|
CPR \
Oorzaken
\
Polytrauma
Index
Inleiding
polytrauma
|
|
De aanpak van traumata buiten het ziekenhuis ontplooide zich op verschillende wijze
in verschillende landen. De wijze van aanpak berust meestal meer op intuïtie en
op het
enthousiasme van individuen en organisaties dan op echte wetenschappelijke evidentie.
De aanpak van traumapatiënten op het terrein wordt dan ook Men stelt
dan ook de aanpak van traumapatiënten op het terrein vaak in vraag
[33].
Twee concepten veranderden drastisch de ontwikkeling in de zorgen voor traumapatiënten
op het terrein alsook in het ziekenhuis: het concept van het
Gouden Uur en de trimodale verdeling van overlijdens ten gevolge van
traumata.
Een polytrauma is een ernstig tot levensbedreigend trauma waarbij letsels
zijn opgelopen in meerdere orgaansystemen. De levensbedreigende toestand of het
risico op irreversibele orgaanschade vereist dringend medisch of chirurgisch
ingrijpen.
Bij de oorzaken van het cardiaal arrest
vinden we op de tweede plaats de
traumatische urgenties,
hetzij langs de baan (verkeersongevallen), hetzij thuis huisongevallen.
Trauma is hoofdoorzaak van overlijden bij kinderen en in de populatie
jonger dan 40 jaar.
Trauma is tevens de derde doodsoorzaak na kanker en
atherosclerose in alle leeftijdsgroepen.
Cardiaal
arrest ten gevolge van een traumatisch letsel kent een hoge mortaliteit en
een overleving van slechts 2.2%
[55].
Per dag sterven in België vier, meestal jonge, slachtoffers ten gevolge van een
verkeersongeval (1.360/jaar), ondanks de toegenomen veiligheid van de
wagens. Per jaar lopen ongeveer 11.000 personen in het
verkeer een zwaar letsel op met blijvende invaliditeit en 58.000 een
lichter letsel.
Het totale aantal fatale "letselongevallen" door stomp en scherp
trauma en door intoxicaties wordt geraamd op ongeveer 70 per 100.000. De
meerderheid van de polytraumaslachtoffers zijn mannen; zij lijken meer
risicogedrag te vertonen..
De overlijdens ten gevolge van een polytrauma presenteren zich volgens een
trimodale verdeling.
De meerderheid van de slachtoffers die het traumatisch
cardiaal
arrest wel overleven,
houden neurologische letsels over aan de
circulatiestilstand.
In 1983 noteerde Trunkey een trimodale verdeling van de mortaliteit voor bij
traumapatiënten. Hij suggereerde dat 50% van de overlijdens zich onmiddellijk voordoen
na het ongeval omwille van letale letsels. De doodsoorzaak is in deze gevallen
meestal massieve beschadiging van de hersenen, van de grote luchtwegen of van
het hart en de grote bloedvaten. De enige manier om deze overlijdens te
voorkomen is het uitwerken van preventieve maatregelen zoals een strenge
controle van de snelheid en het rijden onder invloed van alcohol of drugs, het
dragen van de veiligheidsgordel en andere maatregelen. Een tweede piek van 30% in de
mortaliteit doet zich voor in de eerste vier uren na het ongeval en een derde piek van
20% ontstaat na vier uren. De oorzaken van overlijden zijn
hier voornamelijk de epi- en subdurale bloedingen,
massief hersenoedeem met inklemmen, exsanguinatie door lever- of miltruptuur,
ernstige longcontusie en andere levensbedreigende aandoeningen. De hulpverlening op het terrein concentreert zich
voornamelijk op het voorkomen van deze tweede en derde piek.
