Intra-arteriële bloeddrukmeting


Index



Inleiding invasieve bloeddrukmeting


Bij kritisch zieke hemodynamisch instabiele patiënten wordt de bloeddruk continu gemeten met behulp van een intra-arteriële catheter. De eerste intra-arteriële bloeddrukmeting werd in 1733 uitgevoerd door Stephen Hales. De cannulatietechniek werd echter pas veilig dankzij het werk van Peterson en Dripps in 1949 [3].
De invasieve techniek heeft als voordeel dat de bloeddruk continu en grafisch geregistreerd wordt, terwijl de catheter toelaat om frequente bloedafnames te voorzien.


Indicatie invasieve bloeddrukmeting


Een invasieve bloeddrukmeting kan helpen om de efficiëntie van de hartmassage te optimaliseren. Het plaatsen van de arteriële lijn mag echter in geen enkel geval de aanvang en het verloop van de reanimatie vertragen [59].

Bij patiënten met een aritmie geeft de arteriële drukcurve een beoordeling van de output van het hart ten gevolge van de ritmestoornis.


Soorten katheters


Voorwaarden

Katheters die worden gebruikt voor een arteriële lijn dienen aan bepaalde voorwaarden te voldoen:

Katheters voor kinderen

Katheters voor volwassenen


Techniek katheterisatie


Punctieplaats

De katheter voor invasieve bloeddrukmeting kan geplaatst worden ter hoogte van de A. Radialis, A. Ulnaris, A. Femoralis, A. Axillaris, A. Brachialis of A. Dorsalis Pedis.

Meestal wordt de katheter geplaatst ter hoogte van de A. Radialis. Deze heeft een collaterale circulatie via drie arcussen in verbinding met de A. Ulnaris. De radialisarterie is gemakkelijk bereikbaar dankzij een oppervlakkige ligging en is veilig aan te prikken. Het nadeel van de arteria radialis is de kleinere diameter.
De A. Ulnaris is een goede tweede keuze voor het plaatsen van een arteriële katheter, de arterie ligt echter dieper en heeft een meer kronkelig verloop.
De A. Femoralis heeft het nadeel dat de patiënt zijn been niet meer kan bewegen. Tevens zijn er iets meer infectieuze complicaties en is er een risico op vorming van een pseudo-aneurysma en op atheroomvorming. Aseptische necrose van de femurkop is een zeldzame complicatie bij kinderen. Wel is het bloedvat gemakkelijk toegankelijk net onder het inguinaal ligament en ligt de verhouding van de diameter van het bloedvat tegenover de diameter van de canule gunstiger. Maak gebruik van een katheter met een lengte van 7.5 centimeter of 15 centimeter en van de Seldingertechniek. De cannulatie van de A. Femoralis wordt vaker gebruikt voor arterio-veneuze hemofiltratie en voor het introduceren van een intra-arteriële ballonpomp. Ook in de pediatrische patiëntenpopulatie maakt men meer gebruik van de arteria femoralis om een arteriële katheter te plaatsen.
Zeldzamer gebruikt men de A. Brachialis omwille van het gevaar van afsluiting en trombose - gezien de brachialis geen collaterale circulatie heeft kan bij ischemie kan de hele arm betrokken raken. Gelukkig komt dit niet zo frequent voor. Een katheter in de elleboogarterie zal bovendien sneller knikken bij plooien van de elleboog.
De A. Axillaris wordt aangeprikt indien een meer perifere punctieplaats niet mogelijk is. Gebruik hiervoor een 18 of 20-Gauche katether en plaats de lijn met behulp van de Seldingertechniek bij voorkeur in de linker A. Axillaris om obstructie of embolisatie van de carotisarterie te vermijden. Er blijft evenwel een risico op vertebrale cannulatie. De axillaire arterie heeft wel een collaterale circulatie, de punctie is voor de patiënt oncomfortabel. Al bij al blijft ook het aanprikken van de A. Axillaris een veilige techniek.
Ook de arteriae dorsalis pedis en posterior tibialis vormen een aanvaardbaar alternatief voor het plaatsen van een arteriële katheter. Beide arteriae hebben ook een collaterale circulatie. De punctiplaats is evenwel te vermijden bij perifeer vasculair lijden (cave diabetici). Er kan getest worden analoog aan de allentest; de collaterale circulatie is onbetrouwbaar indien de bleke kleur aanhoudt na meer dan 10 seconden. Merk op dat de A. Dorsalis pedis afwezig is bij 1/8 vd populatie. De meer distale ligging ten opzichte van de aorta veroorzaakt ook een grotere vervorming van de arteriële curve.

