|
CPR /
Intensieve
Zorgen /
monitoring /
Zuurbase stoornissen
Tenzij de ROSC zich
vroegtijdig voordoet, gaat een cardiorespiratoir arrest gepaard met belangrijke
stoornissen in het zuurbase-evenwicht. Om de behandeling na de reanimatie te
optimaliseren, is het dus nuttig om de resultaten van een bloedgasanalyse te
interpreteren.
Het zuurbase evenwicht beheerst het cellulair chemisch gebeuren.
Het menselijk organisme produceert dagelijks 15.000 tot 20.000mmol volatiel koolzuur of H2CO3 samen met 1meq H+/kg/dag
niet-volatiele zuren uit het dieet, via de eiwitinname en via het metabolisme.
Om de verschillende biochemische reacties in het lichaam optimaal te laten
verlopen, is er nood aan een milieu waarin zowel de temperatuur als de
zuurtegraad of pH binnen nauwe grenzen
geregeld worden. Deze regulatie is aanwezig dankzij het
bestaan van enkele belangrijke buffersystemen in
het lichaam. Uiteindelijk worden de zuren uitgescheiden via de
ademhaling of de
nieren.
Het zuurbase evenwicht wordt gemakkelijk verstoord bij uitvallen van vitale
functies.
Om in deze gevallen de pH te bepalen, maken we in de kliniek
gebruik van metingen in het bloed of urine. Hierdoor evalueren we per definitie
enkel de extracellulaire component. In het bloedgas wordt de pH
rechtstreeks gemeten, voor de analyse baseren we ons in de praktijk voornamelijk op de
biarbonaatbuffer.
PaO2 of partiële zuurstofspanning
Tijdens de reanimatie is het belangrijk om de
zuurstofvoorziening ter hoogte van de weefsels te herstellen. In het bloedgas
meten we de partiële zuurstofspanning in het arteriële bloed of de PaO2.
Deze
is afhankelijk van de zuurstofspanning in de alveolen van de longen en kan
gecorrigeerd worden door een
vrije
luchtweg te verzekeren, door de
ademhaling te ondersteunen of door de ingeademde
zuurstof te
verhogen. De
arteriële pO2 of PaO2 is steeds lager dan de alveolaire pO2
of PAO2 Dit alveolair-arterieel verschil wordt groter wanneer bij longaandoeningen de
zuurstof moeilijker van de alveolen in het bloed over gaat.
Bij een bloedgasanalyse wordt de PaO2 rechtstreeks gemeten en bedraagt normaal 80 tot 100mmHg. Deze waarde is echter
variabel en staat in verhouding tot de leeftijd. De voorspelde PaO2 kan geschat worden uit de volgende formules:
| 109 - (0.43 x leeftijd) +/- 8 | | 100 - 5mmHg/decade vanaf 10 jaar |
.
Op de leeftijd van 20 jaar komt dit ongeveer overeen met een PaO2
van 95 tot 100mmHg, op 65-jarige leeftijd met een PaO2 van 80mmHg. Merk op dat de definitie van hypoxemie slaat op een te lage zuurstofspanning in het bloed, terwijl hypoxie slaat op zuurstoftekort
in de weefsels. Hypoxemie gaat dus niet noodzakelijk gepaard met hypoxie.
SaO2 of zuurstofsaturatie
De zuurstofsaturatie of SaO2 wordt meestal gemeten met een
saturatiemeter en bedraagt normaal 97 - 98%.
Ze kan ook bepaald worden in het arterieel bloedgas. De zuurstofsaturatie wordt berekend met volgende formule:
Tijdens een reanimatie streef je naar een
zuurstofsaturatie van minstens 92%, met uitzondering van patiënten met COPD in
de voorgeschiedenis waarbij een lagere saturatie kan
getolereerd worden (88 - 89%). Bij een routine bloedgasanalyse is de zuurstofsaturatie een berekende waarde, gebaseerd op veronderstellingen die niet gevalideerd zijn
bij kritisch zieke patiënten. Merk op dat een goede saturatie niet garant staat
voor een adequate ventilatie. De ventilatie - gasuitwisseling in de longen -
wordt beoordeeld aan de hand van de PaCO2.
Oxyhaemoglobine dissociatiecurve
De relatie tussen de zuurstofspanning in het
bloed of PaO2 en de zuurstofsaturatie
van hemoglobine wordt weergegeven in de oxyhaemoglobine dissociatie curve. Deze
curve heeft een sigmoidale vorm. Hierdoor blijft bij een dalign van de
PaO2, de zuurstofsaturatie nog
langere tijd normaal.