Studies met betrekking tot stomp trauma blijken deze gegevens echter niet te
bevestigen. In deze studies komt eerder een bimodale verdeling van de mortaliteit tot
uiting waarbij de mogelijkheid om levens te redden met een snelle en efficiënte behandeling,
minder uitgesproken is [33]. Het
is dus niet duidelijk welk aandeel van de overlijdens kan worden voorkomen door een goede
behandeling op het terrein. Cijfers lopen duidelijk sterk uiteen, waarbij het er
op lijkt dat een meerderheid van de overlijdens ten gevolge van traumata
uiteindelijk onvermijdelijk is. Toch zou het voorkomen van slechts een klein aantal van deze overlijdens
medisch en economisch gezien nuttig kunnen zijn.
Een laatste groep van 20% sterft tijdens de dagen of weken na het ongeval. Hiertoe behoren
de patiënten met zwaar neurotrauma en de patiënten die overlijden ten gevolge van
secundaire problemen zoals het Acute Respiratory Distress Syndrome, multi-orgaanfalen
en
sepsis. Deze laattijdige verwikkelingen kunnen grotendeels vermeden worden door een goede eerste
opvang met het vermijden van hypoxie en shock
[1].
Een cardiaal arrest bij kinderen is weinig frequent. doet
het arrest zich voor ten gevolge van een trauma, dan zijn de
overlevingskansen beperkt. De overlevingskansen zijn best indien het
cardiaal arrest het gevolg is van hypoxemie. Een hypovolemische oorzaak
heeft dan weer een slechtere prognose
[63].
|
|
|
Indien zich complicaties
voordoen binnen het uur na het ontstaan van het trauma is de kans op
decompensatie van de vitale functies enorm groot. De kansen op overleving na traumatisch cardiaal arrest staan
in verband met de duur van de reanimatie en de tijd die verstrijkt tussen
het incident en de hospitalisatie. Langdurige CPR staat gelijk aan een
slechte outcome, de maximale reanimatietijd met kans op succes is 16 minuten
[55].
Het concept van het Gouden Uur legt dan ook de nadruk op een snelle medische interventie het
eerste uur na het ontstaan van een trauma. Een vroegtijdige en gecoërdineerde
aanpak van het trauma kan de overlevingskansen van het slachtoffer
aanzienlijk vergroten. Dit principe is belangrijk voor de zorg op het
terrein, gezien in de meeste urgentiesystemen de patiënten het ziekenhuis het eerste uur na
het ongeval niet bereiken [33].
Veel publicaties leggen dan ook de nadruk op snelle interventietijden. Evalueert men echter
de tijd die verloopt vóór de alarmering, de reactietijd van de hulpdiensten,
de tijd die de hulpdiensten nodig hebben om het slachtoffer te bereiken, de behandeltijd op
het terrein en de transporttijd naar het ziekenhuis, dan brengen traumapatiënten het
grootste deel van dit golden hour door buiten het gespecialiseerde domein van de
spoedopname.
De actie
ondernomen door de omstanders, de
alarmering en reactietijd van de hulpdiensten, de interventies
doorgevoerd door het ziekenwagenpersoneel en
tenslotte van de wijze en snelheid van transport naar het
ziekenhuis bepalen dus in belangrijke mate het verloop van dit Gouden Uur en de
outcome van de patiënt. "The right trauma patiënt should get to the right
hospital at the right time".
De meeste traumapatiënten overlijden uiteindelijk ten gevolge van hypoxie
van de weefsels en tenslotte van de cellen. Nochtans kan het overlijden
ook veroorzaakt worden door denaturatie van proteïnen en enzymen, door
hoge of lage pH in de weefsels of door toxines waaronder inhibitoren van het
metabolisme. Er ontstaat een cascade van desorganisatie van de orgaansystemen
over deterioratie van de functie van de verschillende individuele organen,
over rigor mortis naar bacteriemie naar weefseldood en collaps van de
celhemostase.
