Neonatale resuscitatie |
|
CPR / Oorzaken / Neonatale resuscitatieIndex
De reanimatie van een pasgeborene is een heel andere uitdaging dan de reanimatie van een volwassene of zelfs van een ouder kind. De overgang van het intra-uterien leven naar de spontane ademhaling veroorzaakt immers in de eerste minuten tot uren na de geboorte enorme fysiologische veranderingen in het lichaam van het kind met belangrijke consequenties op de functie van de vitale organen.
Ongeveer 5 tot 10% van alle pasgeborenen hebben nood aan een zekere mate van actieve reanimatie na de geboorte (bijvoorbeeld prikkeling om te ademen) en ongeveer 1 tot 10% van de pasgeborenen heeft nood aan
geassisteerde ventilatie.
Slechts een kleine minderheid hiervan heeft nood aan ondersteunende
hartmassage. Bij laagrisico bevallingen is de kans op nood aan
reanimatie bij de geboorte ongeveer 0.2%
[59].
Aangezien het niet steeds mogelijk is om de nood aan reanimatie te
voorspellen voor de geboorte, dient bij elke verlossing personeel aanwezig
te zijn gespecialiseerd in de neonatale reanimatie. Een zorgverstrekker
getraind in de intubatie van neonati moet tevens bereikbaar zijn.
Het is immers onaanvaardbaar dat een kind onherstelbare hersenschade
oploopt bij de geboorte door het feit dat her personeel onvoldoende is getraind in de
reanimatietechnieken of door een tekort aan middelen.
De term pasgeborene verwijst specifiek naar het kind in de eerste minuten tot uren na de geboorte. Daartegenover staat de neonatale periode, algemeen gedefinieerd als de eerste 28 levensdagen. Infancy omvat de neonatale periode en loopt verder tot de leeftijd van 12 maanden.
De overgang van het intrauteriene naar het extrauteriene leven wordt gekarakteriseerd door een reeks van unieke fysiologische evnementen: de longen veranderen van vloeistofhoudend naar luchthoudend, pulmonaire bloodflow neemt enorm toe en de intracardiale en extracardiale shunts (foramen ovale en ductus arteriosus) keren initieel de richting om, om nadien te sluiten. De foetale ontwikkeling beënvloedt eveneens de pulmonaire pathologie en de reanimatiefysiologie. Tekort aan surfactant bij de prematuur verandert de longcompliance en de longweerstand. Indien meconium in het amnionvocht vrijkomt, kan deze irriterende substantie geaspireerd worden en aanleiding geven tot luchtwegobstructie. De complicaties van meconiumaspiratie komen meer voor bij kinderen die te klein zijn voor hun zwangerschapsleeftijd en bij kinderen die te laat zijn geboren. Terwijl bepaalde fysiologische veranderingen uniek zijn voor de pasgeborene, zijn andere kenmerkend voor kinderen doorheen de neonatale periode en in de eerste levensmaanden. Ernstige ziekten, veroorzaakt door een brede waaier van aandoeningen, leiden vaak tot manifeste verstoringen in de thermoregulatie en in de respiratoire functie: cyanose, apnoe, gasping, respiratoir falen. Een persisterende ductus arteriosus en intracardiale shunts veroorzaken symptomen gedurende de neonatale periode en infancy. Vele maatregelen en interventies die noodzakelijk zijn bij de pasgeborene, blijven belangrijk gedurende weken en maanden na de geboorte. Perinatale asfyxie is een belangrijke oorzaak van perinatale mortaliteit en staat in voor 30 tot 52% van de perinatale overlijdens in de Westerse wereld. Perinatale asfyxie kan bovendien leiden tot neurologische letsels op lange termijn.