Dit komt onder normale omstandigheden overeen met
volgende waarden:
|
PaO2 |
SaO2 |
| 60mmHg | 90% |
| 40mmHg | 75% |
| 26mmHg | 50% |
CaO2 of zuurstof content
het bloed bevat een zuurstofcontent van 20mL / 100cc. De zuurstofcontent kan berekend worden met volgende
formule:
Zuur
Protondonor
of H+-donor
Base
Protonacceptor
of H+-acceptor
[H+] of concentratie aan protonen
De normale concentratie aan protonen in het arteriële plasma bedraagt
40neq/mL = 40 x 10 -9 meq/L
of 40 nmol/L. Vergeleken met de concentraties aan natrium en kalium uitgedrukt
in millimol per liter, is dit zeer laag. De maximale schommeling ligt tussen 20 en 160 nmol/L
wat overeenkomt met een pH van 7.7 en 6.8.
pH
De pH of "Puissance Hydrogëne" wordt bepaald door de relatieve - en niet de absolute - aanwezigheid van zuur en basen zoals blijkt uit de
vergelijking van Henderson-Hasselbalch:
| pH |
= -Log [H+]arterieel bloed |
| |
= pK + log Base/zuur |
|
= pK + Log [HCO3-] / [H2CO3] |
| |
= 6.1 + Log [HCO3-]/PaCO2 x 0.03 |
|
= 6.1 + Log 24mM/L / 1.2mM/L |
|
= 7.35 - 7.45; de interindividuele pH-variatie is voornamelijk toe te schrijven aan variaties in
pCO2 |
| |
Bij een pH kleiner dan 7.35 spreken we van "acidemie",
een pH groter dan 7.45 is een "alkalemie" |
Buffer
Substantie die protonen kan opnemen en afgeven en daardoor pH-variaties in het lichaam mildert.
In het lichaam zijn de belangrijkste buffersystemen het
bicarbonaat, de proteënes, het hemoglobine en het fosfaat. Het bicarbonaat
vormt het belangrijkste buffersysteem.
Acidemie
Een
pH in het bloed lager dan 7.35 noemt men acidemie
Acidose
Een acidose is een abnormaal proces in het lichaam
waardoor de pH verlaagt
Alkalemie
Een
pH in het bloed hoger dan 7.35 noemt men
alkalemie
Alkalose
Een alkalose is een abnormaal proces in het
lichaam waardoor de pH toeneemt
pK
pH waarbij het zuur voor 50% gedissocieerd is. Een buffer kan optimaal
functioneren indien de
pH van de oplossing gelijk is aan de pK van het zwakke zuur. Voor koolzuur bedraagt de pK = 6.1.
paCO2
De PaCO2 weerspiegelt de alveolaire
ventilatie ten opzichte van de metabole CO2-productie en wordt
rechtstreeks gemeten bij een bloedgasanalyse. Normaal bedraagt de PaCO2
33 - 42 mmHg.
Totaal CO2
Het Totale CO2 wordt rechtstreeks gemeten met de auto-analyser. Hou rekening met het feit dat CO2
in anaërobe omstandigheden kan ontsnappen uit het
staal, terwijl in het staal ook CO2 geproduceerd kan worden! Het totaal CO2 kan gelijkgesteld worden met het berekend
bicarbonaat. Merk op dat het veneus CO2 = arterieel CO2 + 3Meq/L.
|
Totaal CO2 |
= opgeloste CO2 + H2CO3 + CO32- + HCO3- |
HCO3- of plasma bicarbonaat
Voor de evaluatie van een acidose baseren we ons meestal op de
bicarbonaatbuffer waar het plasma bicarbonaat of HCO3-
deel van uitmaakt. Het HCO3- bedraagt normaal 24 meq/L.Tenslotte is de bicarbonaatbuffer een open en dus krachtiger systeem waarbij de som van zuur en base kan wisselen
via de hydrolysereactie en door eliminatie
van CO2 in de longen. Bij andere buffersystemen kan alleen de relatieve hoeveelheid van zuur en base veranderen.
Hierdoor is de bicarbonaatbuffer geen zuivere metabole indicator!
Standaard bicarbonaat
Het standaard bicarbonaat bedraagt normaal 23 meq/L en evalueert de niet-respiratoire component van het
bicarbonaat. Men bekomt dit door neutralisatie van het effect van de hydrolysereactie na titratie van het bloed op 37ëC
tot een PaCO2 van 40mmHg bij voldoende PaO2. Het standaard bicarbonaat heeft echter
geen klinische relevantie en vertoont soms een discrepantie met het actueel bicarbonaat.
Bufferbase
De totale capaciteit van het bloed om protonen af te geven of te absorberen noemt men de bufferbase. Deze
is afhankelijk van het totale hemoglobinegehalte en bedraagt 45 tot 50 meq/L.
