Acuut coronair lijden |
|
CPR / Oorzaken / Acuut Coronair Lijden Index
Elk jaar worden miljoenen patiënten over
de hele wereld op de spoedopname geëvalueerd met betrekking tot
thoracale pijn. Van deze patiënten zal de helft een diagnose krijgen
van een acuut coronair lijden [21].
Ischemisch hartlijden is meteen wereldwijd de belangrijkste
doodsoorzaak [1], gelukkig lijkt de incidentie in de
West-Europese landen te dalen [58]. Meer dan 60% van de patiënten met
coronair lijden overlijdt aan een plotse hartstilstand
[1]. Op een populatie van 100.000 inwoners zal
men jaarlijks 50 tot 66 personen moeten reanimeren omwille van
een plotse hartstilstand ten
gevolge van ischemisch hartlijden [53]. Een vroege diagnose en het snel instellen van de behandeling vermindert de moraliteit, beperkt de infarctgrootte, verbetert de regionale en globale linker ventriculaire functie en vermindert de incidentie van complicerend hartfalen (21).
De vernauwing van de kransslagaders komt in eerste instantie vaak tot uiting wanneer het hart meer zuurstof verbruikt en dus afhankelijk is van een grotere zuurstoftoevoer, bijvoorbeeld tijdens een fysieke inspanning. Het slachtoffer klaagt dan van voorbijgaande doffe pijn of druk op de borst of symptomen van angor pectoris. De symptomen verdwijnen wanneer de inspanning gestaakt wordt, er ontstaat hierbij geen permanente schade aan de hartspier. Bij een verdere vernauwing tot volledige obstructie van de kransslagader ontstaat eventueel wel een ernstig en blijvend letsel aan de hartspier met een blijvende pijn of druk op de borst, nu spreken we van een hartinfarct. Het hele proces van atherosclerose of vaatverkalking doet zich niet enkel voor ter hoogte van de kransslagaders. Ook de halsslagaders of carotiden en de bloedvaten die de bloedvoorziening naar de benen verzorgen, kunnen slachtoffer zijn van aderverkalking. In het eerste geval ontstaan symptomen van Transiënt Ischemic Attacks (TIAës) of beroerte, in het tweede geval ontstaat intermittente pijn bij het stappen wat men claudicatio noemt. De plaque
Een coronair syndroom ontstaat meestal nadat zich in de plaque een bloeding voordoet. Hierdoor zwelt de plaque en wordt het lumen van het bloedvat nauwer. De bloedvatwand reageert door samen te trekken, het lumen van het vat verkleint nog verder. En tenslotte zal een bloedklonter of thrombus zich vastzetten op het oppervlak van de plaque met een gedeeltelijke of volledige obstructie tot gevolg. ë ë ë
Na de tweede wereldoorlog werd op grote schaal een studie opgezet;
de Framingham Heart Study. In deze studie onderzochten
wetenschappers in 1948 een groot aantal inwoners van het dorp
Framingham in Massachusetts en tot op heden worden de deelnemers van
dit grootschalig onderzoek gevolgd. Een coronaire risicofactor is een conditie geassocieerd met een
verhoogd risico op het ontwikkelen van een hartaandoening. Deze
associatie is bijna altijd statistisch, het feit dat een bepaald
individu een bepaalde risicofactor vertoont vergroot enkel maar zijn
kans op een hartaandoening zonder hieromtrent zekerheid te bieden.
Daarentegen is het feit dat een individu vrij is van risicofactoren
geen absolute voorwaarde om van elke vorm van hartaandoeningen
gespaard te blijven. Men kan het cardiovasculair risico nu kwantitatief bepalen, gebruik makend van data uit verscheidene epidemiologische studies en rekening houdend met de verschillende risicofactoren. Men berekent uit de gegevens het risico dat een individu loopt om binnen een bepaalde termijn een hartaanval te ondergaan. Het wordt met deze benadering meteen duidelijk dat de verschillende risicofactoren het risico niet enkel additief vergroten doch vermoedelijk multiplicatief. Men kan het risico op een hartaandoening dus niet beoordelen aan de hand van de aan- of afwezigheid van ëën enkele risicofactor. Dichotome risicofactoren
Niet-dichotome risicofactoren
Voorkomen is beter dan genezen...
Onmiddellijke reanimatie
bij een slachtoffer met een plotse
hartstilstand kan de overlevingskansen verbeteren, beter nog is
het voorkomen van de
plotse
hartstilstand. In heel wat gevallen wordt de plotse
hartstilstand uitgelokt door een onderliggend coronair lijden, we
spreken van een acuut coronair syndroom. Hartstilstand
en hartinfarct zijn hierbij meestal de laatste fase van een
aandoening van de bloedvaten, welke zich ontwikkelt over een periode
van tientallen jaren. De snelheid van ontwikkelen van deze ziekte is
zeer belangrijk in het voorspellen van het ogenblik waarop men een
hartinfarct kan doormaken. Deze snelle evolutie kan men enigszins
afremmen door het aanpassen van bijzondere gedragingen, welke men risicofactoren noemt. Het beperken en controleren van deze risicofactoren kan worden bereikt door het aanleren van een positief gezondheidsgedrag en gezonde attitudes bij de jongeren. Significante wijziging in de risicofactoren kan men bekomen door lichamelijke inspanning, rookstop, dieetmaatregelen, behandeling en controleren van hypertensie alsook door het gebruik van statines, anticoagulantia, antiaggregantia, ACE-inhibitoren, aspirines en bëta-blokkers. Efficiënte strategieën om de dood na een succesvolle reanimatie uit te stellen omvatten het gebruik van amiodarone of de implanteerbare cardioversie-defibrillatoren. Ischemische preconditionering bij coronair lijdenIndien men experimenteel het myocard