Volgende factoren gaan gepaard met een verhoogd risico op reanimatie na de geboorte [1]: Risicoës van de verlossing
Maternale risicoës
Foetale risicoës
Oorzaken voor het falen van de transitie naar het buitenbaarmoederlijke leven:
De richtlijnen met betrekking tot thuisbevallingen variëren van land tot land. Algemeen wordt aangenomen dat een eventuele thuisbevalling besproken wordt met de medische en vroedkundige staf, rekening houdend met de beschikbare middelen voor een mogelijke reanimatie na de geboorte. Een thuisbevalling draagt onvermijdelijk een groter risico met zich gezien de te overbruggen afstand naar een gespecialiseerde eenheid in geval van complicaties. Dit verhoogd risico dient vooraf uitgebreid besproken te worden met de toekomstige ouders. Idealiter zijn er bij de bevalling twee professionele hulpverleners aanwezig, ëën van hen moet getraind zijn in de beademing en hartmassage van pasgeborenen [59].
Een reanimatie bij de geboorte is vaak een voorspelbaar event waarvoor de
omgeving en het materiaal moet voorbereid zijn. Voor de resuscitatie is een verwarmde, goed verlichte, tochtvrije zone en een zacht
resuscitatieoppervlak noodzakelijk, alsook moet het eigenlijke reanimatiemateriaal gereed liggen.
Al het reanimatiematerieel wordt bij voorkeur dagelijks gecontroleerd. Minimaal
beschikt een verlosruimte over een aangepaste ventilator, warme handdoeken en
handschoenen en steriel materiaal om de navelstreng door te knippen. De mogelijkheid voor manuele
beademing met een masker, alsook
een
laryngoscoop voor
tracheale intubatie en
materiaal voor catheterisatie van
de vena umbulicalis moet beschikbaar zijn. Een
aspiratietoestel
en aspiratiesondes en een tongspatel zijn eveneens handig. Een stethoscoop en bij voorkeur ook een elektrocardiogram
zijn aanwezig.
Bewaken lichaamstemperatuurEens de baby is geboren dient men alle overvloedige
vloeistoffen af te wrijven met een warme handdoek om warmteverlies te
veroorzaken en tegelijk om de baby te kunnen onderzoeken op het voorkomen van
congenitale anomalieën zoals spina bifida of ernstige microcefalie. De meeste
babyës gaan op dit ogenblik spontaan ademen. Naakte en natte pasgeborenen zijn niet in staat om hun lichaamstemperatuur te
bewaren in een voor volwassenen comfortabel warme ruimte. Babies in distress en
prematuren
zijn bijzonder vatbaar voor afkoeling. Blootstelling aan koude veroorzaakt een
dalign van de arteriële zuurstofspaning en een toename van de metabole acidose. Aspiratie van meconiumAspireer na de verlossing de mond en de neus van het kind, zacht en oppervlakkig (maximum 7 - 10 cm diep) gedurende hoogstens 20 seconden en met een negatieve zuigkracht van -200 mmHg. Indien geen wandvacuëm beschikbaar is, kan een mucusaspirator behulpzaam zijn. In vele verloseenheden is het routine om gedurende de arbeid de farynx van de baby te aspireren zodra het hoofdje verschijnt. Agressieve faryngeale suctie kan de start van de spontane ademhaling echter met redelijk wat tijd verlengen terwijl de incidentie op het meconiumaspiratiesyndroom door deze handeling niet verkleint [59]. Intrapartum aspireren wordt daarom niet meer aangeraden [59]. Bij areactieve kinderen zal men wel intuberen en via deze weg het aanwezige meconium aspireren.
Het APGAR-scoresysteem werd gebruikt om na 1 minuut het verdere reanimatiebeleid
te richten:
Bij gebrek aan een stethoscoop kan men de hartslag gemakkelijk palperen aan de navelstrengbasis. Bij ruim 90% van de pasgeborenen zal de initiële APGAR-score meer dan 7 bedragen; voor deze baby's eindigt de feitelijke reanimatie. Bij een APGAR-score van 4 tot 7 spreekt men van een matige of "blauwe" asfyxie, 0 tot 3 is een ernstige of "witte" asfyxie. De APGAR-score was evenwel niet ontworpen om de reanimatienood van pasgeborenen in te schatten. Een kort uitstel in de start van de resuscitatie te beginnen kan leiden tot een lange vertraging in de recuperatie van spontane en regelmatige ademhaling. Stel daarom nooit de resuscitatie uit in afwachting van een beoordeling van de APGAR-score op 1 minuut. Bovendien blijft de APGAR-score een zeer subjectieve score [59] terwijl de afzonderlijke componenten van hartritme, respiratoire activiteit en huidskleur op zich wel een idee geven over de nood aan resuscitatie. Door geregeld deze parameters te evalueren kan je bovendien de efficiëntie van de reanimatie beoordelen.
