraal veneuze druk, uitgedrukt in cmH2O. De druk in de venen van de thorax is veel kleiner dan de arteriële bloeddruk, gemiddeld bedraagt de centraal veneuze druk 0 - 8 cmH2O, gemeten eind-expiratoir bij spontaan ademende patiënten. De waarde van deze druk wordt weergegeven in cmH2O of mmH2O met een conversiefactor mmHg x 1.36 = cmH2O. De conversiefactor 1.36 is de dichtheid van water ten opzichte van de dichtheid van kwik.

Interpretatie van de absolute CVD-waarde

De centraal veneuze druk wordt gemeten ter hoogte van de tip van de centrale katheter, in de vena cava superior. Tussen de venae cavae en het rechter atrium van het hart bevinden zich geen kleppen, we beschouwen de centraal veneuze druk dan ook analoog aan de druk in het rechter atrium. Deze druk wordt verder gebruikt om een schatting te maken van de rechter ventriculaire einddiastolische druk (RVEDP).

De gemeten druk is evenwel afhankelijk van druk die het hart omgeeft, de transmurale druk, opgebouwd door de druk in de pleura die varieert functie van de ademhaling. De sensor registreert de centraal veneuze druk echter onafhankelijk van de ademhalingscyclus. Conventioneel bepaal je daarom de waarde van de centraal veneuze druk gemeten eindexpiratoir, vermits op dit punt in de ademhalingscyclus de pleurale druk net iets kleiner is dan de atmosferische druk. Hou steeds rekening met deze invloed van de ademhaling op de centraal veneuze drukwaarde.

De bekomen waarde geeft een idee over de einddiastolische druk en dus over de vullingtoestand alsook over de functie van het rechter ventrikel. Bij een zittende patiënt is de centraal veneuze druk vaak lager dan nul. Een lage CVD kan echter ook te wijten zijn aan hypovolemie of kan het gevolg zijn van een hyperdynamisch hart, zelfs bij een overvulde patiënt. 
Ventriculair falen veroorzaakt een toegenomen weerstand met een toename van de centraal veneuze druk. Hypotensie in combinatie met een toename van de centraal veneuze druk kan een indicatie zijn van rechter hartfalen. Het is dus nuttig om de centraal veneuze druk te analyseren in combinatie met het hartdebiet.

Onder normale omstandigheden stellen we de centraal veneuze druk verder gelijk aan de linker atriale druk. In het verleden werd de centraal veneuze druk dan ook gebruikt om patiënten met linker ventrikeldysfunctie of longziekten te evalueren. Men toonde echter aan dat de CVD-waarde net in deze patiëntenpopulatie slecht correleert met de linker atriale druk. Een meting van de Arteria Pulmonalisdruk is meer aangewezen in deze omstandigheden.

De absolute CVD-waarde wordt verder nog beënvloed door de klinische omstandigheden.

De centraal veneuze drukcurve

Inleiding centraal veneuze drukcurve

Hemodynamische monitoring omvat het interpreteren van drukveranderingen in het hart en de bloedvaten, meer dan het aflezen van een gemiddelde druk alleen. Het algoritme van de monitor dat een berekening maakt van de gemiddelde centraal veneuze druk mag je in die context enkel als leidraad aanvaarden. De evaluatie van de evolutie van de drukwaarde is immers veel belangrijker dan de enkelvoudige meting. Geef je bijvoorbeeld aan een patiënt met een bepaalde CVD-waarde een vloeistofbolus, dan zal bij een hypovolemische patiënt de CVD kort stijgen en nadien meteen terugvallen tot de vorige waarde. Bij de normovolemische patiënt zal de centraal veneuze druk daarentegen meer stijgen en zal de hogere waarde langer behouden blijven.
Indien je bovendien de centraal veneuze drukcurve interpreteert in combinatie met het elektrocardiogram, kan je belangrijke klinische en diagnostische informatie inwinnen.

De drukcurve die verschijnt op de monitor is opgebouwd uit drie golven (a, c en v) gevolgd door een x- en een y-dal. Het punt waar de c-golf begint op de a-golf noemt men soms het z-punt. Als ezelsbruggetje kan men stellen dat de a-golf overeenkomt met de atriale contractie terwijl de c-golf ontstaat tijdens de contractie van het ventrikel met gesloten (closed) atrioventriculaire klep. De v-golf komt dan overeen met de veneuze vulling van het atrium. De absolute cvd-waarde lees je af als het gemiddelde tussen de a-golf en het x-dal.

a-golf

De a-golf wordt gevormd door de contractie van het atrium en ontstaat na de p-golf op het elektrocardiogram. De a-golf bevindt zich dus aan het eind van de diastole van het ventrikel en komt overeen met de atriale kick.