onderwerpt aan korte episodes van ischemie, dan wordt het hart meer
resistent tegen ischemische schade. Deze ischemische
preconditionering is gebonden aan de activatie van
ATP-gemedieerde kaliumkanalen ter hoogte van het sarcolemma en de
mitochondriale membraan van de cardiomyocyten. Hyperglycemie en het cardiovasculair risicoBij de oudere populatie komt diabetes, een
belangrijke risicofactor voor het
ontwikkelen van coronair lijden, meer en meer voor. Diabetes
voorspelt op belangrijke wijze de cardiovasculaire morbiditeit en
mortaliteit. Studies toonden reeds uitvoerig aan dat de mortaliteit
na een acuut myocardinfarct drastisch toeneemt indien de
glycemiewaarden op het ogenblik van opname verhoogd zijn [8]. Er
blijkt een lineaire correlatie te bestaan tussen de glycemiewaarden
en de mortaliteit op lange termijn. Zelfs een nuchtere glycemiewaarde
van slechts 110 mg/dL geeft aanleiding tot een verhoogd
cardiovasculair risico. Omwille van deze resultaten werd de definitie
van diabetes zelfs gewijzigd. Ook sulfonylurea worden frequent gebruikt om de bloedsuikerspiegel te verlagen. Sulfonylurea werken op de ATP gemedieerde kaliumkanalen in de pancreatische eilandcellen. Sluiten van deze kaliumkanalen veroorzaakt insulinerelease. De ATP-gemedieerde kaliumkanalen zijn echter ook aanwezig in het sarcolemma en in de mitochondriale membranen van de cardiomyocyten. Activatie van deze kanalen beschermt het hart tegen ischemische schade volgens het principe van ischemische preconditionering. Orale sulfonylurea blokkeren net dit proces en zijn dus niet aangewezen ter controle van de glycemie bij at-risk patiënten. Acute en chronische hyperglycemie vergroten de ernst van ischemie via verschillende mechanismen. De endogene signaaltransductie is verstoord bij hyperglycemie, het antwoord op niveau van de microcirculatie is gestoord en er ontstaat endotheliale disfunctie door verhogen van zuurstofradicalen en verminderen van de beschikbaarheid van NO. Bovendien vermindert de coronaire bloedvoorziening door een inhibitie van het groeien van collateralen. Tenslotte wordt diabetes geassocieerd met een abnormale myocardiale contractie en relaxatie. Hypertensie en coronair lijdenHoge bloeddruk
of hypertensie is een gekende risicofactor voor het ontwikkelen van
coronair lijden. HIV infectieRecent klinisch onderzoek suggereert dat
ook het Humaan Immunodeficiëntie Virus (H.I.V.)
bijdraagt in het ontstaan van ahterosclerose en dit onarhankelijk van
de andere coronaire risicofactoren. De
associatie van HIV, voornamelijk de gevorderde infectie, met het
cardiovasculair lijden wordt in toenemende mate erkend en is
kenmerkend voor een slechte prognose [2]. Gezien
de langere levensduur van HIV patiënten ten gevolge van meer
effectieve behandelingen neemt de prevalentie van significant
cardiovasculair lijden bij HIV-patiënten toe. Zelfs relatief jonge
patiënten hebben een verhoogd risico op coronair lijden. Medicamenteuze preventieBëta-lytica verlagen in de setting van myocardinfarct bij diabetici het risico van overlijden met 35%, een reductie groter dan bij niet-diabetici. Het niet-gewaarworden van de alarmsymptomen van een hypoglycemische insult ten gevolge van de bëtablokkade lijkt in de klinische praktijk geen ernstige gevolgen te hebben. Ook HMG-CoA reductase inhibitoren en ACE-inhibitoren zorgen voor de primaire en secundaire preventie in deze setting. HMG-CoA reductase inhibitoren verbeteren tevens de productie van NO, verminderen de oxidatieve stress, onderdrukken de inflammatoire responsen, verbeteren de angiogenese en verminderen de reperfusieschadeë
Een snelle herkenning en aanpak van het probleem is de belangrijkste stap in de beperking van de infarctgrootte. De onmiddellijke omstanders alsook het slachtoffer zelf miskennen vaak de eerste symptomen van een acuut coronair lijden waardoor een vroege alarmering nogal eens wordt uitgesteld. Risicopatiënten en hun familieleden moeten de eerste symptomen van een infarct dus leren herkennen. Daarbij moeten zij het nut inzien van een snelle alarmering van de hulpdiensten en best beheersen zij de technieken van Basic Life Support. Ook de dispacheurs moeten getraind zijn in het herkennen van de symptomen van een acuut coronair event. Na het stellen van enkele gerichte vragen activeren zij meteen de gepaste hulpverlening. Een derde van de patiënten met een
myocardinfarct overlijdt de patiënt het ziekenhuis kan bereiken. De
meeste van deze patiënten overlijdt binnen het uur na het ontstaan
van de eerste symptomen. De oorzakelijke ritmestoornis
is dan een ventrikelfibrillatie
of een ventrikeltachycardie
waarbij de enige effectieve behandeling bestaat uit de onmiddellijke
defibrillatie.
Elke minuut uitstel verkleint de overlevingskansen van het
slachtoffer met 7 tot 10%.
Het klassieke symptoom geassocieerd met
acuut coronair lijden is een pijn of een dof ongemak achter het borstbeen, dikwijls
omschreven als een "druk" of een "spanning" en eventueel uitstralend
naar de armen - meestal de linker, de hals of de kaak. Aan deze
klachten worden vaak nog kortademigheid, hartkloppingen,
misselijkheid, braken of zweten toegevoegd. Wanneer de pijn ontstaat tijdens een inspanning en verdwijnt bij rust, spreken we van stabiele angor pectoris. De klachten duren typisch minder dan vijftien minuten en maken geen deel uit van de definitie "acuut coronair syndroom".
