Monitoring


Index



Inleiding

Index

Monitoring Tijdens een cardiopulmonaire reanimatie wordt de orgaanfunctie zo snel mogelijk beoordeeld aan de hand van adequate monitoring. De hoeveelheid en de aard van deze monitoring zijn afhankelijk van de plaats en de situatie van de interventie en wordt uitgebreider en meer invasief naarmate de patiënt opgenomen wordt op een meer gespecialiseerde dienst.
Niettegenstaande het opstarten van monitoring bijkomende informatie levert over de toestand van de patiënt, schuilt er ook hier af en toe gevaar: Ondanks de bovengenoemde gevaren, bestaat er geen twijfel over het feit dat adequate monitoring levens kan redden. Om complicaties te voorkomen moet de zorgverlener bij het opstarten van monitoring vertrouwd zijn met de techniek en de gebruikte apparatuur.
"Monitoring" is bvendien een dynamisch gegeven, waarbij de evolutie van de waarden vaak belangrijker is dan een enkele meting. De hulpverlener dient zeer waakzaam te zijn voor afwijkende waarden en maakt een onderscheid tussen vals foutieve en echt afwijkende waarden alvorens meer drastische maatregelen te treffen. Hierbij is het in eerste instantie belangrijk om de alarmen van de monitor nauwkeurig in te stellen. Een monitor die onnodig vroeg in alarm slaat zal mettertijd genegeerd worden, terwijl een laattijdig alarm een groot risico inhoudt voor de patiënt.


Hemodynamische monitoring

Index

Doel van de cardiovasculaire monitoring

Hemodynamica omvat per definitie "de fysiologie van de beweging van het bloed en de krachten betrokken bij de circulatie". Meer specifiek wordt de term hemodynamiek gebruikt om de intravasculaire druk en flow te beschrijven die ontstaat wanneer de hartspier samentrekt en het bloed doorheen het lichaam stuwt.
De belangrijkste functie van de hemodynamiek is het transporteren van zuurstof en nutriënten naar de cellen (Oxygen Delivery of DO2), inclusief de cellen van de hartspier, alsook het verwijderen van afvalstoffen vanuit de weefsels.
Het is belangrijk om te onthouden dat het bloedvatensysteem een gesloten circuit vormt. Druk- en flowvariaties in het veneuze systeem zullen daarom automatisch het arterieel compartiment beënvloeden, en omgekeerd. Om die reden omvat de monitoring van de hemodynamiek meer dan een enkelvoudige meting; het is de continue meting van de veranderingen in druk en flow in en tussen de verschillende compartimenten.

Fysiologie hemodynamiek

Determinanten van de hemodynamiek

Bij de monitoring van de hemodynamiek concentreert men zich meestal op de functie van het hart. Nochtans spelen vier verschillende factoren een rol in de uiteindelijke hemodynamische toestand van de patiënt:

Oxygen Delivery (DO2)

Het einddoel van de monitoring is het inschatten van de zuurstoftoevoer ter hoogte van de weefsels in functie van de zuurstofnood van de weefsels. De zuurstoftoevoer of oxygen Delivery wordt bepaald door:
DO2 = Hartdebiet x 13.4 x Hb x zuurstofsaturatie
In het geval van een slechte orgaanperfuse (shock) tracht je de zuurstoftoevoer naar de weefsels te optimaliseren met het doel de weefselhypoxie op te heffen en het aëroob metabolisme op celniveau te herstellen. Deze theorie wordt ondersteund door het feit dat het zuurstofverbruik bij kritisch zieke patiënten pathologisch afhankelijk is van de zuurstofaanvoer: elke dalign in de zuurstoftoevoer leidt tot een dalign in de zuurstofconsumptie en een toename van de weefselhypoxie.
Ideaal trachten we met behulp van monitoring dus in te schatten of de vitale organen adequaat geperfundeerd worden met voldoende zuurstofrijk bloed ten opzichte van het metabolisme van de betrokken cel. Dit is echter technisch zeer moeilijk.
De belangrijkste component van de zuurstoftoevoer is het hartdebiet. Hemodynamische monitoring omvat dus vaak een poging tot het inschatten van dit hartdebiet, of van een van de determinanten: het hartritme en het slagvolume.
Om praktische redenen wordt in de meeste situaties de efficiëntie van de orgaanperfusie echter meer indirect beoordeeld aan de hand van de kliniek en door het meten van de systemische bloeddruk en de perifere pols, in combinatie met de meting van de zuurstofsaturatie in het bloed, de temperatuur en de urinaire output.De globale informatie wordt nadien geëxtrapoleerd om de behandeling te leiden.