Base exces of Base-deficit
De base exces is het overschot aan base ten opzichte van de normale buffer base na
correctie van de respiratoire component. Het kan beschouwd worden als equivalent van het
bicarbonaat en bedraagt normaal 0 +/-2 meq/L.
Lactaat
Lactaat is als anion van melkzuur een product van het anaëroob metabolisme. Het is evenwel het proton van
lactaat dat de metabole acidose veroorzaakt. Lactaat is een weinig sensitieve parameter voor metabole acidose.
De normale hoeveelheid lactaat bedraagt 8 tot 17 mg/dL, wanneer de
weefselperfusie ontoereikend is, zal het lactaat in het plasma toenemen. Bepaal het lactaat steeds in het arterieel of gemengd
veneus bloed; bij een perifeer veneuze bepalign veroorzaakt het aanleggen van de
knelband immers een lokale productie van lactaat! Een plasmalactaat hoger dan 20mg/dL gaat gepaard met een toename in de mortaliteit, een lactaatgehalte hoger
dan 70mg/dL gedurende twee uur gaat gepaard met een mortaliteit van 90%.
Anion-gap
Definitie anion-gap
Een aantal plasma-anionen worden niet gemeten door de
routine laboscreening. Hierdoor ontstaat een "anion-gap" berekend als
|
[Na+ + K+] - [Cl- + HCO3-]
= 7 - 15mEq/L | |
Na+ - [Cl- + HCO3-]
= 3 - 11mEq/L |
De anion-gap is een ogenschijnlijke gap, want volgens de wet van de
elektronneutraliteit kan er geen verschil bestaan tussen het aantal
kationen en anionen. De anion-gap ontstaat ten gevolge van het bestaan van
niet-gemeten anionen - albumine, anorganisch fosfaat - en kationen zoals
calcium, magnesium, eiwitten, fosfaat en sulfaat. Deze waarden zijn lager dan de vroegere definities
omat modernere toestellen een hoger chloor registreren.De anion-gap wordt
gebruikt om occulte zuurbase stoornissen te detecteren.
Is de anion gap groter dan 20 dan gaat het bijna steeds om een metabole acidose. Niet elke verhoogde anion gap staat
echter voor een metabole acidose! Is de anion-gap in de eerste week hoger dan
16 meq/L dan is de mortaliteit 50 keer hoger.
Etiologie
verhoogde anion-gap
Een verhoogde anion-gap is het gevolg van een toename
aan niet-gemeten anionen of van een dalign van de niet-gemeten kationen. Hou ook
rekening met een mogelijke labo-fout.
De arteriële punctie
De arteriële punctie gebeurt bij voorkeur in de arteria radialis van de niet-dominante arm na het uitvoeren van een
Allen-test. Alternatief kan je puncteren in de arteria femoralis. Ook kan je een capillaire bloedafname nemen uit
de vingertoppen nadat deze gedurende tien minuten in water verwarmd werden. Enkel bij een goede perfusie bestaat er een correcte
correlatie tussen de pH en het pCO2.
Een volume van 3 tot 4mL is voldoende voor een correcte analyse van het bloedgas.
Neem je het bloedstaal uit de arteriële lijn, dan dient eerst 5 tot 6 keer
het volume aanwezig in de leiding geaspireerd te worden alvorens twee milliliter
bloed af te nemen in de samplespuit. De pH, pO2 en pCO2 kunnen tevens gemonitord worden met behulp van
arteriële on-line metingen. Er bestaat ook een transcutane monitoring van de pO2 en pCO2.
Dilutie
Heparine is een zwak zuur zodat een overmaat aan heparine het in het bloedstaal
een valse acidose veroorzaakt. 1mL arterieel bloed wordt geanticoaguleerd
door 0,05mL heparine met een concentratie van 1/1000 U/ML.
Een arterieel bloedgas wordt meestal afgenomen in een spuit met heparinekorrels om
deze dilutie te vermijden.Het is tevens belangrijk om geen veneus bloed
te mengen bij het arterieel staal: 10% veneus bloed toevoegen aan het arterieel bloedgas veroorzaakt een dalign van de pO2 met 25%. Bijmenging met
vloeistof uit de drukzak veroorzaakt een dalign van de pCO2 en een toename van de pH.
Luchtbel
Menging van het bloedgas met lucht veroorzaakt een een dalign van de pCO2
door diffusie van CO2 naar de luchtbel.
Hierdoor zal de pH stijgen. Omgevingslucht bevat ongeveer
150mmHg zuurstof waardoor bij een arteriële PaO2 hoger
dan 150mmHg zuurstof zal diffunderen van het bloed naar de luchtbel,
terwijl bij een PaO2 lager dan 150mmHg de zuurstof
zal diffunderen van de luchtbel naar het bloedstaal. Luchtbelletjes in de spuit worden daarom zo snel mogelijk verwijderd. Nadien rol je de spuit met het afgenomen bloed gedurende vijf seconden tussen de
handen.
