Arteria Pulmonalisdruk


Index



Inleiding

Index

Met behulp van een Arteria Pulmonaliskatheter kan je een inschatting maken van de vullingsdrukken van het linker ventrikel, om tenslotte de cardiac output te bepalen en enkele afgeleide hemodynamische en respiratoire parameters te berekenen.
Sinds het invoeren van de arteria pulmonaliskatheterisatie door middel van een Swan Ganz katheter in 1970 [10] is deze techniek een alledaagse routine geworden, althans in grote IZ-eenheden.


Indicaties voor het plaatsen van een pulmonaalkatheter

Index

Inleiding

De pulmonaalkatheter beschikt distaal over een lumen voor het meten van de pulmonaaldruk, over een thermistor voor het meten van het hartdebiet en over een luchtkanaal voor het opblazen van het ballonnetje bij het meten van de wiggedruk. Dit laat toe om berekeningen te maken over de functie van het linker en het rechter ventrikel en over de weerstanden in de kleine en grote circulatie. Met de nieuwere katheters bestaat eveneens de mogelijkheid om de rechter ventrikelejectiefractie en het rechter ventrikelvolume te meten door gebruik te maken van een thermistor met zeer snel antwoord. Tenslotte kan je arteriële bloedstalen afnemen in de longcapillairen en deze vergelijken met de bloedgaswaarden uit een perifere arterie. Dit laat toe om berekeningen te maken van het zuurstoftransport en het zuurstofverbruik. Recente katheters geven via glasvezeltechniek continu de zuurstofsaturatie in de arteria pulmonalis weer op het scherm.

Meer proximaal op de katheter bevindt zich een opening voor het meten van de CVD. Meer recent ontwikkelde men ook Swan-Ganz katheters die via bijkomende kanalen beschikken over elektrodes om atriaal en ventriculair te pacen

De brede mogelijkheden in het gebruik van de Swan-Ganz katheter gaven de laatste decennia aanleiding tot een grote toename in gebruik. Recent wordt de indicatiestelling meer kritisch bekeken. Het is dan ook belangrijk om de voordelen, de foute interpretaties en de gevaren van de pulmonaalkatheter te kennen.

Longembool

Bij de diagnostiek omtrent de pathologie van longembolie is het echocardiogram vaak behulpzaam. Nochtans zal de Swan-Ganz katheter een indicatie geven over de grootte van het embool via de dalign van het hartdebiet en de toename van de pulmonale weerstand. Ook bij thrombolyse zal men op deze manier meestal gunstige evolutie in pulmonaaldruk en hartdebiet kunnen volgen.

Adult Respiratory Distress Syndrome

Bij ARDS kan het noodzakelijk zijn een pulmonaalcatheter te plaatsen indien oligurie optreedt, in geval van hypotensie of bij tachycardie die niet reageert op de klassieke therapie. Ook indien men dient over te gaan op hogere PEEP-drukken of tot inverse ratio ventilatie is het nuttig een Swan-Ganz katheter te plaatsen om te zien welke de invloed hiervan is op het hartdebiet en om eventueel de therapie met inotropica te regelen, om niettegenstaande de hogere ventilatiedrukken toch een voldoende hartdebiet te behouden.

C.A.R.A.

Geventileerde patiënten met C.A.R.A. in de voorgeschiedenis hebben meestal geen behoefte aan Swan-Ganz monitoring. Meestal wordt gevuld op geleide van centraal veneuze druk en/of de RX-thorax. Nochtans indien persisterende oligurie en/of hemodynamische onstabiliteit zich voordoet of indien zoals reeds vermeld weaningsproblemen optreden met vermoeden van linker ventrikeldecompensatie, zal men toch overgaan op het plaatsen van een Swan-Ganz katheter

Acuut myocardinfarct

Ondervind je bij een patiënt met een myocardinfarct een persisterende hemodynamische instabiliteit met onverklaarde tachycardie of oligurie, dan kan je best een centraal veneuze drukmeting uitvoeren. Een cardiogene shock in het algemeen vormt een absolute indicatie voor het meten van de centraal veneuze druk, gezien het titreren van inotropica een monitoring van de centraal veneuze druk vereist. Ontstaat ten gevolge van een myocardinfarct een ernstig hartfalen dan kan je met behulp van de informatie bekomen uit de drukmeting een mitralisinsufficiëntie of een septumperforatie aantonen. Bij een rechter myocardinfarct met cardiogene shock kan je op geleide van de veneuze druk de volume-expansie titreren.