c-golf

De c-golf ontstaat door contractie van het rechter ventrikel tegen een initieel gesloten atrioventriculaire klep (isovolemische contractiefase) waardoor bulging ontstaat van het ventrikel in het atrium. De c-golf ontstaat dus vroeg in de systole van het ventrikel, net na het QRS-complex op het elektrocardiogram. Het begin van de c-golf is de beste referentie om een schatting te maken van de gemiddelde centraal veneuze druk.

z-punt

Het z-punt, gedefinieerd als de plaats waar de c-golf ontstaat op de a-golf, komt overeen met het einde van de diastole van het atrium.

v-golf

Door vulling van de atria tegen een gesloten atrioventriculaire klep stijgt de druk in het atrium en ontstaat de v-golf. Deze doet zich voor tijdens de T-top op het elektrocardiogram.

x-dal

Door dalign van de druk in het atrium ten gevolge van relaxatie en door geometrische veranderingen van het atrium ten gevolge van contractie van het ventrikel ontstaat het x-dal. Het x-dal doet zich voor in het midden van de systole van het ventrikel en vertegenwoordigt een systolische collaps van de atriale druk. Het deel van het x-dal na de a-golf noemt men soms het x1-dal, het deel na de c-golf is dan het x2-dal.

y-dal

Door het openen van de atrioventriculaire klep ontstaat een dalign van de druk in het atrium aan het einde van de diastole en dus ook aan het eind van het QRS-complex op het elektrocardiogram.

h-golf

Bij een traag hartritme met dus een verlengde diastole ziet men soms een plateau na het y-dal. Dit plateau noemt men de h-golf.

Interpretatie

De a- en c-golven zijn vaak relatief groot, tot 8 - 10mmHg, waardoor er een groot verschil bestaat tussen de hoogste en de laagste waarden. Aan het begin van de c-golf meet je de atriale druk net vóór de contractie van het rechter ventrikel. Deze druk correleert best met de RVEDP en dus met de CVD. 
Kan je de c-golf niet identificeren, bepaal dan de centraal veneuze druk aan de hand van de basis van de a-golf.
Door vanuit de q-golf op het  elektrocardiogram een verticale lijn te trekken naar de simultaan gemeten CVD-curve bekom je het beste punt om de eindiastolische druk in te schatten.

Golf CVD PCWP
a In PR Aan eind QRS
c Aan eind QRS In ST-segment
v Aan eind T-golf In TP-interval

Een y-dal groter dan 4mmHg zou een negatieve vullingsproef voorspellen [2].


Invloed ademhaling op CVD

Index

Spontane ademhaling

Gedurende de spontane inademing wordt de dalign van de intrapleurale druk overgezet op de atria. Dit veroorzaakt een dalign van de centraal veneuze druk terwijl de transmurale druk eventueel zelfs toeneemt. Door toename van de veneuze return worden de a- en c-golven groter. Aan het eind van de expiratie zijn de pleurale druk en de pericardiale druk nagenoeg gelijk aan de atmosferische druk. Op dit punt in de tijd beoordeel je de absolute waarde van de centraal veneuze druk.
De expiratie verloopt in princiepe passief, niettegenstaande kritisch zieke patiënten vaker actief uitademen. In dit laatste geval zorgt de contractie van de abdominale en thoracale spieren voor een toename van de pleurale druk, waardoor tijdens geen enkele fase in de ademhalingscyclus de gemeten druk overeen komt met de transmurale druk. Je registreert dan ook best de centraal veneuze druk gedurende meerdere ademhalingscycli waarbij je de meting van de absolute waarde uitvoert tijdens de minst geforceerde uitademing. Soms is geen enkele uitademing bevredigend, een bepalign van de absolute waarde vroeg in de expiratoire fase is dan meer betrouwbaar dan laat in de expiratoire fase. Een bepalign van de absolute waarde blijft echter zeer onbetrouwbaar [2].

CVD bij geforceerde ademhaling

Mechanische ventilatie

Omgekeerd zal mechanische ventilatie aanleiding geven tot een toename van de centraal veneuze druk met 3 tot 5 cmH2O. Vermits eind-expiratoir de pleurale druk en de pericardiale druk nagenoeg gelijk zijn aan de atmosferische druk, bepaal je de centraal veneuze druk best op dit punt in de tijd.
Beademen we de patiënt met positeive eindexpiratoire druk (PEEP) dan zal bovendien de transmurale druk overschat worden en wordt een fout gemaakt die niet eenvoudig kan gecorrigeerd worden [2]. Dit effect is evenwel klein bij lage PEEP bij patiënten met een verminderde longcompliantie [2].