Basisprincipes cardiovasculaire monitoring

Een efficiënt gebruik van cardiovasculaire monitortechnieken vereist dat de meting van de fysiologische variabele enerzijds accuraat reproduceerbaar is, anderzijds is het noodzakelijk dat kennis van de gemeten waarde aanleiding geeft tot een verbetering van de outcome. Het opstarten van een bijkomende monitortechniek moet derhalve getoetst worden aan volgende voorwaarden:

Ook voor het toepassen van (invasieve) monitoring geldt dus het basisprincipe van primum non nocere. Monitoring wordt bij voorkeur opgestart op het ogenblik dat het ziekteverloop nog beënvloed kan worden, met als primair doel het zuurstoftransport naar de weefsels te verbeteren alvorens weefselischemie optreedt. Het opstarten van nieuwe monitoring moet steeds gekoppeld zijn aan een therapeutisch beleidsplan. Het toepassen van monitoring zonder duidelijke gekoppeld behandelingsprotocol heeft immers geen positieve invloed op de morbiditeit noch op de mortaliteit.

Klinische beoordeling van de hemodynamiek

Algemene tekenen

Een slechte orgaanperfusie wordt klinisch gedefinieerd als shock: een klamme bleke huid, eventueel gebloemd, doet denken aan een slechte perifere perfusie, een warme rode huid aan vasodilatatie bij anafylaxie of sepsis. Bij gedeshydrateerde patiënten noteren we een gedaalde huidturgor.
Een oppervlakkige en snelle ademhaling en een snelle en oppervlakkige hartslag zijn kenmerkende compensatiemechanismen bij shock. De slechte perfusie van de nieren veroorzaakt een verminderde diurese. Bij gedaalde perfusie ter hoogte van de hersenen noteren we een veranderde mentale status en eventueel een gedaald bewustzijn. Uiteindelijk kan de slechte orgaanperfusie aanleiding geven tot een cardiorespiratoir arrest.

Om de hemodynamiek in te schatten, inspecteer je de thorax op zoek naar toegenomen pulsaties van het hart. Met percussie kan je de grootte van het hart inschatten, een toegenomen hartgrootte is een aanwijzing voor een hypertroof hart of een toegenomen ventriculair volume. De capillaire refill wordt gecontroleerd ter hoogte van de nagels en bedraagt normaal minder dan 3 seconden.

Een meer accurate manier om de perifere perfusie te monitoren is het vergelijken van de perifere (teen) met de centrale lichaamstemperatuur (nasopharyngeaal). Vasoconstrictie zorgt immers voor een behoud van de centrale temperatuur ten koste van de perifere, waardoor het verschil tussen beide groter wordt. Indien de perifere perfusie wordt hersteld, zal dit verschil kleiner worden.

Hartritme

Het hartritme is gemakkelijk te meten en een belangrijke parameter in de evaluatie van de hemodynamiek. Het hartdebiet is immers rechtstreeks afhankelijk van het hartritme: om, in geval van een toegenomen metabole nood of bij een dalign van de totale perifere weerstand, het hartdebiet te verhogen, zal in eerste instantie het hartritme opgedreven worden. Bij een gedaald slagvolume blijft de bloeddruk tevens constant indien het hartritme versnelt. Een sinustachycardie is dus een signaal voor een gedaald slagvolume, een gedaalde perifere weerstand of een toegenomen metabole nood.
Het hartritme is bovendien afhaneklijk van de depolarisatie van de sinusknoop en staat onder invloed van autonome, humerale en lokale factoren. Normaal ontlaadt de sinusknoop zich bij jonge volwassenen aan een ritme van 90 tot 100 slagen per minuut. Bij toegenomen leeftijd daalt deze frequentie volgens volgende formule:

Normaal intrinsiek hartritme = 118 slagen per minuut - (0.57 x leeftijd)

Controleer bij bewusteloze slachtoffers initieel de carotispols om de aan- of afwezigheid van circulatie vast te stellen. Om meer informatie te bekomen over de hemodynamische status van de patiënt, controleer je nadien de radialispols door met de top van je wijs- en middenvinger de arteria radialis te palperen aan de pols. Deze controle is een moeilijke skill die zeker vaak geoefend moet worden. Maak een beoordeling van de hartfrequentie, de regelmaat en de amplitude van de polsslag. Bij een regelmatig hartritme volstaat het om het hartritme te tellen gedurende vijftien seconden, waarna je de bekomen waarde vermenigvuldigt met vier. Bij een onregelmatig hartritme of bij een abnormaal snelle of trage polsslag kan je best het hartritme tellen gedurende 60 seconden.
Beschik je over een monitor, dan kan je eenvoudiger de hartfrequentie meten met behulp van de registratie van het elektrocardiogram, via de saturatieprobe of soms vanuit de bloeddrukmanchet.