Hartfalen

Bestaat er bij hartfalen twijfel tussen niet-cardiogeen en cardiogeen longoedeem, dan is hemodynamische monitoring aangewezen. Niet-cardiogeen longoedeem treedt immers op bij normale drukken in de longvaten. Ook bij patiënten in oligo- of anurie en bij patiënten die zich moeilijk laten weanen van de ventilator en bij iedere weaningsprocedure decompenseren is een veneuze drukmeting aangewezen.

Harttamponade

Een harttamponnade is in feite geen indicatie meer voor meting van de centraal veneuze druk omdat een echocardiografie hier de diagnose levert. In meer complexe situaties, bijvoorbeeld bij pericardvergroeiingen of bij lokale tamponnades op klonters na hartchirurgie, kan een veneuze drukmeting nog steeds soelaas brengen.

C.A.R.A.

Bij geventileerde patiënten met C.A.R.A. in de voorgeschiedenis wordt meestal gevuld op geleide van centraal veneuze druk en/of de RX-thorax.

Heelkunde

Hartchirurgie

Alleen bij gecompliceerde bypasschirurgie zal men een hemodynamische monitoring uitvoeren. Meestal volstaat centraal veneuze drukmeting. Uiteraard zal men bij hoogrisico patiënten altijd overgaan tot hemodynamische monitoring, bijvoorbeeld bij klepchirurgie. Algemeen kan men stellen dat hoe meer een patiënt gedecompenseerd is, hoe groter de indicatie wordt voor hemodynamische monitoring.

Niet-hartheelkunde

In het algemeen kan men opnieuw stellen dat patiënten met een ernstig cardiaal lijden best gemonitord worden pre- en postoperatief, harde bewijzen ontbreken hierover echter nog. Bij neurochirurgische heelkunde wordt, indien de procedure zittend gebeurt, vaak een Swan-Ganz katheter geplaatst voor detectie van veneuze luchtembolen. Ook elke ingreep waarbij de mogelijkheid bestaat op uitgesproken hemodynamische veranderingen, bijvoorbeeld bij levertransplantatie of uitgebreide debridementen, vindt men een indicatie voor een preoperatieve Swan-Ganz katheter.

Traumatologie

Het probleem van hypovolemie kan eventueel op centraal veneuze druk gevolgd worden. Enkel indien zich geassocieerde problemen voordoen met bijvoorbeeld de diurese of het ontwikkelen van ARDS kan dit een indicatie zijn voor het plaatsen van een Swan-Ganz katheter.

Distributieve shock

Indien de shock niet snel opklaart met vulling en dopamine gaat men meestal over tot het plaatsen van een Swan-Ganz katheter. Uiteraard is de Swan-Ganz katheter zeker geëndiceerd indien geassocieerd hartlijden.

Multipel Orgaanfalen

Bij MOF is er zeker een indicatie voor het plaatsen van een Swan-Ganz katheter. Of hierdoor de situatie verbetert is echter nog niet bewezen.


Plaatsen pulmonaalkatheter

Index

Punctie

De pulmonaalkatheter wordt bij voorkeur ingebracht via de rechter vena jugularis interna met behulp van een gewijzigde Seldinger-techniek. De punctie verloopt analoog aan de punctie voor een centraal veneuze katheter. Na het puncteren van de vena jugularis wordt over de guidewire een dilatator en een beschermhuls geschoven. Doorheen de beschermhuls wordt de pulmonaalkatheter geïntroduceerd, na vooraf de ballon te controleren en de katheter te flushen met fysiologische vloeistof.
De pulmonaalkatheter