Het kan gerechtvaardigd zijn om een neonaat niet te reanimeren in geval van:
Op basis van de evaluatie van voorgaande parameters kan je de pasgeborene meestal indelen in ëën van de vier volgende groepen [59]:
Een kleine groep van de pasgeborenen zal niet reageren op de onmiddellijk ingezette reanimatie. Denk in dit geval aan een hernia diafragmatica, een deficiëntie van het surfactant, een congenitale pneumonie, een pneumothorax of een cyanotisch congenitaal hartlijden. Vrijmaken van de luchtwegen bij de pasgeboreneBij persisterende cyanose of
bij een
bradycardie
minder dan 100bpm kan zachte cutane
stimulatie door afdrogen volstaan en wordt extra
zuurstof
toegediend.
Leg de baby op de rug in een neutrale positie of in lichte extensie, te
bekomen door een gevouwen doek van 2 centimeter dikte onder de
schouderbladen te plaatsen. Bij pasgeborenen zonder spiertonus kan de
jaw
thrust of een
oropharyngeale luchtweg van de juiste maat helpen om de
luchtweg te vrijwaren. Ballonbeademing van de pasgeboreneBij primaire apnoe zal
nadien
ballonbeademing
noodzakelijk zijn. Gebruik een
beademballon met een neonataal
masker
en een volume van 500mL. De techniek van
beademing
is verschillend voor de eerste en de latere ademhalingen
[1]: hou bij de eerste 5 tot 6 ademhalingen de inspiratiedruk gedurende
2 tot 3
seconden aan
[59]. De verlenging van de eerste inspiratie
zal het eerste inspiratoir volume meer dan verdubbelen met een grotere
functionele residuele capaciteit tot gevolg. Deze beademtechniek wordt in het
algemeen meer consistent bekomen indien je gebruik maakt van een T-stuk in
plaats van een beademballon, hoewel de klinische implicaties hiervan niet
gekend zijn
[59]. De overdrukklep van de
reanimatieballon,
ingesteld op 20 tot 30 cm water, biedt in slechts een minderheid van de gevallen een te
lage druk om een voldoende longexpansie bij de geboorte teweeg te brengen. Daarom dient het
systeem voorzien te zijn van de mogelijkheid om deze druk aan te passen. Deze
overdrukklep is bovendien volumegecontroleerd waardoor ze de door de
verkoper voorgeschreven druklimiet kan overschrijden
[59]. Zuurstoftoediening bij de pasgeborene
Traditioneel wordt bij een reanimatie een concentratie van 100%
zuurstof gebruikt. Reeds tien
jaar na de ontdekking van zuurstof in 1780
werd zuurstof gebruikt om neonati met
een deficiënte
ademhaling te ondersteunen. Meer en meer vindt men echter aanwijzingen dat bij aterme babyës deze hoge
zuurstofconcentratie weinig voordeel biedt en dat ongereguleerde
zuurstoftherapie eerder schade berokkent door
het verhogen van de concentratie vrije zuurstofradicalen
[1]. Tevens is een retinopathie
ten gevolge van hoge zuurstofconcentraties beschreven en bestaat de mogelijkheid dat deze
zuurstofconcentratie de cerebrale circulatie en de ademhaling deprimeert. Zowel dierexperimenten als studies met mensen
toonden aan dat bij hyperoxie het zuurstofverbruik verhoogt en de ademarbeid toeneemt, terwijl
het ademminuutvolume vermindert. Al bij al bestaat er te weinig wetenschappelijke evidentie om de nodige zuurstofconcentratie bij de reanimatie van een pasgeborene in richtlijnen vast te leggen, standaard gebruikt men nog steeds een 100% zuurstofconcentratie bij de reanimatie van neonati [59].