Metabolisme
Stuur de arteriële bloedafname zo snel mogelijk naar het labo. Bij eventuele vertraging wordt het bloed op ijs bewaard. Zonder ijs zet het metabolisme zich
verder met significante veranderingen in een tijdspanne van 20 minuten. De
pCO2 zal toenemen met 5 mmHg per uur terwijl de pH daalt met waarden van 0.05 per uur. Deze
veranderingen zijn nog meer uitgesproken in geval van leucocytose en bij leucemie.
Wordt het bloedstaal op ijs bewaard, dan valt de temperatuur snel op 4ëC
met minimale veranderingen over verscheidene uren wegens de onderdrukking van
het intracellulair metabolisme. Praktisch is het niet nodig om ijskoeling
toe te passen bij een leukocytenconcentratie kleiner dan 30.000/mm3
en indien de bepalign binnen de twintig minuten kan gebeuren.
Temperatuurcorrectie
Een bloedgasanalyse gebeurt steeds onder BTPS-condities waarbij het bloed opgewarmd wordt tot 37ëC. De bloedgaswaarden zijn immers afhankelijk van
de temperatuur. Per graad Celsius stijgt de pO2 met 5 mmHg en stijgt de pCO2 met 5%. De
pH zal dalen met 0.03 per 2ëC.
De normaalwaarden en fysiologische behoeften bij een afwijkende lichaamstemperatuur zijn eigenlijk niet zo goed gekend.
Glazen spuiten
Theoretisch zijn glazen spuiten superieur op
plastieken spuiten gezien door het plastiek de zuurstof- en CO2-moleculen
kunnen diffunderen. Praktisch speelt dit echter enkel een rol bij hoge pO2
en pCO2-waarden.
Accuraatheid
Aangezien een bloedgasanalyse aanleiding geeft tot vitale beslissingen, is het noodzakelijk om bij de interpretatie van de waarden steeds de accuraatheid
van de resultaten na te gaan. De pH en de pCO2 worden bij de analyse rechtstreeks gemeten. Uit deze waarden
wordt, via de Henderson-Hasselbach vergelijking, het
bicarbonaat bepaald. De accuraatheid van het
bicarbonaat kan nagegaan worden door vergelijking met het totaal CO2 dat meestal uit veneus
bloed rechtstreeks bepaald kan worden. Merk wel op dat, door de chloridenshift, het veneuze bicarbonaat meestal 3meq hoger ligt dan het arteriële.
Dus enkel bij een verschil groter dan 5meq/L moet je denken aan een foute labo-analyse. Het arterieel en veneuze staal worden bij deze controle
snel opeenvolgend afgenomen.
Vergelijk de bekomen resultaten ook steeds met de klinische toestand van de patiënt. Zo kan de PaO2 nooit groter
zijn dan 130 mmHg bij kamerlucht terwijl de totaalwaarde ook nooit groter is dan 5x de FiO2.
Interne consistentie
Om de interne consistentie van het arterieel bloedgas te evalueren, beschouw je het verband tussen de pH en de acute
pCO2-veranderingen. Enkele vuistregels:
| Acute dalign pCO2 met 1mmHg | Toename van de pH met 0.01 |
| Acute dalign pCO2 met 10mmHg | Toename van de pH met 0.1 |
| Acute stijging pCO2 met 1mmHg | Toename van de pH met 0.006 |
| Acute stijging pCO2 met 10mmHg | Toename van de pH met 0.06 |
Bij deze regel moet in de pH-waarden steeds een afwijking van 0.03 getolereerd worden.
De kliniek van zuurbasestoornissen wordt uiteraard voornamelijk bepaald door het onderliggend lijden. Wel treden volgende
symptomen op bij volgende pH-waarden:
| pH >7.8 |
|
| pH 7.4 - 7.8 | |
| pH 7.4 |
|
| pH 6.8 - 7.4 | |
Inleiding regulatie
zuurbase systemen
Niettegenstaande ons lichaam
tijdens verschillende metabole processen protonen produceert, zal onder normale
omstandigheden de pH van het lichaam opmerkelijk constant
blijven. Dit is het gevolg van de verschillende buffersystemen die de protonen
bufferen in afwachting van uitscheiding ervan door de
nieren en de
ademhaling.
Bij een primaire zuurbase
stoornis shift de pH weg van de normale waarde als
resultaat van een ziekte of abnormale fysiologische respons. De secundaire
afwijking zorgt ervoor dat de pH terug shift naar de
normale waarde als poging tot compensatie van de primaire stoornis. Deze
compensatie is meestal echter onvolledig en de pH is zelden
normaal.