Terwijl de katheter is aangesloten op de drukmonitor, schuift je hem ongeveer 15 centimeter doorheen de vena jugularis en de vena cava superior tot in het rechter atrium. Op de drukmonitor merk je een CVD-curve. Blaas de ballon op met 1mL lucht en schuif de katheter verder zodat de ballon met de bloedstroom migreert doorheen het rechter ventrikel tot in de arteria pulmonalis. Monitor de patiënt met het oog op ritmestoornissen en om te controleren of eerst een Ventriculaire drukcurve en nadien een pulmonaalcurve en een wiggedruk op de monitor verschijnen. Minimaal terugtrekken van de katheter laat opnieuw een pulmonaalcurve zien. Het is uitermate belangrijk om, telkens vooraleer de katheter wordt teruggetrokken voor een nieuwe introductiepoging, het ballonnetje leeg te laten. De correcte positionering wordt geverifieerd met behulp van een Rx van de thorax.


Complicaties van de pulmonaalkatheter

Index

Onmiddellijke compliaties van de pulmonaalkatheter

Inleiding onmiddellijke complicaties pulmonaalkatheter

De complicaties bij de punctie en het plaatsen van de pulmonaalkatheter zijn gelijkaardig aan de complicaties van het plaatsen van een centraal veneus infuus.

Ritmestoornissen bij het plaatsen van een pulmonaalkatheter

Bij het inbrengen passeert de katheter kortstondig het rechter ventrikel. Het is uitermate belangrijk om de drukcurven van het rechter ventrikel en de arteria pulmonalis te onderscheiden om ectopische ritmestoornissen te vermijden wanneer de katheter in het rechter ventrikel gepositioneerd zou blijven. Normaal kan je een onderscheid maken aan de hand van het gemiddelde drukverschil: het systolodiastolisch verschil is groter in het rechter ventrikel ten gevolge van de lagere diastolische druk.
Bij een ziek myocard – en dus meestal bij het plaatsen van een pulmonaalkatheter - kan je echter geen onderscheid maken op basis van de gemiddelde drukken. Je moet dan je toevlucht nemen tot de configuratie van de curve. De drukcurve van het rechter ventrikel zal steiler oplopen en ook steiler afnemen ten gevolge van de grotere wandspanning.

Gedurende de passage van de kathetertip doorheen het rechter ventrikel ontstaat bovendien een risico op de ontwikkeling van supraventriculaire en ventriculaire aritmieën of het ontstaan van een rechter of volledig bundeltakblok. De incidentie van aritmieën daalt door de patiënt vanuit de Trendelenburg-positie in rechter zijlig te brengen met het hoofd opwaarts.

Ruptuur van de A. Pulmonalis bij het plaatsen van een pulmonaalkatheter

De meest ernstige complicatie bij het inbrengen van een pulmonaalkatheter is een ruptuur van de arteria pulmonalis, meestal veroorzaakt door overmatig opblazen van de distale ballon. Hypothermie, pulmonaire hypertensie, patiënten onder anticoagulatie, oudere leeftijd en het vrouwelijke geslacht zijn risicofactoren.
Het eerste symptoom van een ruptuur van de pulmonaalarterie is meestal hemoptysis of het ophoesten van rood bloed. De bloeding kan gelocaliseerd worden met behulp van een bronchoscopie; meestal ontstaat de bloeding in de rechter long omdat de pulmonaire katheter naar deze kant migreert. Om de niet-bloedende long te beschermen wordt een dubbellumen tube of een bronchiaal blokker geplaatst. Op de bloedende long maakt men gebruik van suctie en CPAP. Ook met het instellen van PEEP en door inflatie van de ballon van de pulmonaalkatheter kan gepoogd worden om de bloeding te stelpen. Vochtreanimatie en correctie van de stolling zijn uiteraard onontbeerlijk, terwijl bij een aanhoudende bloeding heelkundige oppuntstelling noodzakelijk is. Een ruptuur van een pulmonaalarterie kent een mortaliteit van 50 tot 70%.

Laattijdige complicaties van de pulmonaalkatheter

Bij een langer verblijf van de pulmonaalkatheter bestaat er een risico op obstructie van de arteriële flow met longinfarct, ruptuur van de ballon met gasembolisatie en knoopvorming van de katheter in het rechter ventrikel. Ook endocarditis vormt een belangrijke risicofactor. Tevens moeten we rekening houden met de kans op foutieve diagnoses door misinterpretatie van de meetwaarden.