Het monitoren van de zuurstofsaturatie
kan nuttig zijn. Pasgeborenen bereiken echter pas na 10 minuten en
zuurstofsaturatie van meer dan 95% preductaal en pas na een uur postductaal
[59]. Indicatie tot intubatie van de neonaatWordt enkele minuten na het starten van de ballonbeademing nog geen adequate cardiopulmonaire toestand bekomen, dan zal het kind geëntubeerd en geventileerd moeten worden. Ook om meconium te aspireren uit de trachea kan je opteren om een endotracheale tube te plaatsen. Tenslotte kan de beslissing tot intubatie genomen worden op basis van een extreem laag geboortegewicht of bij een congenitale hernia diafragmatica. Berekenen van de maat van endotracheale tube
Techniek intubatie neonaatDe techniek is voorbehouden aan ervaren artsen. Lichtzinnige pogingen door
onervaren artsen kunnen immers leiden tot
oesofagale intubatie of
tot farynxperforatie
met deterioratie van de toestand. Het is voornamelijk op dit niveau dat thuisbevalling
als een anachronisme moet beschouwd worden.
Larynxmasker bij de pasgeboreneOok het larynxmasker kan efficiënt gebruikt worden voor de beademing van pasgeborene en premature kindjes [59]. Er bestaan echter weinig gegevens over het gebruik van een larynxmasker bij neonati met een klein lichaamsgewicht. Het gebruik van een larynxmasker wordt bemoeilijkt indien thoraxcompressies noodzakelijk zijn en wanneer er meconium geaspireerd is. Op heden wordt het larynxmasker bij de reanimatie van neonati vooral aangeraden als alternatief voor een moeilijke endotracheale intubatie [59]. Ventilatie van de pasgeboreneBeademdruk
Traditioneel trachtte men de beademingsdrukken laag te houden door gebruik te maken van
een T-stuk op de inspiratoire buis van de ventilator. Het vrije uiteinde ervan werd verbonden
met een glazen buis welke in een waterkolom geplaatst werd. De diepte onder water bepaalde de druklimiet van de beademing. In de Westerse Wereld maakt men actueel gebruik van kleppen geplaatst in het circuit van het beademtoestel. De eerste studies gaven aan dat de beademdrukken niet hoger dan 20 tot 25 cmH2 mochten bedragen, op heden beperkt men deze drukken meestal tot 20 - 30 cmH2O. De optimale druk om een effectieve FRC te bereiken is nog niet gekend, een succesvolle beademing wordt bekomen met gemiddelde piekdrukken van 30 tot 40 cmH2O [59]. De initiële piekdrukken zijn echter zeer patiënt afhankelijk en worden best geëndividualiseerd op basis van de thoraxexcursie. Deze beademdrukken worden aangehouden gedurende 1 seconde en resulteren in een teugvolume van 5 mL/kg, ongeveer de helft van een spontaan ademende neonaat. Bij dergelijke kleine teugvolumina kan de FRC niet opgebouwd worden en bereikt men aldus geen effectieve beademing. Dit probleem wordt vervolgens opgelost door een lange inflatietijd van 3 seconden toe te passen. De eerste ademteugen mogen daarbij een hogere druk en een langere inflatietijd bereiken dan de volgende. Prematuren hebben men vaak nood aan hogere inflatiedrukken gezien de longen ten gevolge van het deficiënte surfactant een kleinere compliantie hebben. Zowel bij prematuren als bij a terme babyës maakt men zich zorgen over het effect van overventilatie bij het gebruik van hoge beademdrukken. Deze bezorgdheid lijkt gegrond te zijn vermits voornamelijk het teugvolume en minder de beademdruk schade toebrengt aan de longen van de pasgeborene. Zijn de beademdrukken adequaat voor normale expansie van de thorax en niet excessief, dan heeft men de juiste keuze gemaakt. Gebruikt men relatief hoge drukken gedurende een lange tijd dan komt de beademing niet overeen met de ademhaling die een normale pasgeborene vertoont. Ademdrukken van meer dan 50 cmH2O met inflatietijden van minder dan 0.5 seconden geven aanleiding tot een adequaat volume en het creëren van een FRC. Men weet echter niet welk beademschema superieur is van beide op langere termijn. Maakt men gebruik