Hydrolysereactie
Door een verschuiving naar links of naar rechts in de hydrolysereactie:
|
H2O + CO2 <-> H2CO3 <-> HCO3-
|
zal bij een bij een verandering in de protonconcentratie of in de PaCO2 onmiddellijk
een nieuw evenwicht ontstaan door.
Chemische buffer
De zuren die het lichaam produceert, worden aanvankelijk gebufferd door enkele belangrijke buffersystemen:
- Extracellulaire buffers
- Plasma bicarbonaat
- Plasma eiwitten
- Anorganische fosfaten
- Intracellulaire buffersystemen
- Bicarbonaat
- Hemoglobine
- Oxyhemoglobine
- Anorganische fosfaten
- Organische fosfaten
|
Bicarbonaatbuffer
In de praktijk baseren we ons
voornamelijk op de bicarbonaatbuffer voor de evaluatie van het zuurbase
evenwicht. Deze is immers handig te meten en met 50% van de totale
buffercapaciteit kwantitatief de belangrijkste. De bicarbonaatbuffer wordt
gereguleerd door een afzonderlijke metabole en respiratoire component.
Respiratoire
correctie
Uit de vergelijking van Henderson-Hasselbalch is het duidelijk dat een toename
van de PaO2 aanleiding geeft tot een
dalign van de pH, terwijl een dalign van de
PaO2 een toename van de
pH
veroorzaakt. Het respiratoir stelsel is dus in staat om een zuurbase stoornis te
corrigeren.
Bij een acidose worden de perifere en centrale chemoreceptoren geprikkeld met
verhoging van het adem minuutvolume. De PaCO2
zal onmiddellijk dalen met een correctie van de zure pH tot
gevolg. Door de laattijdige diffusie van de protonen in het cerebrospinaal vocht
zal deze aanpassing echter pas maximaal zijn na 12 tot 24 uur. Na
correctie van de acidose zal om dezelfde reden de hyperventilatie ook langer
persisteren.
Bij een lactaatacidose is er een lokale productie van protonen ter hoogte
van het ademhalingscentrum en verloopt de aanpassing sneller.
Renale correctie
De nieren corrigeren een zuurbase stoornis door het reguleren van de
uitscheiding van protonen ten opzichte van
bicarbonaat. Via de nieren wordt dagelijks 70meq
niet-volatiele zuren uitgescheiden. Bovendien kan deze excretie nog aangepast
worden bij hogere behoefte, zo kan bij een diabetische ketoacidose tot
2000meq/dag aan zuren uitgescheiden worden. Ook bij primair
respiratoire acidosen kunnen de nieren voor een metabole correctie zorgen.
Een stijging van de
PaCO2 heeft een rechtstreekse invloed op de
proximale tubulus met verlaging van de drempel voor bicarbonaatreabsorptie en
toename van de chloorreabsorptie. Dit zorgt in de distale tubulus voor
uitwisseling van natrium voor kalium of protonen. De renale correctie van een
respiratoire acidose gebeurt traag over vijf
tot zeven dagen.
Elektrolytenshifts
Bij een overmaat aan protonen in het plasma worden deze uitgewisseld met het
intracellulaire kalium. Dit gebeurt met behulp van de Natrium/H+-pomp
na stimulatie door insuline en door middel van de Natrium/Kalium-atp-ase-pomp na
stimulatie door
β-agonisten. Hierdoor kunnen zuurbase stoornissen gepaard gaan met
belangrijke
elektrolytenstoornissen.
Doorloop bij de afname en interpretatie van een arterieel bloedgas steeds volgende stappen:
- Inschatten van de oxygenatie: Is de patiënt hypoxisch? Bestaat er een
belangrijke alveolaire-arteriële zuurstofgradiënt?
- Wat is de pH? pH > 7.45
betekent alkalemie, pH < 7.35
betekent acidemie
- Hoe staat het met de respiratoire component? Is de PaCO2
normaal? Een PaCO2 > 45mmHg staat
gelijk met een respiratoire acidose of
een respiratoire compensatie
van een metabole alkalose.
- Hoe staat het met de metabole component? Is het
bicarbonaat normaal? Een bicarbonaat lager
dan 22 mmol/L staat gelijk met een
metabole acidose of een
metabole compensatie
van een respiratoire alkalose. Een
bicarbonaat hoger dan 26 mmol/L staat
gelijk met een metabole alkalose of een
metabole compensatie
van een respiratoire acidose.
- Combineer de voorgaande informatie om uit te maken om welke zuurbase
stoornis het gaat. Heb je te maken met een acidemie,
dan zal een hoge PaCO2 staan voor een
respiratoire acidose, terwijl een lage PaCO2
een metabole acidose met
respiratoire compensatie
weerspiegelt. Bij een alkalemie met lage PaCO2
denk je aan een primaire respiratoire
alkalose. Een hoge PaCO2 impliceert
hierbij een respiratoire
compensatie van een metabole alkalose.