Meetwaarden pulmonaalkatheter


Pulmonaaldruk

De klassieke Swan-Ganz katheters laten toe om de bloeddruk te meten in de arteria pulmonalis.
Een verhoogde pulmonaaldruk kan het gevolg zijn van een cardiale links-rechtsshunt, van pulmonale hyertensie, COPD en emfyseem, longembolie, longoedeem of linker ventrikelfalen.
De perfusiedruk hangt echter opnieuw af van het debiet; bij acute massieve longembolen zal het hartdebiet dermate dalen dat de pulmonalisdruk slechts matig oploopt. Enkel bij herstel van het hartdebiet zal de pulmonalisdruk dan zeer sterk toenemen, vaak tot meer dan 60 mmHg. De pulmonale hypertensie veroorzaakt een overbelasting van het rechter ventrikel.

Pulmonaal vasculaire weerstanden (PVR)

Een toegenomen weerstand over de pulmonaalvaten veroorzaakt “pulmonale hypertensie” en is het gevolg van longembolen, hypoxische vasoconstrictie of andere pathologie van de longvaten. Sommige farmaca alsook de toediening van zuurstof doen de weerstand in de pulmonaalvaten dan weer dalen.

Pulmonale Capillaire wiggedruk (Pulmonary Capillary Wedge Pressure of PCWP)

Door het opblazen van het ballonnetje aan het eind van de pulmonaalkatheter en aldus de arteriële toevoer vanuit het rechter ventrikel te occluderen, meet je onrechtstreeks de druk in het linker atrium: de pulmonale capillaire wiggedruk (Pulmonary Capillary Wedge Pressure of PCWP) als equivalent van de linker ventrikel einddiastolische druk (LVEDP).
Een hoge PCWP is indicatief voor linker ventrikelfalen of mitraliskleppathologie.

Hartdebiet

Het hartdebiet wordt bepaald met behulp van een thermodilutietechniek: een bepaalde hoeveelheid koude vloeistof wordt geïnjecteerd via het atriale lumen van de pulmonaalkatheter. Ter hoogte van de distale tip registreert de thermistor een dalign in de temperatuur. Uit deze temperatuurcurve wordt door de computer het hartdebiet berekend.

Gemengd veneuze saturatie

Ter hoogte van het distale lumen van de pulmonaalkatheter kunnen bloedstalen genomen worden voor het bepalen van de gemengd veneuze saturatie. Soms wordt deze waarde continu op de monitor weergegeven. Een normale veneuze saturatie bedraagt 60-80%. Wanneer de zuurstoftoevoer ter hoogte van de weefsels ontoereikend is ten opzichte van de aanvoer – laag hartdebiet, lage zuurstofsaturatie of anemie - daalt de gemengd veneuze saturatie.

Overige hemodynamische parameters

Aan het pulmonale uiteinde van de swan-Ganz katheter bevindt zich een thermistor voor de meting van het hartdebiet bepalen door middel van thermodilutie. Met deze waarde kunnen bovendien berekeningen gemaakt worden over de functie van het linker en het rechter ventrikel en over de weerstanden in de kleine en grote circulatie. Tenslotte kan je vanuit de arteria pulmonalis zogenaamde gemengd veneuze bloedstalen afnemen en deze vergelijken met de bloedgaswaarden uit een perifere arterie. Dit laat toe om berekeningen te maken over het zuurstoftransport naar en het zuurstofverbruik van de weefsels.
Via een poortje ter hoogte van het rechter atrium wordt simultaan de centraal veneuze druk gemeten.


Interpretatie van de drukcurve

Index

Pulmonalis Drukcurve

Arteriële drukcurven worden gegenereerd door pulsatiele veranderingen in het linker of rechter ventrikel. Ontstaat de arteriële drukcurve uit het linker <ventrikel dan meten we de systemische bloeddruk, ontstaat de curve uit het rechter ventrikel dan meten we de pulmonale druk. De interpretatie van beide drukcurven is dezelfde.

