Niet-invasieve bloeddrukmeting |
|
CPR / Intensieve Zorgen / monitoring / Niet-invasieve bloeddrukmeting Index
De techniek van niet-invasieve bloeddrukmeting werd voor het eerst uitgevoerd door Riva Rocci in 1896. De techniek blijft ook vandaag nog een belangrijk onderdeel uitmaken van het medisch klinisch onderzoek. In 1930 deed de techniek zijn intrede in de anesthesie, op advies van Cushing. Deze noteerde toen nog systolische bloeddrukwaarden tot 335mmHg; vermoedelijk het gevolg van een kleine manchet.
De bloeddruk in de
arteriële bloedvaten wordt opgebouwd dankzij de contractiekracht van
het hart tegen de weerstand van de bloedvaten. Tijdens de
systole of contractie van het linker
ventrikel wordt het bloed in de slagaders gestuwd. De
elasticiteit van deze arteriële zorgt ervoor dat de bruuske drukstijging
wat afgevlakt wordt, tevens zal de systolische druk meer distaal, lager
zijn dan proximaal.
Manuele niet-invasieve bloeddrukmetingVoor de manuele niet-invasieve bloeddrukmeting maak je gebruik van:
De
grote variabiliteit bij de manuele bloeddrukmeting is verwant aan de procedure, de
patiënt en de
onderzoeker. Indien mogelijk neem je daarom volgende maatregelen in acht:
In urgente omstandigheden kan je deze maatregelen uiteraard niet doorvoeren. Wees in dat geval bedacht op het feit dat de bekomen waarde beënvloed is door de omstandigheden en dus minder betrouwbaar als parameter van de hemodynamiek. Bloeddrukmeting met de stethoscoopBij voorkeur blaas je een eerste keer de manchet op tot een waarde van 30mmHg boven het verdwijnen van de arteriële pols. Nadien laat je de manchet leeg, wacht je 30 seconden en blaas je de manchet opnieuw op tot deze vooraf bepaalde waarde. Met deze techniek vermijd je onnodig extreme compressie door de manchet, wat de techniek comfortabeler maakt voor de patiënt. In de praktijk wordt meestal via het peertje de druk in de manchet onmiddellijk opgeblazen tot ongeveer 200 mmHg, afhankelijk van de verwachte bloeddruk. Door deze hoge druk in de manchet zal de arterie volledig gecomprimeerd worden en kan er geen bloed meer stromen naar distaal. Luister je op dit ogenblik met de klok van de stethoscoop ter hoogte van de elleboogplooi, dan zal je geen harttonen waarnemen. De radialispols is op dit ogenblik evenmin palpeerbaar. Laat voorzichtig de druk uit de manchet lopen, aan een snelheid van 2 tot 3 mmHg per seconde. Op een bepaald ogenblik is de druk in de manchet gelijk aan de druk tijdens de systole van het hart. Er passeert opnieuw bloed doorheen de arterie, de radialispols is opnieuw palpeerbaar. Je hoort bovendien met de stethoscoop in de elleboogplooi een eerste geruis, veroorzaakt door turbulentie van het bloed dat doorheen de arterie stroomt. Men spreekt van de eerste Korotkoff toon. Vergewis je van een tweede consecutieve hoorbare toon en lees op de manometer op het ogenblik van de eerste toon de systolische bloeddruk af in mmHg of cmHg. Laat de druk in de bloeddrukmanchet verder zakken. Het geluid van de turbulentie verandert - Korotkoff II en III en dempt gelijdelijk - Korotkoff IV. Op een bepaald ogenblik is de druk in de manchet gelijk aan de druk tijdens de diastole van het hart. Vanaf nu hoor je geen geruis meer, men spreekt van de vijfde Korotkofftoon. Laat de druk nog 10 tot 20mmHg zakken om zeker te zijn dat de tonen verdwenen zijn en lees op de manometer bij de laatst hoorbare toon de diastolische druk af. Nadien kan je snel de druk uit de manchet laten leeglopen. Is het verschil tussen Korotkofftoon IV en V groter dan 10mmHg, noteer dan beide waarden in het medisch dossier. De Korotkofftonen zijn voornamelijk toe te schrijven aan turbulentie in de bloedvaten (turbulentietheorie), mogelijk worden ze ook deels veroorzaakt door de