Het begrip Acuut Coronair Syndroom omvat drie entiteiten:
De drie entiteiten van het acuut coronair syndroom worden elk op zich veroorzaakt door ruptuur van een geërodeerde atherosclerotische plaque. Het onderscheid wordt gemaakt op basis van de aan- of afwezigheid van ST-elevatie op het elektrocardiogram en de aan- of afwezigheid van hartenzymes in het serum. De onstabiele angor en het NSTEMI vormen samen het Non-ST elevatie acuut coronair syndroom en worden op dezelfde wijze behandeld. Onstabiele angor pectorisTen opzichte van de stabiele angor pectoris spreken we van
onstabiele angor indien de inspanningsgebonden pijn toeneemt
over het verloop van enkele dagen of optreedt bij een steeds
geringere fysieke inspanning. Deze vorm van angor noemt men ook
"crescendo angor pectoris". Ook wanneer de episodes van angor
herhaald voorkomen, onafhankelijk van een inspanning, spreken we van
instabiele angor. Deze episodes kunnen kortdurend zijn in tijd
(enkele minuten) en spontaan of na behandeling verdwijnen, terwijl ze
zich opnieuw voordoen enkele uren nadien. Onstabiele angor pectoris zonder afwijkingen op het elektrocardiogram en zonder verhoogde hartenzymes in het serum draagt nog steeds een levensgevaar met zich mee. Een verdere inschatting van het risico wordt gemaakt door een inspanningsproef en door een uitgebreide cardiale risicostratificatie. Elektrocardiogram bij onstabiele angorOnstabiele angor kan voorkomen met een normaal elektrocardiogram of met een elektrocardiogram dat ST-depressies of aspecifieke repolarisatiestoornissen vertoont zoals inversie van de T-golf. ST-depressie die gepaard gaan met het syndroom van instabiele angor zijn een aanwijzing van verhoogd risico. Hartenzymes bij onstabiele angorDe hartenzymes bij onstabiele angor zijn meestal niet verhoogd. Denk er evenwel aan dat verhoogde spierenzymes zoals het creatinine kinase (CK) ook kunnen voorkomen bij andere aandoeningen. Het Troponine T is meestal onmeetbaar laag, ook een verhoogd Troponine T bij een instabiele angor wijst op een verhoogd risico. Non-ST segment elevatie
myocard infarct (NSTEMI)
|
Diagnose acuut coronair syndroom |
Bij het stellen van elke diagnose is een goede anamnese heel belangrijk. Vraag naar het ontstaan van retrosternale pijn, het karakter, de ernst, de duur en het patroon van de pijn. Denk er aan dat bij diabetici, ouderen en preioperatief de retrosternale pijn beperkt of afwezig kan zijn. Angorpijn gecombineerd met misselijkheid, nausea en braken wordt ook vaak door de patiënt en door de hulpverleners verward met het discomfort ten gevolge van een indigestie.
Bij een acuut coronair syndroom levert het klinisch onderzoek meestal weinig bijkomende informatie. Inspecteer de patiënt op klam zweet, bleekheid, cyanose, tachypnoe en tachycardie. Hou echter rekening met het feit dat elke oorzaak van pijn gepaard kan gaan met deze symptomen. Het klinisch onderzoek kan wel een andere oorzaak van de thoracale pijn aanwijzen. Tevens kan het klinisch onderzoek aanwijzingen geven om de ernst van het syndroom in te schatten, de evolutie op te volgen en de aanpak te leiden.
Bij personen met myocardischemie merken we een autonome ontregeling gepaard gaande met aritmieën, hypotensie of hypertensie. Bradycardie en hypotensie zien we meer bij patiënten met ischemie of een infarct van de inferieure of posterieure wand. Anderzijds zien we meer tachycardieën en hypotensie bij ischemie van de voorwand. Ook hier speelt de Bezold-Jarisch reflex mogelijk een rol, gezien de inhiberende C-vezels zich voornamelijk bevinden in de inferieure en posterieure wand. Men kan nog niet achterhalen of de stimulus dan wel mechanisch of chemisch is. De reflex zou protectief van aard zijn, gezien de bradycardie en hypotensie de myocardiale zuurstofbehoefte verlagen. Bovendien verhoogt door de renale vasodilatatie de renale bloeddoorstroming.
Denk aan een uitgebreid infarct van het rechter ventrikel indien op het elektrocardiogram een STEMI te zien is met ischemie in het inferior-- of het posteriorgebied gepaard gaande met hypotensie en een verhoogde vena jugularisdruk zonder longoedeem. Het teken van Kussmaul - een toename van de jugularisdruk bij inspiratie - kan positief zijn.
Bij patiënten met een acuut coronair syndroom, voornamelijk indien thrombolyse overwogen wordt, is het van groot belang om op zoek te gaan naar symptomen van een aortadissectie zoals afwezigheid van of ongelijkheid in arteriële pulsaties in de bovenste ledematen, acute aortaklepregurgitatie of symptomen van een CVA ten gevolge van occlusie van de a. Carotis. Wees alert voor de mogelijkheid van een aortadissectie indien de thoracale pijn gepaard gaat met hypotensie zonder afwijkingen op het elektrocardiogram. Bij een patiënt met een typische anamnese van angor en duidelijke afwijkingen op het elektrocardiogram mag je echter de reperfusietherapie niet uitstellen zonder sterke argumenten voor een aortadissectie.
ë
Voor de diagnose en het inschatten van het
risico van een acuut coronair syndroom is een vroegtijdige afname van
een 12-afleidingen elektrocardiogram
essentieel. Later wordt de afname herhaald om de evolutie van de
afwijkingen en het effect van de behandeling op te volgen.
Door op de plaats van de interventie reeds een elektrocardiogram
met 12 afleidingen af te nemen, wordt de diagnose sneller gesteld wat
de verdere behandeling in het
ziekenhuis efficiënter kan richten. De afname van een elektrocardiogram
neemt slechts vijf minuten in beslag, terwijl in veel studies een
afname van het elektrocardiogram
op de plaats van de interventie de tijd tussen de opname in het
ziekenhuis en het instellen van de reperfusietherapie inkort met
10 tot 60 minuten [58]. Het is dan wel noodzakelijk dat het
urgentiepersoneel de diagnose kan stellen van een ST-elevated myocardial infarction (STEMI).
Een acute elevatie van het ST-segment of een nieuw ontstaan linker bundeltakblok bij een patiënt met typische angorpijn is een indicatie voor het opstarten van reperfusietherapie. Een ST-depressie op het elektrocardiogram daarentegen suggereert weinig voordeel voor reperfusie, onafhankelijk of het nu gaat om een instabiele angor pectoris of een NSTEMI. Wel betekent de aanwezigheid van ST-depressies bij een instabiele angor een groter risico en is een urgente medische behandeling aangewezen.
Het elektrocardiogram geeft tevens informatie over de plaats en de uitgebreidheid van het myocardinfarct, voornamelijk bij een STEMI. De plaats van het infarct beënvloedt de prognose en kan belangrijk zijn bij de aanpak. Bij een NSTEMI is de plaats van de afwijkingen op het elektrocardiogram minder goed gecorreleerd met de plaats van het infarct.
Bij een anteroseptaal infarct zien we meestal afwijkingen in de afleidingen V1 tot V4. Een anteroseptaal infarct wordt veroorzaakt door een letsel in de Left Anterior Descending coronair (LAD). Het gaat vaker gepaard met een dysfunctie van het linker ventrikel en kent een slechtere prognose. Vroegtijdige reperfusie en behandeling met een ACE-inhibitor verbeteren de overlevingskansen.