De interpretatie van de diastole van de pulmonaaldruk kan wel een probleem met zich meebrengen aangezien er net voor de arteriële drukgolf een toegevoegde golf zichtbaar is. Deze golf wordt door sommige auteurs toegeschreven aan de isovolumetrische contractie van het ventrikel. Anderen benoemen deze golf de a-golf, verwijzend naar een atriale oorsprong. Een atriale oorsprong is echter minder waarschijnlijk gezien de toegevoegde golf ook zichtbaar is in afwezigheid van p-toppen op het elektrocardiogram, zoals bij een junctioneel ritme of bij een voorkamerfibrillatie.
De meting van de diastole wordt uitgevoerd zonder rekening te houden met deze presystolische golf. Het einde van de diastole, gemeten aan het einde van het QRS-complex, kan echter in het midden van deze golf belanden. Tracht in dit geval de diastole te extrapoleren doorheen de toegevoegde golf.
Drukcurves tijdens introduceren van de pulmonaalkatheter

Rechter ventrikeldruk versus pulmonaaldruk

Bij het inbrengen van de katheter passeren we kortstondig het rechter ventrikel. Het is uitermate belangrijk om de drukcurven van het rechter ventrikel en de arteria pulmonalis te onderscheiden om ectopische ritmestoornissen te vermijden wanneer de katheter in het rechter ventrikel gepositioneerd blijft.
Normaal kan je een onderscheid maken aan de hand van de drukverschillen: de gemiddelde systolische druk in het rechter ventrikel bedraagt 15 tot 25 mmHg, de diastolische druk bedraagt 0 tot 8 mmHg. De gemiddelde systolische druk in de arteria pulmonalis bedraagt eveneens 15 tot 25 mmHg, de diastolische druk daarentegen bedraagt 8 tot 15 mmHg. Er bestaat voor de druk in het rechter ventrikel dus een groter systolodiastolisch verschil.

In een ziek myocard - en dus meestal bij het plaatsen van een pulmonaalkatheter - kan je echter geen onderscheid maken op basis van de gemiddelde drukken. Je moet dan je toevlucht nemen tot de configuratie van de drukcurve. Aangezien de wandspanning van het rechter ventrikel groter is dan de wandspaning van de arteria pulmonalis, merk je op de drukcurve van het rechter ventrikel een steilere toename en een steilere afname van de druk, terwijl de drukverschillen op de curve van de arteria pulmonalis meer geleidelijk verlopen.


Foutieve interpretatie van de meetwaarden

Index

Bij de interpretatie van de wiggedruk gaan we uit van de veronderstelling dat er een rechtstreekse correlatie bestaat tussen de druk gemeten aan de distale tip van de pulmonaalkatheter en het linker ventriculair einddiastolisch volume. De laatste jaren toonden meerdere auteurs echter aan dat deze correlatie niet bestaat [1], waardoor het routinematig gebruik van de pulmonaalkatheter meermaals onder vuur kwam te liggen.
De relatie tussen PCWP en linker ventriculair eindiastolische volumes wordt voornamelijk gestoord wanneer de ventrikelcompliantie verandert. Dit is het geval bij ischemie van het myocard, bij overvulling van het rechter ventrikel en bij aanwezigheid van pericardvocht. Ook indien het interventriculair septum naar links wordt gedrukt zal de pulmonaire capillaire wiggedruk toenemen. Een toename van de pulmonaire capillaire wiggedruk samen met een dalign van de cardiac output kan worden geënterpreteerd als hartfalen, terwijl het linker ventriculair volume niet is toegenomen doch juist afgenomen ten gevolge van de compressie door het overvulde rechter ventrikel. Deze wisselwerking tussen de ventrikels kan zich voordoen bij acuut respiratoir falen en hoge PEEP-waarden. Om deze complexe situatie te diagnosticeren is een echocardiografie noodzakelijk.
Pulmonalisdrukken en wiggedrukken worden eveneens foutief geïnterpreteerd wanneer de tip van de pulmonaalkatheter migreert. Tenslotte is de relatie tussen de PCWP en het LVEDV afhankelijk van de verschillen in ventilatiemodi en van het al dan niet toepassen van PEEP.


Bart Massaer