vorming van bellen in het bloed (cavitatietheorie) of door het uitrekken van de arteriële wand. Best wordt de bloeddrukmeting nogmaals herhaald, waarbij de gemiddelde waarde van beide metingen als meetwaarde aanvaard wordt. Bestaat er een verschil groter dan 5mmHg tussen beide meetwaarden, aanvaard dit dan als een fout in de meting. Meet een bloeddruk bij voorkeur met een nauwkeurigheid van 2 mmHg. Hierdoor maak je nog een mogelijke fout van 4 mmHg. Meet je, zoals vaak gebeurd, met een nauwkeurigheid van 5 mmHg, dan maak je een mogelijke fout van 10 mmHg; het effect van een diureticum valt binnen deze grenzen! Bij een shockerige patiënt zijn de Korotkofftonen soms zwak hoorbaar. Je kan de meting vereenvoudigen door de patiënt te vragen om tijdens het opblazen van de manchet de arm omhoog te houden. Laat de arm zakken wanneer de manchet maximaal is opgeblazen en meet de bloeddruk. Eventueel kan je de patiënt ook vragen om tijdens het opblazen van de manchet de vuist te knijpen. De Korotkofftonen kunnen bij specifieke pathologie
aanleiding geven tot diagnostische problemen. Bloeddrukmeting door palpatieBeschik je niet over een stethoscoop, of ben je in een situatie waar de Korotkofftonen met de stethoscoop niet te evalueren zijn, dan kan je de bloeddruk ook meten door de radialispols te palperen. Bij het opblazen van de manchet verdwijnt de radialispols, bij het ontspannen van de manchet voelt men de eerste polsslag, waarop men de systolische druk definieert. Merk op dat met deze techniek de bloeddruk onderschat wordt door de kleinere gevoeligheid van de palperende vingers ten opzichte van de stethoscoop [6]. De diastolische bloeddruk is met deze techniek niet meetbaar. Bloeddrukmeting met DopplersignaalNaast het palperen van de arterie kan je ook gebruik maken van een Dopplertoestel om de pulsaties doorheen de arterie te registreren. Het "Doppler-effect" is de schijnbare verandering in de frequentie van geluid wanneer de geluidsbron beweegt ten opzichte van de waarnemer - te vergelijken met de fluittoon van een trein die varieert in toonhoogte wanneer de trein naderbij komt. Een Dopplerprobe stuurt een signaal uit dat weerkaatst wordt door de onderliggende weefsels. De beweging van de rode bloedcellen in een arterie veroorzaakt een verandering in frequentie van het Dopplersignaal dat geregistreerd wordt door de probe.Omdat een luchtlaag eveneens de geluidsgolf kan weerkaatsen, wordt gebruik gemaakt van een gel tussen de probe en de huid. Het is belangrijk om de probe te positioneren boven de arterie, zodanig dat de geluidsgolf doorheen de wand van de arterie passeert. Het verschil in frequentie tussen het uitgestuurde en het ontvangen geluidssignaal geeft een idee over de perfusie doorheen de arterie. Enkel de systolische bloeddruk kan betrouwbaar gemeten worden met behulp van een Dopplersignaal. Wel is het Dopplertoestel voldoende gevoelig om een adequate bloeddrukmeting te bekomen bij obese en pediatrische patiënten en bij patiënten in shock. Automatische niet-invasieve bloeddrukmeting
Op de kritische diensten is de bloeddrukmeting meestal geautomatiseerd. De techniek berust op een sensor ingebouwd in de cuff van de bloeddrukmeter. Deze sensor registreert de verandering in het patroon van oscillaties die de
arteriële pulsaties veroorzaken bij een opgeblazen cuff. Een microprocessor leidt hieruit de systolische, diatolische en gemiddelde bloeddruk af.
De automatische
bloeddrukmeter maakt ook een onmiddellijke berekening van de Mean
Arterial Pressure, een nuttige parameter voor de evaluatie
van de orgaanperfusie.
Bij de manuele bloeddrukmeting moet je bedacht zijn op volgende vaak voorkomende fouten [1]:
CPR / Intensieve Zorgen / monitoring / Niet-invasieve bloeddrukmeting |
|