Wanneer de perifere orgaanperfusie ontoereikend is, neemt het hartrimte compensatoir toe, terwijl de perifere perfusie daalt door een toegenomen vasoconstrictie. Ook de amplitude van de polsslag zal verminderen of zelfs tot nul terugvallen. Je neemt in dit geval een snelle en zwakke polsslag waar.

Capnografie

Ook capnografie levert informatie over de hemodynamische status. Koolstofdioxide wordt immers vanuit de weefsels naar de longen getransferreerd via de circulatie. Bij insufficiënte circulatie merken we dus ook veranderingen in de capnografiecurve. Capnografie kan dus gebruikt worden als indicator van de cardiac output. Indien de cardiac output daalt terwijl de ventilatie bewaard blijft, zal de end-tidal koolstofdioxideconcentratie dalen door de slechte longdoorbloeding. Dit fenomeen treedt op bij hypovolemie, cardiaal arrest en bij massief pulmonair embool.


Index

De urninaire output



Het vermogen van de nier om urine te produceren is rechtstreeks gerelateerd aan de nierperfusie van geoxygeneerd bloed. Gezien de nier ëën der vitale organen is waarbij de perfusie wordt behouden in acute omstandigheden, is een dalign in de urinaire output een indicatie van een inadequate perfusie, niet enkel ter hoogte van de nier doch ook ter hoogte van andere vitale organen (hart en hersenen). De nier kreeg hierdoor de titel "cardiac output computer van de arme man".

Minstens elk uur dient de urinaire output te worden gemeten, waarbij men streeft naar een flow van ongeveer 1 ml/kg/uur. Dit meet men door middel van een urinaire sonde die op een aseptische manier is ingebracht.


Index

Monitoring van het respiratoir stelsel



Het doel van de monitoring van het respiratoir stelsel is het behoud van een adequate oxygenatie en een goede eliminatie van koolstofdioxide, met andere woorden het voorkomen van hypoxie en hypercarbie. Tot recent konden deze beide vitale parameters enkel op klinische basis worden geobeserveerd, namelijk door een controle van :

Het gebruik van de mechanische ventilator leidde tot de meting van de in te blazen drukken om aldus een barotrauma te vermijden. Deze drukken kunnen eveneens worden gebruikt als indicatie van een obstructie van de ventilatie, bijvoorbeeld veroorzaakt door een bronchoconstrictie.

Vandaag kan men ook in de dagdagelijkse praktijk een monitoring doen van de zuurstofconcentratie van het ingeademde gas, de koolstofdioxide concentratie van het uitgeademde gas en de zuurstofsaturatie van het arteriële bloed in de weefsels, door middel van de saturatiemeter.

Index

De capnografie


De capnograaf gebruikt de eigenschap dat koolstofdioxide (CO2) infrarood licht absorbeert. Deze techniek werkt zeer snel waardoor de uitgeademde koolstofdioxide grafisch kan worden weergegeven. Bij een gezonde persoon zal de concentratie van koolstofdioxide in alveolair gas (PACO2 of Partiële druk) goed correleren met de partiële druk in arteriëel bloed (PaCO2), waarbij de eerste 5mmHg lager ligt dan de tweede. Het verschil tussen beide wordt wel groter bij zieke patiënten, voornamelijk ten gevolge van meer ventilatie/perfusie mismatching, alsook bij diegenen met thoraxaandoeningen, ten gevolge van een slecht mixen van de respiratoire gassen.

Het alveolair gas wordt gemeten aan het einde van de uitademing, de end-tidal CO2 concentratie. Deze is omgekeerd evenredig met de efficiëntie van de alveolaire ventilatie.

Moderne capnografen hebben alarmen die luiden wanneer de end-tidal koolstofdioxide buiten ingestelde limieten treedt.

Een afwijkende capnografie kan een indicatie zijn voor :


Index

Temperatuurmeting



Patiënten kunnen afkoelen ten gevolge van :

Preventieve maatregelen om dit warmteverlies te compenseren dienen aldus genomen te worden : verwarmen van koude vloeistoffen, voornamelijk bloed, bevochtigen en verwarmen van de in te ademen gassen en bedekken van de patiënt. De efficiëntie van deze maatregelen kan worden gecontroleerd door het meten van de temperatuur.

Men kan een temperatuurmeting doen op verschillende plaatsen; de oesophagus (cardiale temperatuur) en de nasopharynx (hersentemperatuur) zijn de belangrijkste. Ook het rectum kan worden gebruikt, afgezien van het onaangename gevoel. Recent ontwikkelede men een infrarood tympaanmembraan thermometer die een goede indicatie geeft van de hersentemperatuur.


Bart Massaer