Een enkelvoudige zuurbase stoornis is een primaire unidirectionele
verandering van de respiratoire of metabole component met een compensatoire en
te voorspellen respons door de andere component. De meeste zuurbase stoornissen
zijn enkelvoudig en worden ingedeeld in:
Zijn er meerdere zuurbase stoornissen tegelijk aanwezig, dan spreken we van gemengde of meervoudige zuurbase stoornissen.
In dit geval zijn de pH, de PaCO2
en het bicarbonaat onvoorspelbaar. Enkele voorbeelden:
Definitie respiratoire acidose
Een respiratoire acidose wordt gedefinieerd als een primaire CO2-retentie door onvoldoende
respiratoire excretie en/of door een toegenomen productie.
Op het arterieel bloedgas merken we een PaCO2
hoger dan 40mmHg en pH kleiner dan 7.35.
Etiologie respiratoire acidose
De etiologie van een respiratoire acidose is meestal
extrapulmonair:
- Depressie van het centraal zenuwstelsel
- Neuromusculaire aandoeningen
- Thoraxwandafwijkingen
- Longziekten
- Kunstmatige ventilatie
- Overproductie van CO2
Compensatie bij respiratoire acidose
Acute compensatie respiratoire acidose
Acuut zal via de hydrolysereactie per stijging van het
PaCO2 met 10mmHg zal het bicarbonaat toenemen met
1meq/L. Hierdoor blijft de pH-verandering relatief beperkt. Ook niet-bicarbonaat buffers
spelen hierbij een rol.
Chronische compensatie respiratoire acidose
Blijft de respiratoire acidose bestaan gedurende langere tijd, dan zal ter hoogte van de nier de
bicarbonaatreabsorptie toenemen, samen met een verhoogde bicarbonaatregeneratie, een toegenomen ammoniakproductie en
een toegenomen chloorexcretie.
Uiteindelijk stijgt het bicarbonaat met 3.5meq/L per toename van het
PaCO2 met 10mmHg. Deze compensatie is dus efficiënter dan de
acute compensatie.
Het bicarbonaat bereikt na een latentietijd een
maximum van 30meq/L bij een acute en 45meq/L bij een chronische
respiratoire acidose.Elektrolytenstoornissen
Een respiratoire acidose gaat vaak ook gepaard met enkele elektrolytenstoornissen:
-
Hyperkaliëmie ontstaat ten gevolge van de shift
van protonen naar intracellulair en de uitwisseling met Kalium om de elektroneutraliteit te bewaren.
-
Hypochloremie is het gevolg van de excretie van chloor
en ammoniumchloride
-
Hyperfosfatemie ontstaat door de inhibitie van de glycolyse
bij acidose
Behandeling respiratoire acidose
De behandeling van een respiratoire acidose is in eerste instantie etiologisch. Geef extra
zuurstof zo nodig en start
kunstmatige ventilatie bij een
pH lager dan 7.2 of volgens de kliniek.
Er is geen indicatie voor de toediening van bicarbonaat.
Blijft de respiratoire acidose bestaan na het opstarten van
kunstmatige ventilatie, pas dan de
ventilator aan volgens deze formule:
| Nieuwe frequentie = oude frequentie x actuele PaCO2 /
gewenste PaCO2 |
Definitie respiratoire alkalose
Een respiratoire alkalose is een primaire hyperventilatie met een gedaald PaCO2
lager dan 33mmHg. Secundair hieraan stijgt de
pH tot meer dan 7.45.
Etiologie respiratoire
alkalose
- Angst en stresstoestanden
- Aandoeningen van het centraal zenuwstelsel: CVA, tumoren,
encefalitis,...