Afwijkingen op het elektrocardiogram in afleidingen II, III en aVF wijzen op een inferiorinfarct, veroorzaakt door een letsel in de rechter coronair of, minder frequent, in de arteria circumflexa.
Een lateraal infarct diagnosticeren we indien er afwijkingen bestaan in de afleidingen V5 en V6, en eventueel ook in I en aVL. Het gaat om een letsel in de arteria circumflexa of een diagnonaaltak van de LAD.
Bij een posteriorinfarct zijn er
reciproque veranderingen in de anterieure afleidingen. Een
posteriorinfarct wordt meestal veroorzaakt door een letsel in de
rechter coronair, doch kan ook het gevolg zijn van een letsel in de
circumflexa indien deze arterie de belangrijkste bloedvoorziening van
het posteriorgebied en het septum op zich neemt.
Bij vermoeden van een posteriorinfarct kan het elektrocardiogram
herhaald worden met posterieure afleidingen. Deze afleidingen, V8 tot
V10 genaamd, worden vervolgd vanuit V6 rond de thorax zodat V7
geplaatst wordt op de posterieure axillaire lijn, V9 op de top van
het schouderblad en V8 halverwege tussen V7 en V9. V10 is
gelokaliseerd aan de rechterzijde van het schouderblad.
Een infarct van het rechter ventrikel doet
zich voor bij een derde van de inferior- en posterior-STEMI's.
Een uitgebreid rechter ventrikelinfarct meldt zich op een
12-afleidingen elektrocardiogram
door ST-elevatie in V1 gepaard gaande met een inferior- of posteriorinfarct. Rechter precordiale
afleidingen, voornamelijk V4R, kunnen gebruikt worden om het infarct
te onthullen. Ook een tweedimensioneel echo cor kan nuttig zijn in de
diagnose.
Klinisch merken we bij een rechter ventrikelinfarct vaak manifeste
hypotensie niet reagerend op vulling en gepaard gaande met een hoge
centraal veneuze
druk. Nitraten worden in dit geval
best vermeden.
Troponines maken deel uit van de
structuur die de contractie van de myocardcellen regelt. Bij normale
gezonde individuen is de concentratie van deze troponines in het
serum niet detecteerbaar, terwijl bij ten gevolge van schade aan het
myocard deze troponines wel vrijkomen in de bloedbaan. Cardiale
troponines worden daarenboven nooit vrijgesteld een extra-cardiale
bron, wat betekent dat troponines een zeer specifieke en gevoelige
marker vormen voor myocardschade.
Niettegenstaande de laattijdige vrijstelling van de troponines uit
het ischemisch myocard de eerste vier tot zes uur na het ontstaan van
de symptomen bemoeilijkt, correleren de
absolute serumwaarden aan troponines toch met de ernst van het
syndroom. Zo is bij angor pectoris het
risico groter indien zes tot acht uur na het event, de
troponines in het serum gestegen zijn, in vergelijking met normale
troponinewaarden bij angor. De combinatie
van ST-depressies op het elektrocardiogram en verhoogde troponines
identificeert eveneens een specifieke risicogroep voor myocardinfarct
en plotse
hartstilstand.
Troponines op zich vormen geen sluitend
bewijs voor de diagnose van een myocardinfarct. De troponines worden
best beschouwd als een marker van het risico, de diagnose van
myocardinfarct wordt gesteld indien de verhoogde troponines gepaard
gaan met een suggestieve kliniek. Troponines
kunnen immers ook vrijgesteld worden bij myocarditis, acuut en
chronisch hartfalen, aanhoudende tachycardie,
longembolen, nierfalen en acute sepsis.
Het debat over de nodige absolute waarde aan troponines om, in
combinatie met afwijkingen op het elektrocardiogram, te spreken van
een myocardinfarct, gaat verder.
De enzymen creatinine kinase
(CK), Aspartaat transaminase (AST) en lactaat
dehydrogenase (LDH) worden eveneens vrijgesteld bij
myocardschade. Helaas worden deze enzymen ook vrijgesteld vanuit
beschadigd skeletspierweefsel of na een langdurige inspanning. Om het
onderscheid te maken, kan het specifiek uit het hart vrijgestelde
CK-MB in het bloed gemeten worden. Deze bepalign behoort in
vele ziekenhuizen echter niet tot de routine.
Toch kan de hoeveelheid uit het myocard vrijgesteld CK - bijvoorbeeld
gemeten over meerdere opeenvolgende dagen - een idee vormen over de
uitgebreidheid van de myocardschade.
Een echocardiografisch onderzoek van het hart kan nuttig zijn om de ernst van linker ventrikeldysfunctie te evalueren. Een echocardiografie is met name belangrijk om dysfunctie en dilatatie van het rechter ventrikel te beoordelen. Een echocardiografie kan ook nuttig zijn om eventuele complicaties van een myocardinfarct, zoals een verworven septumdefect of een ernstige mitralisregurgitatie, te identificeren.
B.L.S. acuut coronair syndroom |
Wanneer het slachtoffer klaagt van pijn op de borst dient hij of zij meteen alle fysieke inspanning te staken. Zowel angor pectoris als een acuut myocardinfarct worden immers veroorzaakt door een slechte bloeddoorstroming van het hart terwijl elke inspanning een extra zuurstofverbruik betekent ten koste van de reeds beperkte zuurstoftoevoer naar het hart. Sleept de pijn op de borstkas gedurende meer dan enkele minuten aan, alarmeer dan onmiddellijk de hulpdiensten.
Na het alarmeren van de hulpdiensten ondersteun je het slachtoffer door hem of haar gerust te stellen en rustig te houden. Ook psychologische stress betekent immers een zuurstofconsumerende inspanning waardoor het hart verder in zuurstofnood kan komen. Een bewust slachtoffer laat je rechtop zitten, een bewusteloos slachtoffer leg je in veiligheidshouding. Regelmatige controle van de vitale functies is hier van levensbelang. Bij een bewusteloos slachtoffer controleer je de ademhaling en start je indien nodig de reanimatie.