CVD-curve tijdens spontane ademhaling

ademhaling en vullingsstatus

Door de variatie van de centraal veneuze druk bij een spontaan ademende patiënt te analyseren in functie van de ademhaling, kan voorspeld worden of de patiënt zal reageren op een vullingsproef. Dezelfde test kan uitgevoerd worden bij de beademde patiënt indien deze minimaal triggert. De variatie in pulmonaaldruk kan een idee geven over de adequaatheid van de inspiratoire inspanning, hoewel ook een klinische observatie voldoende informatie kan geven. Indien de CVD, gemeten ter hoogte van de basis van de a-golf, tijdens inspiratie daalt met meer dan 1mmHg dan zal de patiënt positief reageren op een vullingsproef [2]. De test leert echter meer in omgekeerde zin: indien de inspiratie een dalign veroorzaakt in de PCWP van minstens 2mmHg zonder dalign in de CVD zal de patiënt niet reageren op extra vulling [2].


Invloed kliniek op CVD

Index

Invloed van het hartritme op de cvd

Tachycardie

Het korte P-R interval bij een tachycardie zorgt voor een samenvloeien van de a-golf met de c-golf, terwijl de korte diastole een kort y-dal veroorzaakt.

Bradycardie

Elke golf op de CVD-curve is bij bradycardie duidelijk te onderscheiden. Dit geldt in het bijzonder voor de x1 en x2-golven. De h-golf is beter zichtbaar als plateau in de midsystolische of eindsystolische fase, deze golf heeft echter weinig klinische betekenis.

Voorkamerfibrillatie

Bij een fibrillatie van het atrium verdwijnt de atriale kick en dus de a-golf. Door het groter atriaal volume aan het begin van de systole zal de c-golf daarentegen prominenter voorkomen. Bij een Voorkamerfibrillatie met traag ventriculair antwoord onderscheiden we bovendien f-golven. Je kan de absolute cvd-waarde, omwille van het ontbreken van de a-golf, best bepalen aan het eind van de diastole.
Voorkamerfibrillatie

A/V-dissociatie

Bij dissociatie tussen het atrium en het ventrikel contraheert het atrium tegen een gesloten tricuspiedklep. Hierdoor stijgt de druk in het atrium drastisch wat men op de CVD-curve waarneemt als een canon a-wave boven op de c-golf. Klinisch merk je veneuze pulsaties ter hoogte van de venae jugulares.
De canon a-wave komt ook voor bij ventriculaire pacing en bij junctionele ritmes en heeft een belangrijke hemodynamische impact op de organen stroomopwaarts zoals de lever en de nieren. De centraal veneuze druk in de dependente gebieden van het lichaam is immers nog 8 tot 10 mmHg groter dan de waarde gementen ter hoogte van het nulpunt [2]. Er ontstaat dus een grotere capillaire filtratiedruk.

Invloed van de ventrikelfunctie op de cvd

Invloed van het rechter ventrikelinfarct op de cvd

Bij infarcering van het rechter ventrikel is het ventrikel moeilijker in staat om het bloed vanuit de veneuze circulatie naar de longslagaders te pompen en ontstaan er hoge centraal veneuze drukken in combinatie met lage pulmonaaldrukken. De cvd-curve krijgt een M of W-configuratie ten gevolge van prominente a- en v-golven. In de arteriële circulatie heerst hypotensie.

Invloed van een harttamponnade op de cvd

Bij een harttamponnade wordt de terugkeer van het veneus bloed naar het atrium beperkt, terwijl ook het slagvolume en het hartdebiet laag zijn. De cvd-curve toont een M-configuratie door de prominente a- en v-golven met diep x- en y-dal. Bij het y-dal daalt de atriale druk, welke einddiastolisch weer toeneemt. De cvd-curve neemt dan de vorm van een vierkantswortelteken aan.

Invloed van kleplijden op de cvd

Tricuspiedregurgitatie

Ten gevolge van een insufficiënte tricuspiedklep komt tijdens de systole een hoeveelheid bloed terug in het atrium. De c- en v-golven vloeien hierdoor samen tot een giant v-wave terwijl het x-dal verdwijnt ten gevolge van de afwezigheid van isovolumetrische contractie. De cvd-curve lijkt op een ventriculaire drukcurve, klinisch neem je een systolisch hartgeruis waar.
Tricuspiedinsufficiëntie
De canon v-wave heeft een belangrijke hemodynamische impact op de organen stroomopwaarts zoals de lever en de nieren. De centraal veneuze druk in de dependente gebieden van het lichaam is bovendien nog 8 tot 10 mmHg groter dan de waarde gementen ter hoogte van het nulpunt [2]. Dit veroorzaakt op zijn beurt een grotere capillaire filtratiedruk.

Tricuspiedstenose

Stenose van de tricuspiedklep is een zeldzame aandoening. Ten gevolge van de smalle uitgangsweg van het atrium ontstaan hoge cvd-waarden. De einddiastolische a-golf is groot en het y-dal is afgevlakt.


Bart Massaer