- Sepsis en koorts
- Hitteslag
- Shock en hypotensie veroorzaken een gedaalde longperfusie met relatieve hyperventilatie bij een normaal ademminuutvolume. Aldus
ontstaat een arteriële respiratoire alkalose met een hoog veneus CO2 en een respiratoire acidose
in de weefsels
- Hypoxie met reflectoire hyperventilatie, restrictieve longaandoeningen,
kunstmatige ventilatie
- Zwangerschap, progesteron
- Leverinsufficiëntie
- Salicylaten of analeptica geven vaak een combinatie van een metabole acidose en een respiratoire alkalose
door stimulatie van ademhalingscentrum
- Te snelle correctie van een metabole acidose geeft correctie van de acidose
in het plasma terwijl centraal de acidemie nog blijft voortbestaan, met een hyperventilatie tot gevolg
- Langdurige mechanische ventilatie gaat aanvankelijk gepaard met een dalign van de PaCO2 en een dalign van het
bicarbonaat. Indien plots de
ventilatie gestaakt wordt ontstaat een acute posthypercapnische acidemie met mogelijks
hemodynamische instabiliteit en collaps. Ook bij CARA-patiënten kan door een snelle correctie van de
pCO2
Compensatie respiratoire alkalose
Acute compensatie respiratoire alkalose
Via de stoichometrie zal per dalign van het PaCO2 met 10mmHg het bicarbonaat dalen met 2meq/L. De
hyperventilatie is meestal zelflimiterend, gezien bij een sterke dalign van de PaCO2 het ademhalingscentrum
geënhibeerd wordt. Het bicarbonaat daalt acuut tot minimaal 18meq/L en
chronisch tot 15meq/L na een latentietijd. De compensatie is meestal
bijna volledig.Chronische compensatie
Een respiratoire alkalose is de best gecompenseerde zuurbase stoornis, met een maximale compensatie na 7 tot 9 dagen. Per dalign van de
PaCO2 met 10mmHg zal het bicarbonaat dalen met 5meq/L.
Elektrolytenstoornissen
-
Hypokaliëmie ontstaat door de shift van protonen van intracellulair naar
extracellulair waardoor het kalium extracellulair zal dalen om de elektroneutraliteit te bewaren
-
Hyperchloremie ontstaat door een shift van het chloor naar extracellulair. De toename
is ook omgekeerd evenredig met het gedaalde
bicarbonaat
-
Hypofosfatemie ontstaat door stimulatie van de glycolyse
Behandeling respiratoire alkalose
De behandeling van een respiratoire alkalose is overwegend etiologisch.
Definitie metabole acidose
Een metabole acidose is een primaire dalign van het bicarbonaat
tot minder dan 21meq/L met dalign van de pH tot
minder dan 7.35. Bepaal bij een metabole acidose eveneens de urinaire pH. Deze zal kleiner zijn dan 5.8. Bij een urinaire pH groter dan 5.8
bestaat er een renaal probleem zoals een renale tubulaire acidose dewelke de acidose onderhoudt.
Merk tevens op dat de absolute waarde van het bicarbonaat
niet overeenkomt met de ernst van de acidose.
Etiologie metabole acidose
Een metabole acidose wordt vaak ingedeeld volgens de anion gap. In de praktijk bestaat er echter vaak overlap.
- Metabole acidose met normale anion gap en
dus hyperchloremie
: USED en CARB
- Uretero-enterostomie
- Small bowel fistula: gastro-intestinale acidose ten gevolge van diarree of pancreas-galfistels
- Extra chloride
- Diarree
- Carbo-anhydraseremmers
- Adrenal insufficiency
- Renale tubulaire acidose
- Pancreasfistels
- Metabole acidose met verhoogde anion gap:
Dr. MAPLES
- Diabetes en vasten veroorzaken een metabole acidose
met verhoogde anion gap door generatie van
ketolichamen; dit zijn anionen
- Renal failure: bij nierinsufficiëntie ontstaat een metabole acidose vanaf
een klaring kleiner dan 25mL/min ten gevolge van het renaal
verlies van bicarbonaat of door neogenese van
NH4+. Tevens zal de retentie van organische zuren
en de retentie van anionen door de gedaalde glomerulaire filtratie een
metabole acidose teweeg brengen
- Methanol-intoxicatie
- Alcoholische ketoacidose
- Paraldehyde
- Lactaatacidose: lactaat, het anion van melkzuur,
veroorzaakt een metabole acidose.
De lactaatacidose is trouwens de meest frequente oorzaak van acidose op
intensieve zorgen. Merk op dat enkel lactaat metaboliseert tot
bicarbonaat met een metabole alkalose tot gevolg.
Lactaat is de precursor van leverglycogeen; bij diabetes veroorzaakt
lactaat een hyperglycemie. De meting van lactaat is enkel zinvol in een
arterieel of gemengd veneus staal; zoniet meet je eerder de lokale
productie van lactaat ten gevolge van de knelband. Didactisch wordt een
lactaatacidose ingedeeld in
- Type A lactaatacidose bij een onevenwicht tussen zuurstofaanbod en
zuurstofbehoefte
- Type B lactaatacidose bij een niet-hypoxische oorzaak, bijvoorbeeld
ten gevolge van sepsis, leverfalen of CO-intoxicatie
- Ethyleenglycol
- Salicylaatintoxicatie
Compensatie metabole acidose
Acute compensatie
metabole acidose
Door stimulatie van de perifere chemoreceptoren en het ademhalingscentrum zal de PaCO2 dalen terwijl de
pO2 eventueel toeneemt. De dalign van de PaCO2 zal een verdere dalign van de
pH beperken, terwijl het bicarbonaat initieel verder daalt.