Miskennen van de ernst van de situatie is een vaak voorkomende reactie van een slachtoffer met pijn op de borst. Het slachtoffer ontkent in eerste instantie de mogelijkheid van een hartinfarct, ook de hulpverleners zien vaak de ernst van de situatie niet meteen in. Door deze ontkenning wordt de hulpverlening trager op gang gebracht en stijgt het risico op overlijden [21].
|
A.L.S. acuut coronair syndroom |
Acute coronaire syndromen vormen de belangrijkste oorzaak van ernstige ritmestoornissen met plotse hartstilstand tot gevolg. Het belangrijkste doel in de behandeling is dus de preventie en aanpak van de levensbedreigende aandoeningen zoals een ventriculaire fibrillatie of een bradycardie. Daarbij trachten we de functie van het linker ventrikel maximaal te bewaren door de infarctzone zoveel mogelijk te beperken.
Memotechnisch kan je de initiële aanpak bij een slachtoffer met tekenen van acuut coronair lijden onthouden door middel van de naam "MONA":
Na de alarmering stuurt de
dispatcher het gepaste urgentieteam en voorziet het intussen de leken
van telefonische instructies [21].
Na het toepassen van Basic Life Support vraag
je naar de medische antecedenten van het slachtoffer en informeer je
naar eventuele risicofactoren met
betrekking tot acuut coronair lijden. Zorg voor een vrije
luchtweg en geef zuurstof
aan een debiet van 10L per minuut met behulp van een aangezichtsmasker
met reservoir om de oxygenatie van het hart te optimaliseren.
Ook indien er circulatie
aanwezig is, blijft het voor de gevorderde hulpverlener nuttig om
de carotis
te palperen om zich een beeld vormen over het hartritme, de
frequentie en de amplitude van de pols. Tevens kan je door palpatie
van de hartslag eventuele peri-arrest aritmieën
te detecteren. Met behulp van een monitor
kan je eventuele levensbedreigende aritmieën
onmiddellijk herkennen en anticiperen.
In vele landen leggen ambulanciers een elektrocardiogram met twaalf
afleidingen aan. Dit betekent een vroege herkenning van een acuut
myocardinfarct en vermindert significant de tijd tot behandeling,
waaronder reperfusietherapie, in
het ziekenhuis.
Wees bedacht op het ontstaan van een rechter ventrikelinfarct bij patiënten met een inferiorinfarct gecombineerd met klinische shock en zuivere longen. Een ST-elevatie in afleiding aVR is een goede indicator voor een rechter ventrikelinfarct. Deze patiënten hebben een ziekenhuismortaliteit van 30% en hebben veel voordeel aan een vroegtijdige reperfusie. Geef in dit geval geen nitraten en behandel eventuele hypotensie met intraveneuze vochttoediening.
Nitroglycerine
dilateert de coronaire en de veneuze bloedvaten en vermindert de
ventriculaire preload
en aldus de myocardiale zuurstofbehoefte. In mindere mate worden ook
de perifere arteriën gedilateerd. Nitroglycerine zorgt voor een
efficiënt en snel verdwijnen van de thoracale pijn [58].
Indien het slachtoffer met pijn op de borst zelf nitroglycerine
bij zich heeft en zijn systolische
bloeddruk is meer dan 90mmHg, dan kan je het slachtoffer aanraden om
de voorgeschreven medicatie in te nemen. Wees bedacht op een
mogelijke bloeddrukval met eventuele syncope na de toediening van nitroglycerine,
geef daarom nooit nitroglycerine
aan een rechtstaand slachtoffer en hoedt U bij warme
omgevingstemperaturen. Gebruik nooit nitroglycerine
in geval van hypotensie met een systolische bloeddruk lager dan
90mmHg, in het bijzonder in combinatie met een bradycardie.
Vermijdt ook de toediening van nitroglycerine
bij patiënten met een inferiorinfarct waarbij het rechter
ventrikel betrokken is, onder al deze omstandigheden kan de preload
dermate verminderen dat het hartdebiet
ontoereikend wordt. Controleer na de toediening van nitroglycerine
geregeld de bloeddruk
wees waakzaam voor tekenen van hypotensie. Nitroglycerine kan ook
gebruikt worden in de behandeling van acuut longoedeem.
Vroegtijdige toediening van aspirine in het ziekenhuis reduceert de mortaliteit, enkele studies toonden bovendien een lagere mortaliteit aan indien aspirine wordt toegediend op de plaats van interventie [58]. Aspirine inhibeert het opnieuw verstoppen van de coronairen, ook na de fibrinolytische therapie, en verlaagt aldus de mortaliteit van het acuut coronair syndroom [21]. De dosis van aspirine bedraagt 75 tot 325mg [58] , indien toegelaten door de plaatselijke protocols kan je een perorale dosis aspirine van 300mg toedienen op de plaats van interventie. Vermijd aspirine in geval van gekende allergie.
Clopidogrel inhibeert de ADP-receptor op de plaatjes irreversibel wat de plaatjesaggregatie bijkomstig aan aspirine inhibeert zonder bijkomend risico op bloedingen. De outcome van hoogrisico patiënten verbetert indien clopidogrel wordt toegediend samen met heparine en aspirine binnen de vier uur na presentatie van de patiënt. Ook indien clopidogrel toegediend wordt 6 uur na een electieve percutane interventie bekomt men een significante vermindering van ischemische complicaties [58].
Geef aldus 300mg clopidogrel peroraal aan patiënten met symptomen van acuut coronair lijden en een toename van de hartenzymes of een elektrocardiogram dat wijst op ischemie indien een coronaire interventie gepland wordt. Geef tevens een dosis van 300mg clopidogrel aan oudere patiënten met een STEMI welke behandelt worden met fibrinolyse. Clopidogrel kan tevens gebruikt worden als alternatief voor aspirine in geval van gekende allergie.
Indien de thoracale pijn niet reageert op
nitraten gaat de eerste keuze naar
intraveneus getitreerd morfine of
diamorfine om de pijn te stillen. Minder pijn betekent minder
sympathische stimulatie, minder hartspierinspanningen en dus minder
nood aan zuurstof voor de hartspier. Morfine
dilateert eveneens de veneuze vaten en heeft dus een toegevoegd
effect in geval van acuut longoedeem. Geef een initiële intraveneuze
bolus van 3 tot 5mg en herhaal de toediening tot de patiënt
pijnvrij is.
In sommige landen heeft ook het ziekenwagenpersoneel de toelating om
morfine
toe te dienen om de pijn op de borst te verminderen.
Bij een NSTEMI en bij instabiele angor trachten we verder thrombusvorming te voorkomen door het toedienen van heparine aan therapeutische dosis. Start Clopidrogel aan een ladingsdosis van 300mg en overweeg 600mg tot 900mg indien een snelle oplading vereist is. Bij hoogrisico patiënten en in het bijzonder indien een PCI gepland wordt, geef je een glycoproteëne IIb/IIIa inhibitor.