van volumegecontroleerde beademing dan worden een aantal babyës duidelijk geventileerd met fors hoge drukken. De longen van premature kinderen raken snel beschadigd door te hoge beademvolumina, overmatige thoraxexcursies worden dan ook bij voorkeur vermeden. BeademfrequentieBeademfrequenties van 30 tot 60 beademingen per minuut worden geregeld gebruikt, wetenschappelijk bestaat er geen evidentie over de meest optimale frequentie [59]. PEEPHet onderhouden van een hoge "positive endexpiratory pressure" of PEEP werkt eerder protectief [59]. Door het instellen van een hoge PEEP zal de longcompliantie gasuitwisseling verbeteren. Initiëel wordt een PEEP van 20 tot 25 cmH2O aangeraden, bij sommige kinderen is een hogere PEEP noodzakelijk. Ook de CPAP-instelling kan nuttig zijn voor de initiële beademing van neonati. Hartmassage van de pasgeboreneHet heeft geen zin om de circulatie te ondersteunen zolang niet voorzien is in een adequate ventilatie en oxygenatie. Asfyxie veroorzaakt immers perifere vasoconstrictie, weefselhypoxie, acidose en een slechte myocardiale contractiliteit met bradycardie en eventueel asystolie. Het onmiddellijk toepassen van effectieve beademing en oxygenatie kan deze kritieke toestand verijdelen. Hartmassage is dus enkel aangewezen indien de hartslag van het kind trager blijft dan 60 slagen per minuut, ondanks adequate ventilatie [59].Optimaal zal je de hartmassage doorvoeren door met de beide duimen op de onderste helft van het borstbeen te drukken, terwijl je overige vingers de borstkas van het kind omcirkelen en de rug ondersteunen. Druk het onderste derde van het borstbeen in over een diepte van een derde van de voorachterwaartse diamter van de thorax. Theoretisch is bij de hartmassage van jonge kinderen het ook beter om de compressiefase korter te maken dan de relaxatiefase [59]. Zorg er wel voor dat de thorax volledig kan ontspannen na de compressie. Bij pasgeborenen gebruik je bij voorkeur een verhouding van 30 hartmassages en 1 beademing, hiermee bereik je een totaal van 90 compressies en 30 beademingen per minuut. Toch blijft de kwaliteit van de reanimatie veel belangrijker dan de verhouding en de frequentie van de hartmassages en de beademingen [59]. Controleer elke dertig seconden de circulatie en zet de reanimatie verder indien het hartritme trager is dan 60 slagen per minuut. Infusietherapie bij de pasgeboreneHet plaatsen van een intraveneuze toegangsweg is bij pasgeborenen niet zo eenvoudig, vaak is het plaatsen van een navelcatheter van 5 Gauche noodzakelijk. Hiertoe snij je de navelstreng in op 2 - 3 cm verwijderd van de abdominale huid waarna je een catheter opschuift tot er bloed in stroomt. Indien het niet mogelijk is om een veneuze toegangsweg te bekomen, kan ook een intraosseuze catheter ingebracht worden in de tibia. Een hypovolemische shock kan vaak afgeleid worden uit de voorgeschiedenis. Frequente oorzaken zijn placenta praevia of een navelstrengruptuur. Correctie van de volemie door intraveneuze toediening van een colloëdale oplossing aan 10-20 mL/kg is aangewezen. Geef hiervoor bloed, plasma of een vervangmiddel zoals SOPP, albumine of fysiologisch serum. Farmaca bij de reanimatie van de pasgeboreneInleidingBij de reanimatie van een neonaat zijn farmaca zelden aangewezen [59]. Een bradycardie is immers meestal het gevolg van een inadequate ventilatie of oxygenatie, de belangrijkste behandeling bestaat dus in het herstellen of ondersteunen van de ademhaling. Blijft de hartfrequentie echter trager dan 60 slagen per minuut ondanks adequate ventilatie en hartmassage, dan zijn farmaca eventueel geëndiceerd. Geef de inotropica bij voorkeur via een navelkatheter. Levorenine
Ondanks het gebrek aan wetenschappelijke evidentie lijkt het redelijk om
levorenine toe te
dienen wanneer de ventilatie en de
hartmassage falen. Geef
levorenine aan
een intraveneuze dosis van 10 tot 30 ëg/kg.