Deze compensatie is slechts maximaal na 12 tot 24 uur en kan maximaal een dalign van de PaCO2 teweeg
brengen van 10mmHg. Nadien ontstaat een uitputting van de ademhalingsspieren met toename van de acidemie.
Bij een primaire lactaatacidose verloopt de compensatie eventueel sneller.
Elektrolytenstoornissen bij metabole acidose
-
Hyperkaliëmie ontstaat door shift van
de protonen naar intracellulair
met uitwisseling voor kalium om de elektroneutraliteit te bewaren. Per dalign van de pH met 0.1 stijgt het kalium met
0.6 tot 0.9 meq/L. Hyperkaliëmie komt frequent voor bij
- Hyperchloremische metabole acidose
- Diabetes of behandeling met β-blokkers
- Hypoaldosteronisme
- Voorafbestaande nierinsufficientie
Een laag bicarbonaat in combinatie met een hoog kalium moet dus
doen denken aan een metabole acidose. Gaat een acidose gepaard met een
hypokaliemie dan
is het kaliumdeficit zeer groot! Correctie van de acidemie kan hierbij aanleiding geven tot een levensbedreigende
hypokaliemie.
-
Hyperfosfatemie ontstaat door inhibitie van de glycolyse ten gevolge van de
zure pH.
Behandeling metabole acidose
Natriumbicarbonaat
De behandeling met
natriumbicarbonaat is enkel geëndiceerd bij een pH lager
dan 7.10 - 7.15 met actieve
etiologie. Stop de toediening van natriumbicarbonaat zodra de
pH hoger is dan 7.10.
Trishydromethylaminomethaan of Tham-acetaat
Tham-acetaat bindt protonen en reduceert aldus de
acidose. Slechts 75% van het product kan echter protonen binden waardoor
de volumeload en osmolaire load veel groter is dan bij gebruik van
natriumbicarbonaat. Het voordeel van gebruik
van Tham-acetaat is de beperkte CO2-productie.
Bicarbonaatprecursoren
Acetaat, citraat en lactaat zijn
bicarbonaatprecursoren die enkel chronisch oraal gebruikt kunnen worden.
Definitie metabole alkalose
Een metabole alkalose is een primaire toename
van het bicarbonaat tot meer dan 29meq/L en een
toename van de pH tot hoger dan 7.45.
Bepaal bij een metabole alkalose eveneens het urinair chloor om te evalueren of
de alkalose al dan niet chloorgevoelig is. Bij een urinair chloor lager dan
20meq/L is de alkalose chloorgevoelig. De urinaire pH is
in principe hoog door de lage bicarbonaatexcretie. Bij een normale of zure
urinaire pH is er een renale stoornis die de metabole alkalose
onderhoudt.
Etiologie
metabole alkalose
Een metabole alkalose is meestel iatrogeen
veroorzaakt:
- Langdurig braken en suctie van maaginhoud met
verlies van protonen. Maagsap bevat immers de sterke zuren HCl (100meq/l ), NaCl en KCl.
-
Diuretica met meer urinair verlies van NaCl en H2O
dan bicarbonaat
-
Volumecontractie
-
Lymfedrainage en intraveneuze toediening van
proteënes
-
Massieve bloedtransfusie. Gestockeerd bloed is zuur,
een massieve transfusie zal dus aanvankelijk een
metabole acidose veroorzaken. Een eenheid bloed bevat echter ook
natriumcitraat, dat in de lever gemetaboliseerd wordt tot natriumbicarbonaat.
-
Hypokaliëmie
met tubulaire uitwisseling van protonen in plaats van kalium
-
Acute correctie van de ventilatie na hypercapnie.
Chronische CO2-retentie veroorzaakt regeneratie en reabsorptie van
bicarbonaat. Bij een plotse correctie van de
ventilatie is er een overschot aan
bicarbonaat.
Compensatie metabole alkalose
Acute compensatie metabole alkalose
Initieel zal door de oplopende pH
het ademhalingscentrum geënhibeerd worden. Dit veroorzaakt een toename van de
pCO2 tot een maximum van 60mmHg met correctie van de pH doch
tevens een verder
oplopen van het bicarbonaat.
Chronische compensatie
metabole alkalose
De chronische compensatie van een metabole acidose is
beperkt en niet constant. Uiteindelijk blijft de pCO2 lager
dan verwacht (minder dan 55mmHg) omdat het lichaam een alkalose verkiest
boven hypoxie.
Elektrolytenstoornissen bij metabole alkalose
-
Hypokaliëmie door uitwisseling van protonen voor kalium intracellulair
- Hypochloremie ten gevolge van de reciproque
toename van bicarbonaat
- Hypofosfatemie door stimulatie van de glycolyse
CPR /
Intensieve
Zorgen /
monitoring /
Zuurbase stoornissen
|