Voorbereiding

Allen-test

Collaterale circulatie van de handDe cannulatie van de arteria radialis is theoretisch veilig omwille van het bestaan van een collaterale circulatie van de hand, de incidentie van ischemische complicaties wordt geschat op 0.01% [1] [1]. Om ischemische complicaties te voorkomen, plaats je de arteriële catheter bij voorkeur in de niet-dominante hand. Bij 5% van de patiënten is de collaterale circulatie echter niet aanwezig; controleer bij bewuste patiënten de collaterale circulatie met behulp van de Allen-test [1]:
Vraag aan de patiënt om met de betrokken hand gedurende enkele minuten krachtig toe te knijpen en druk de radialisarterie en de ulnarisarterie tegelijk toe met je duim en wijsvinger van beide handen. Met dit manoeuvre wordt het bloed uit de hand geperst waardoor de hand bleek wordt. Vraag nu aan de patiënt om de hand snel te openen in een ontspannen houding. Laat de druk op de ulnaire arterie los: bij goede doorgankelijkheid wordt de handpalm rood in een tijdspanne van 3 tot 7 seconden. Blijft de handpalm langer dan 14 seconden bleek, dan suggereert dit een insufficiëntie van de A. Ulnaris of ëën van haar takken. Persisterende bleekheid tussen 8 en 14 seconden levert randnormale informatie. Ook de doorgankelijkheid van de A. Radialis kan je testen door de druk op de A. Radialis op te heffen.
De terugkeer van perfusie naar de hand kan ook gecontroleerd worden met behulp van een Doppler-probe of met de saturatiemeter.
Praktisch is bij de comateuze patiënt de Allentest moeilijk realiseerbaar. Bovendien kan met deze test het ontstaan van permanente ischemische complicaties niet volledig uitgesloten worden. Minimaal zou men toch de A. Ulnaris moeten palperen of eventueel met een Dopplersonde moeten evalueren. De voorspellende waarde van de test wordt recent echter in vraag gesteld, mits enkele gevallen van ischemie bij een normale Allentest optraden. Blijf dus de perfusie van de hand nauwkeurig observeren ook na de cannulatie!

Vermoed je een arteriële insufficiëntie in de hand, palpeer dan eveneens de A. Ulnaris en de brachialispols. Merk op dat de pols van een normale ulnarisarterie soms niet te palperen is.

Heparinisatie

Heparinisatie van de arterie via de drukleiding is een noodzaak, zelfs met heparinisatie is de kans op trombose niet gering en citeert men cijfers tot ongeveer 20%. De heparinisatie loopt best aan een snelheid van 3 ml/uur. Zorg dat de leiding volledig luchtvrij is gemaakt, zodat ze na de cannulatie onmiddellijk kan aangesloten worden op de katheter.
Het behoort bovendien tot de taak van de verpleegkundigen om bij iedere shift de betrokken hand te inspecteren op adequate perfusie. Een occlusie van de A. Radialis treft de duim en de wijsvinger van de betrokken hand; bij de minste twijfel over circulatiestoornissen dient de arts de katheter te verwijderen. Om dezelfde reden zal men steeds de arteriële curve grafisch visualiseren. Merk wel op dat bij een eventuele trombose er nog steeds een arteriële curve zichtbaar zal zijn; gezien men de katheter in tegenstroom plaatst zal de beschadiging en dus de trombose stroomafwaarts van de katheter zitten, voorbij de plaats van de arteriële drukmeting.

Voorbereiding van de patiënt

De arm wordt zijwaarts geplaatst op een armplank of armsteun, in een hoek van maximaal 80ë ten opzichte van het lichaam. Leg een verbandrolletje onder de pols om de hand in lichte dorsiflexie te brengen. Fixeer de hand, palpeer de arterie en duid de ligging eventueel aan met een balpen.

Ontsmet breed de punctieplaats. Zorg nadien voor een lokale anesthesie door intradermale injectie van 0.5mL Lidocaëne 1% met een 25-Gauche naald boven de arterie. De lokale anesthesie maakt de punctie comfortabeler voor de patiënt, terwijl een arterieel spasme hiermee kan voorkomen worden.

Punctie

Directe canulatie

Prik de arterie aan met een 20-Gauche katheter onder een hoek van 30 tot 40ë, tot de kamer van de katheter zich vult met arterieel bloed. Verminder dan de hoek tot 10ë en introduceer de katheter nog 0,5mm verder om doorheen de wand van de slagader te prikken. Schuif de canule over terwijl je de naald ter plaatse fixeert. Is de kathteter correct in het bloedvat ogpeschoven, schuif de naald dan terug onder proximale druk en connecteer de drukleiding.

Seldinger techniek

Hierbij wordt de arterie eveneens onder een hoek van 30 tot 40ë aangeprikt met een naald, vervolgens wordt een voerdraad door de naald opgeschoven in het lumen van de arterie. De naald wordt verwijderd en de katheter wordt over de mandrain geschoven. Uiteindelijk wordt de mandrain verwijderd.
De Seldinger techniek geeft meer slaagkans waardoor de punctie minder traumatisch is. De katheters zijn echter duurder.

Controleer meteen of de arteriële katheter correct geplaatst is door de arteriële curve te evalueren. Een normale arteriële drukcurve heeft een typische configuratie, loopt synchroon met het elektrocardiogram en geeft waarden binnen de verwachte grenzen.