Hogere intraveneuze doses (100 ëg/Kg)zouden de neurologische outcome na
een reanimatie eerder compromitteren
[59]. Natriumbicarbonaat
Bij een foetus met zuurstoftekort zal de pH in vijf minuten dalen van 7.32
naar 7.00 en naar 6.8 in tien minuten. Deze ernstige acidose
veroorzaakt een verminderde hartcontractiliteit en vasoconstrictie van de pulmonale bloedvaten.
Zelfs indien de neonaat adequaat wordt geventileerd zal
de oxygenatie ontoereikend zijn door de verminderde pulmonale perfusie.
Farmaca zoals
levorenine werken tijdens
een acidose bovendien minder
efficiënt.
InleidingNa het herstellen van de circulatie en het ondersteunen van de ventilatie wordt het kind bij voorkeur verder verzorgd op een neonatale eenheid waar continue monitoring mogelijk is. GlucoseEr bestaat en associatie tussen hypoglycemie na de reanimatie en een slechte neurologische outcome. Hypoglycemie in combinatie met hypoxie of ischemie veroorzaakt grotere cerebrale infarcten en een kleinere overlevingskans [59]. De effecten van hyperglycemie - nefast bij volwassenen - werden bij neonati niet onderzocht. Men kan dan ook geen richtlijnen opstellen in verband met de na te streven glycemie na de reanimatie. Tracht na de reanimatie van de neonaat een normale glucosespiegel te handhaven [59]. Geënduceerde hypothermieHet instellen van
geënduceerde
hypothermie tot 34.5ë Celsius zou de neurologische outcome kunnen
verbeteren
[59]. Matige hypothermie gaat gepaard met een
bradycardie en een
verhoogde bloeddruk waarvoor meestal geen behandeling noodzakelijk is. Het snel
corrigeren van de temperatuur kan echter aanleiding geven tot belangrijke
hypotensie
[59].
Afwezigheid van enig antwoord na tien minuten reanimeren heeft een zeer slechte prognose voor wat betreft de overleving zonder restletsels [20] . Bij de pasgeborene kan het dus gerechtvaardigd zijn om de reanimatiepogingen te stoppen indien na tien minuten nog geen spontane circulatie is opgetreden [59]. Het stoppen van de reanimatiepogingen wordt ethisch als equivalent beschouwd van het onthouden van medische ondersteuning. De arts dient dus niet terughoudend te zijn in het afbouwen van de therapie wanneer de kans op functioneel herstel hoogst onwaarschijnlijk is [59]. Ouders wensen meestal te participeren in de beslissing tot het beëindigen van de reanimatie [59]. De beslissing wordt bij voorkeur genomen door een senior staflid in communicatie met de ouders, de vroedvrouwen en de verloskundige en rekening houdend met eventuele onderliggende congenitale misvormingen. Volgende aandoeningen hebben een zeer hoge morbiditeit en kunnen de beslissing om de reanimatie te beëindigen ondersteunen [59]:
Bij een onduidelijke prognose en beperkte overlevingskansen met een hoge graad van morbiditeit respecteer je bij voorkeur de wens van de ouders. Elke beslissing omtrent het beëindigen van een reanimatie wordt uitvoerig gemotiveerd in het dossier.
Het is van groot belang dat het team dat zorgt voor de pasgeborene, voldoende communiceert met de ouders. Na een routineverlossing wordt het kind zo snel mogelijk aan de moeder overhandigd. Indien het kind gereanimeerd wordt, geef aan de ouders dan uitleg over de acties die ondernomen worden en waarom [59]. CPR / Oorzaken / Neonatale resuscitatie | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||