Geef een β-blokker zo er geen contra-indicaties bestaan.
Overweeg Diltiazem indien een β-blokker niet aangewezen is.
Vermijd de toediening van calciumkanaalblokkers zoals Nifedipine.
Overweeg bovendien de intraveneuze of sublinguale toediening van nitraten indien de thoracale pijn
persisteert of terugkeert. Start vroegtijdig een ACE-inhibitor op, voornamelijk indien er sprake is
van linker hartfalen of dysfunctie.
Patiënten met onstabiel angor of NSTEMI en tekenen van hoog risico zoals ST-depressies op het elektrocardiogram, positieve troponines of een vroegtijdige positieve inspanningsproef komen eventueel in aanmerking voor verder angiografie. Een revascularisatie of een CABG kan aangewezen zijn
ë
Bij een STEMI of een myocardinfarct met een nieuw ontstaan bundeltakblok moet zo snel mogelijk de reperfusietherapie gestart worden om de bloedtoevoer naar het myocard te herstellen en het nog niet irreversibel beschadigd myocardweefsel te sparen. Vroegtijdige reperfusietherapie geeft naast een vermindering van de infarctgrootte tevens een dalign van de mortaliteit en van het aantal complicaties. Een primaire percutane interventie krijgt de voorkeur op fibrinolyse, op voorwaarde dat deze in minder dan negentig minuten na het eerste medisch contact kan uitgevoerd worden.
Indien geen reperfusietherapie werd uitgevoerd, bijvoorbeeld omwille van een laattijdige presentatie, is verdere risicostratificatie belangrijk om na te gaan in hoeverre het myocard is genecrotiseerd en of mogelijke complicaties effectief behandeld zijn. Ook na het uitvoeren van een thrombolyse kan een restletsel achter blijven dat bij voorkeur behandeld door middel van een percutane interventie.
Intensieve Zorgen bij acuut coronair syndroom |
De huidige behandeling van een acuut coronair syndroom staat in scherp contrast met de behandeling van twee decennia geleden. Vroegtijdige reperfusie redt levens en verbetert de levenskwaliteit [21]. Vooral in geval van hoog risico op bijkomende myocardschade en plots overlijden is het voordeel van de reperfusietherapie aanzienlijk. Dit voordeel neemt duidelijk af met het verloop van tijd na het optreden van de symptomen. Het grootste succes wordt bereikt indien binnen het uur na het ontstaan van de symptomen de reperfusie plaats vindt. Twaalf uur na het ontstaan van de thoracale pijn zijn de risico's van de reperfusietherapie reeds te groot om nog voordeel te halen uit de behandeling. Het is dus heel belangrijk om een vroegtijdige inschatting te maken van de ernst van het myocardinfarct.
Coronaire reperfusie kan bereikt worden met behulp van
In theorie kan ook hartchirurgie door middel van Coronary Artery Bypass Grafting (CABG) reperfusie verzekeren, in praktijk kan een dergelijke ingreep echter niet voldoende snel uitgevoerd worden en draagt ze een hoog risico met zich mee.
Het instellen van een fibrinolytische therapie bij patiënten met een nieuw STEMI of met een nieuw linker bundeltakblok binnen de twaalf uur na de aanvang van de symptomen beperkt de mortaliteit op korte en lange termijn [58].ë Het voordeel van de fibrinolytische therapie is vooral duidelijk indien deze snel gestart wordt; om meest efficiënt te zijn dient de reperfusietherapie ingesteld te worden binnen de eerste drie uren na aanvang van de symptomen [21] [58]. Voor het opstarten van een fibrinolytische behandeling is, in tegenstelling tot het uitvoeren van een PCI, geen bemand cathlab noodzakelijk.
Indien de fibrinolyse bij patiënten met symptomen van acuut coronair lijden en een nieuw linker bundeltakblok tijdens de interventie kan gestart worden, dan wordt de mortaliteit nog verder gereduceerd. Het klinisch voordeel is groter indien de transporttijd naar het ziekenhuis langer geschat wordt dan 30 minuten. Getraind ziekenwagenpersoneel kan op veilige wijze fibrinolytica toedienen indien een duidelijk protocol voorhanden is. Wel moet de hulpverlener beschikken over voldoende skills en technische hulpmiddelen om de diagnose van STEMI te stellen. Tevens is het nuttig om communicatiemiddelen tussen de hulpverlener en de ziekenhuisarts te voorzien.
Indien de fibrinolytica nog niet werden toegediend op het terrein, start men deze onmiddellijk na aankomst in het ziekenhuis, tenzij de patiënt binnen een tijdspanne van 90 minuten kan getransfereerd worden naar een eenheid voor percutane coronaire interventie.
Het is belangrijk om alert te zijn over de
bijwerkingen van een fibrinolytische behandeling. De waarde van de
behandeling is het grootst bij patiënten met een uitgebreid
myocardinfarct. De voordelen zijn veel beperkter bij een
inferiorinfarct dan bij anterieure ischemie.
De kans op overlijden is groter bij de oudere patiënten, het voordeel
van de fibrinolytische therapie is echter onafhankelijk van de
leeftijd. Ook de kans op een intracraniële
bloeding is groter bij patiënten ouder dan 75 jaar. Om
deze reden is een systolische bloeddruk
hoger dan 180mmHg een relatieve contra-indicatie voor het
opstarten van fibrinolytica. Meer fibrinespecifieke thrombolyse met
alteplase, tenecteplase of reteplase heeft een kleinere kans op
mortaliteit, het risico op intracraniële
bloedingen is kleiner indien men streptokinase gebruikt. Het
mortaliteitsrisico neemt tevens toe indien men thrombolytica
gebruikt, in het bijzonder heparine.
Fibrinolyse is voornamelijk geëndiceerd bij een patiënt die zich presenteert met thoracale pijn suggestief voor een myocardinfarct in combinatie met:
Een primaire percutane coronaire interventie omvat een angiografie om de geoccludeerde coronair op te sporen, gevolgd door het opschuiven van een guidewire doorheen de thrombus waarna een ballon wordt opgeblazen ter hoogte van de vernauwing om de arterie opnieuw te dilateren. Door het plaatsen van een coronaire stents wordt nadien de kans op reststenose kleiner.