Complicaties


Absolute waarden


Ook met een invasieve arteriële drukmeting wordt de sytolische, diastolische en gemiddelde arteriële bloeddruk bepaald.
Afhankelijk van de plaats van de arteriele canule zal het druksignaal veranderen: hoe meer distaal, hoe hoger de systolische druk. Door een foutieve inschatting schuilt het gevaar de patiënt foutief te behandelen voor hypertensie. Men stelt dan ook dat de gemiddelde systolische bloeddruk de meest betrouwbare waarde is om de orgaanperfusie te evalueren.

Bij beoordeling van de bloeddruk in het kader van neurotraumata of bij clipping van een aneurysma is de systolische bloeddruk wel in waarde belangrijk. Bovendien zal bij een zittende patient de bloeddruk in de hersenen significant verschillen van de bloeddruk gemeten ter hoogte van het linker ventrikel. Bij neurotraumapatienten wordt de cerebrale bloeddruk om die reden best gemeten door de sensor te nullen op het niveau van het oor, wat overeenkomt met het niveau van de circulus van Willis.
Systole Diastole
Rechter ventrikel 15 - 25 0 - 8
A. Pulmonalis 15 - 25 8 - 15
Linker ventrikel 110 10
Aorta 120 80


Arteriële drukcurve


Interpretatie van de drukcurve

Inleiding

Ontstaat de arteriële drukcurve uit het linker ventrikel dan meten we de systemische bloeddruk, ontstaat de curve uit het rechter ventrikel dan meten we de pulmonale druk. De interpretatie van beide drukcurven is dezelfde. De aortadruk kan in bijzondere omstandigheden gemeten worden door een katheter te plaatsen in de aorta.

Systolische en diastolische bloeddruk

De arteriële drukcurve ontstaat door contractie en relaxatie van respectievelijk het rechter (pulmonaaldruk) en het linker (systeemdruk) ventrikel. Bij het interpreteren van de drukcurve bepalen we eerst de systolische en de einddiastolische bloeddrukwaarden.

Net als bij de interpretatie van de veneuze drukcurve is het nuttig om de relatie van de arteriële drukcurve ten opzichte van het elektrocardiogram te beschrijven. De arteriële diastole van de pulmonaaldruk is terug te vinden aan het einde van het QRS-complex op het elektrocardiogram. Voor wat betreft de systemische bloeddruk bestaat er een vertraging door de langere weg die de drukgolf moet afleggen tussen het ventrikel en de meer perifere catheter. Hier valt de diastole samen met het einde van de T-golf op het elektrocardiogram.
Onmiddellijk na het QRS-complex op het elektrocardiogram zal het ventrikel samentrekken. De systole van het ventrikel - de tijd tussen het sluiten van de atrioventriculaire kleppen en het sluiten van de semi-lunaire kleppen - veroorzaakt een toename van de drukcurve terwijl het bloed in respectievelijk de aorta en de pulmonaalarterie gepompt wordt. De snelheid waarmee de curve oploopt komt overeen met de contractiliteit van het ventrikel.

Na de systole komt de diastole, de periode tussen het openen en sluiten van de atrioventriculaire kleppen. Het ventrikel ontspant zich en de drukcurve daalt tot net onder de druk in het atrium. De snelheid waarmee de drukcurve daalt komt overeen met de perifere vasculaire weerstand. Op dit dalend gedeelte van de drukcurve noteren we een incisura, de dicrotic notch, als gevolg van het sluiten van respectievelijk de aortaklep en de pulmonaalklep. De dicrotic notch is niet altijd even duidelijk te onderscheiden.
Arteriële bloeddrukcurve
Het tijdverloop tussen de contractie van het ventrikel en de oplopende drukcurve is afhankelijk van de plaats van de meting en van de compliantie en elasticiteit van de bloedvaten. In het geval van atherosclerose - bij heel stijve bloedvaten - loopt de arteriële drukcurve steiler op en neer en kent ze een korter durend verloop. In dit geval is de dicrotic notch ook minder duidelijk aantoonbaar.
Overdreven variaties in de amplitude van de arteriele drukgolf zijn meestal te wijten aan hypovolemie.

Ventriculaire drukcurve

Tijdens het plaatsen van de pulmonaalkatheter registreren we kortstondig de drukcurve in het rechter ventrikel. Gedurende de vroege snelle ventriculaire vullingsfase zal ongeveer 60% van het ventrikel met bloed gevuld worden. Op de drukcurve merk je een sterke stijging van de druk. Nadien volgt een afbuiging van de curve tijdens de tragere vullingsfase waarbij het volume met nog ongeveer 25% toeneemt.
Tijdens de diastole wordt de druk in het rechter ventrikel kleiner dan de druk in de pulmonaalarterie en sluit de pulmonaalklep om retrograde flow te voorkomen. Uiteindelijk zal de druk in het rechter ventrikel dalen tot het niveau van de einddiastolische druk.


Bart Massaer