Ook hier is de snelheid waarmee de
behandeling ingesteld wordt belangrijk, zij het minder dan bij de fibrinolyse [58].
Ten opzichte van fibrinolyse verbetert de
outcome voor de patiënt wanneer de coronaire angioplastie uitgevoerd
wordt door een ervaren arts binnen de tijdspanne van maximaal 90
minuten en in een centum waar meer dan 75 procedures per jaar
plaatsvinden [58].
Een primaire percutane interventie wordt overwogen indien de symptomen reeds langer bestaan dan 3
uren, indien de interventie in een tijdspanne van 90
minuten uitgevoerd kan worden of indien de patiënt contra-indicaties vertoont
voor fibrinolyse [58].
Cardiogene
shock en linker ventrikelfalen vormen de belangrijkste
complicaties bij een acuut
coronair syndroom. Ze zijn geassocieerd met een mortaliteit van
meer dan 50%. Gaat de patiënt binnen 36 uur na het
ontstaan van de symptomen in shock dan is
een vroegtijdige revascularisatie noodzakelijk. In dit geval is de
voorkeursbehandeling een percutane coronaire interventie,
niettegenstaande de fibrinolyse geen contra-indicatie vormt.

A:
occlusie van een coronaire arterie met thrombus (pijl)
B: recanalisatie na ballondilatatie
De voordelen van een primaire coronaire interventie zijn de visuele betrouwbaarheid waarmee de coronair kan heropend worden in de meerderheid van de patiënten en het kleiner bloedingrisico ten opzichte van fibrinolyse.
ë
Het risico op overlijden, reënfactie of CVA wordt kleiner indien de patiënt met symptomen van een STEMI die langer dan 3 uur en minder lang dan 12 uur bestaan, onmiddellijk kan getransfereerd worden naar een tertiair centrum met ervaring in het uitvoeren van percutane interventies. Er bestaat beperkte wetenschappelijke evidentie over het uitvoeren en het tijdstip van fibrinolyse vóór het toepassen van een percutane interventie, de zogenaamde "gefaciliteerde percutane interventie" [58].
Heparine inhibeert het thrombine.
In combinatie met aspirine wordt het gebruikt
als toevoeging aan de fibrinolyse of de percutane interventie.
Tevens is het belangrijk in de behandeling van angor pectoris of STEMI. Heparine kan subcutaan
toegediend worden in een gewichtsafhankelijke dosis en zonder
monitoring.
De toediening van heparine wordt beperkt door het onvoorspelbaar
effect bij de individuele patiënt, de nood aan een continu infuus en
monitoring van de aPTT. Heparine kan bovendien een thrombocytopenie
uitlokken. Laagmoleculair gewicht heparines accumuleren in geval van
een beperkte nierfunctie.
Een vroegtijdige behandeling met
laagmoleculair gewicht heparines bij patiënten met NSTEMI of acuut angor wordt aangeraden bovenop de
behandeling met aspirine indien een
niet-inteventionele behandeling voorzien is. De toediening van
laagmoleculair gewicht heparine in de eerste 24 tot 36 uur na
een NSTEMI of een aanval van angor pectoris verlaagt immers de
mortaliteit en de nood aan een urgente revascularisatie ten opzichte van de
toediening van ongefractioneerd heparine. Laagmoleculair gewicht
heparines vergroten de kans op kleine bloedingen, de kans op een
majeure bloeding is daarentegen gelijkwaardig.
Overweeg de toediening van ongefractioneerd heparine indien wel een
interventionele reperfusie voorzien
wordt. Een wissel tussen laagmoleculaire en ongefractioneerd heparine
moet vermeden worden omdat de kans op bloedingen hiermee toeneemt
[58].
Laagmoleculair gewicht heparines vormen een aanvaardbaar alternatief voor ongefractioneerd heparine als toegevoegde behandeling aan de fibrinolyse bij patiënten jonger dan 75 jaar zonder beperking van de nierfunctie. Indien een revascularisatie gepland is, wordt de toediening van ongefractioneerd heparine aangeraden, te titreren naar een aPTT tussen 50 en 70 seconden [58].
De toediening van een β-blokker kan de mortaliteit en de incidentie van reinfarctie en hartruptuur verminderen [58]. Ook de incidentie van ventrikelfibrillatie en supraventriculaire ritmestoornissen is kleiner [58]. Intraveneuze β-blokkade reduceert bovendien de mortaliteit van de patiënten die een primaire percutane interventie ondergaan en vooraf geen β-blokker namen [58]. Start dus, onafhankelijk van de verdere planning, intraveneus een β-blokker bij alle patiënten die hemodynamisch stabiel zijn en vervolg met een perorale dosering.
Oraal toegediende ACE-inhibitoren reduceren de mortaliteit bij patiënten met een acuut myocardinfarct onafhankelijk van het instellen van een reperfusiebehandeling [58]. De voordelen zijn het meest uitgesproken bij patiënten met een anteriorinfarct, met longoedeem of met een linker ventriculaire ejectiefractie kleiner dan 40%. Geef geen ACE-inhibitoren indien de systolische bloeddruk bij opname lager is dan 100mmHg of in geval van gekende contra-indicaties. De mortaliteit zou groter zijn na een intraveneuze bolus van een ACE-inhibitor ten opzichte van de perorale toediening indien toegediend in de eerste 24 uur, vermijd in deze tijdspanne dan ook de intraveneuze toedieningsweg [58].
Bij patiënten met een gekende intolerantie voor ACE-inhibitoren opteer je voor een angiotensine receptor antagonist [58].
Statines reduceren de incidentie van belangrijke cardiovasculaire complicaties indien ze enkele dagen na een acuut coronair lijden opgestart worden. Start daarom de behandeling binnen de 24 uur na aanvang van de symptomen en onderbreek de behandeling niet bij patiënten die reeds statines nemen [58].
Naast de β-blokkade is er geen verder plaats voor het preventief toedienen van anti-aritmica bij coronair lijden [58]. Ventikelfibrillatie komst het meest voor in de eerste uren na het ontstaan van de symptomen en brengt de hoogste mortaliteit met zich mee. In dit kader werd de profylactische toediening van anti-aritmica uitvoerig onderzocht. De profylaxe met lidocaëne kan de incidentie van ventikelfibrillatie verkleinen, de mortaliteit verhoogt echter door de behandeling. Ook een routinematige toediening van magnesium kan de mortaliteit niet verlagen, evenals de toediening van andere anti-aritmica.
De laatste algemene stap in de vorming van een stolsel wordt gemedieerd door de glycoproteëne IIb/IIIa-receptor op de plaatjes. De activiteit van deze receptor wordt reversibel beënvloedt door de synthetische substanties eptifibatide en tirofiban, terwijl het antilichaam abciximab de receptor irreversibel blokkeert.
De incidentie van overlijden of heroptredende ischemie wordt kleiner indien men glycoproteëne IIb/IIIa-receptor antagonisten toevoegt aan de behandeling van hoogrisicopatiënten met aspirine en heparine en mechanische reperfusie. Geeft men abciximab zonder aanvullende mechanische interventie dan verslecht de outcome, in dit geval gebruik je beter tirofiban of eptifibatide.
Bij STEMI kunnen de glycoproteëne IIb/IIIa-receptor inhibitoren de mortaliteit niet verminderen terwijl ze de kans op bloeding bij oudere patiënten verhoogt.
Complicaties acuut coronair syndroom |
Een ventriculaire
ritmestoornis in de setting van een acuut coronair syndroom moet
geënterpreteerd worden volgens de klinische setting en het tijdstip
waarop de ritmestoornis
optreedt. Ontstaat een ventrikelfibrillatie
of een ventrikeltachycardie
in minder dan24 tot 48 uur na het STEMI
en het herstel volgt zonder complicaties, dan is de kans op een
nieuwe ritmestoornis
klein en vooral afhankelijk van de resterende ventrikelfunctie.
Ontstaat een ventrikelfibrillatie
of een ventrikeltachycardie
echter in de setting van een coronair syndroom zonder
ST-elevatie op het elektrocardiogram, dan is de kans op
heroptreden van de ritmestoornis
veel groten en is een urgente revascularisatie noodzakelijk.
Ontstaat de ritmestoornis
echter zonder ischemie dan wordt de patiënt best doorverwezen naar de
cardiologie voor implantatie van een automatische
cardiovertor/defibrillator vooraleer de patiënt het ziekenhuis
verlaat.
Een voorkamerfibrillatie in de setting van een acuut coronair syndroom wijst meestal op een ventrikeldysfunctie. De behandeling bestaat uit het controleren van het hartritme en het opsporen van ventrikelfalen. Deze patiënten worden als secundaire preventie best geanticoaguleerd met warfarine.
Een atrioventriculair blok in de setting
van een inferiorinfarct is meestal het
gevolg van overmatige vagale activiteit. De QRS-complexen zijn in dit
geval smal en de bradycardie
is niet extreem.
Behandel een symptomatische bradycardie
met atropine en
overweeg tijdelijke cardiale
pacing indien de hypotensie en de bradycardie
persisteren. Een volledig AV-blok is in deze setting meestal
voorbijgaand.
Geleidingsstoornissen bij een acuut inferiorinfarct zijn meestal het gevolg van ischemie ter hoogte van de atrioventriculaire knoop. Deze geleidingsstoornissen zijn meestal transiënt en hebben een goede prognose. Ontstaat een atrioventriculair blok bij een anterieur myocardinfarct dan omvat dit meestal uitgebreide myocardschade en een slechte prognose. Het QRS-complex is in deze setting meestal breed en het hartritme traag en weerstandig aan atropine. Tijdelijke cardiale pacing is hier noodzakelijk, terwijl patiënten die het event overleven, meestal nood hebben aan een definitieve pacemaker.
Ontstaat een hartfalen na een acuut coronair syndroom dan is er een grote kans op verdere deterioratie met hartstilstand en overlijden. Een vroegtijdige en efficiënte aanpak kan het risico beperken.
Geef nitraten en lisdiuretica om de onmiddellijke symptomen op te heffen. Start nadien op regelmatige basis een lisdiureticum en herevalueer dagelijks de noodzaak en de posologie. Start een ACE-inhibitor volgens tolerantie van de patiënt of overweeg een angiotensine receptor blokker. Bij bevestigde linker ventrikeldysfunctie - ejectiefractie kleiner dan 40% - geef je een aldosteronantagonist.
Cardiogene shock wordt veroorzaakt door ernstige hypotensie met onvoldoende perifere perfusie en is vaak gecombineerd met longoedeem. De beperkte cerebrale perfusie veroorzaakt vertigo of verwardheid, de verminderde renale perfusie geeft aanleiding tot oligurie. De mortaliteit van een cardiogene shock is hoog en kan verkleind worden door vroegtijdige PCI.
In sommige gevallen verbetert de patiënt na toediening van inotropica zoals dobutamine, het gebruik ervan wordt echter voorbehouden voor ervaren artsen. Ook het plaatsen van een intra-aortic balloonpump kan soelaas bieden.
Secundaire preventie van coronair lijden |
Secundaire preventiemaatregelen hebben tot doel om, na het optreden van een coronair syndroom, de kans op een nieuw event in de toekomst te verkleinen.
Profylaxie met anti-thrombotische middelen is aangewezen bij alle patiënten. In de meeste gevallen start je een lage dosis aspirine van 75mg per dag. Hoogrisico patiënten of patiënten die aspirine niet tolereren worden best behandeld met Clopidrogel aan een ladingsdosis van 300mg. Deze behandeling wordt minstens gedurende een jaar verder gezet. Indien het coronair syndroom wordt gecompliceerd met een voorkamerfibrillatie gaat de voorkeur naar warfarine.
De eerste dagen na een myocardinfarct is een echocardiografische evaluatie van de ventrikelfunctie aangewezen. De prognose na een myocardinfarct wordt immers vooral bepaald door de resterende linker ventrikelfunctie. Na een infarct zal het ventrikel vaak dilateren en remodelleren, een proces dat door ACE-inhibitoren kan vertraagd worden. ACE-inhibitoren verkleinen het risico op een nieuw infarct en op een plotse hartstilstand.
De cholesterolwaarden in het bloed, in het bijzonder het LDL, dienen efficiënt verlaagd te worden met statines. Een behandeling met statines verlaagt het risico op een nieuw coronair syndroom met 30%. Een vetarm en vezelrijk dieetë kan hiertoe nog bijdragen.
Met het optreden van een coronair syndroom is een onmiddellijke rookstop noodzakelijk om een nieuw event te voorkomen.
Het farmacologisch en niet-farmacologisch onder controle houden van de bloeddruk vermindert eveneens het risico op een nieuw coronair event; op hartfalen en op een CVA.
|