Ook vanuit klinisch standpunt kan men verschillende stadia bij het
overlijden aantonen. Eerst is er het effect van het traumatisch agens
zelf, zoals hemorrhagie of weefselschade. Nadien collaberen de homeostatische
mechanismen welke de ademhaling,
bloeddruk, temperatuur en het immuunsysteem
reguleren, tenzij men snel de reanimatie instelt. In de derde fase
ontstaan chemische veranderingen zoals disruptie van de metabole pathways,
denaturatie van proteïnen en het stilvallen van de biosynthese. Bacteriën
breken de weefsels af en er ontstaat proteolyse. Deze veranderingen kan
men vertragen door hypothermie. Ze ontstaan echter wanneer het
slachtoffer bewusteloos is en de
bloeddruk irreversibel
op nul valt.
Hemorrhagie
Het slachtoffer verliest bloed indien een grote slagader of vene
beschadigd werd door het trauma of indien het hart werd
gepenetreerd. Minimaal bloedverlies wordt gecompenseerd door lokale vasoconstrictie. Eén tot twee liter bloed kunnen verloren gaan
in de ledematen, thorax of het abdomen zonder klinisch merkbare
zwelling. Indien het slachtoffer echter acuut meer dan 20 tot 25% bloed
verliest zal het vasomotorische systeem collaberen, vermoedelijk omdat
de baroreceptorreflexen uitvallen ten gevolge van hypoxie. De hoeveelheid
bloedverlies is meestal zeer moeilijk in te schatten en vaak zijn de
symptomen van hemorrhagische shock de eerste
tekenen van een ernstig bloedverlies. Binnen het uur overlijdt de patiënt tenzij de bloeding
wordt gestelpt en het bloedverlies wordt vervangen door toedienen van
infusievloeistoffen.
Weefseldestructie kan worden veroorzaakt door een explosie of door mechanische impact
waarbij de integriteit van het lichaam verloren gaat en het slachtoffer overlijdt ten gevolge
van bloedverlies of decapitatie.
Een slachtoffer overlijdt aan hersenschade indien de schade zeer uitgebreid is of
indien de vitale centra in de medulla vernietigd zijn, gezien van hieruit de
ademhaling gestuurd wordt. Na excisie of afwezigheid van
andere grote delen van de hersenen kan een virtueel normale fysiologische en psychologische
activiteit mogelijk zijn. De medulla is belangrijk omwille van de
respiratoire en cardiale
centra, doch is tevens de communicatieroute tussen de hersenen en het ruggenmerg.
Indien het hoofd van het slachtoffer duidelijk is gescheiden van de romp ontstaat een
discontinuïteit tussen de hersenen en het ruggenmerg samen met ernstig bloedverlies uit de
arteriën.
|
|
|
Men kan de kans op mortaliteit niet voorspellen aan de hand
van de initiële klinische tekenen. Sinusritme of reactieve pupilreflexen
zijn eventueel gecorreleerd met een betere overleving terwijl bij
penetrerende traumata de pupilreactiviteit; de respiratoire activiteit en de
aanwezigheid van een sinusritme gecorreleerd lijken met meer kans op
overleven. Deze tekenen zijn echter onbetrouwbaar.
De "American College of Surgeons" en de "National
Association of EMS Physicians" schreef richtlijnen uit in verband met
het onthouden van CPR-technieken bij:
Deze aanbevelingen worden echter in vraag gesteld gezien ook
bij deze slachtoffers beperkte overlevingskansen zijn (55).
Mannen en ouderen lopen een groter risico op overlijden na een verkeersongeval.
Ook de tijd die nodig is om een gekneld slachtoffer te bevrijden, de schade
aan de bestuurscabine en de snelheid zijn geassocieerd met de ernst van het
trauma
[64].Geknelde slachtoffers vertonen vaak
meerdere traumaletsels en hebben een grotere kans op overlijden.
Vroegtijdige reanimatie kan noodzakelijk zijn, zowel op het terrein als op
de spoedopname dien je hiervoor alert te zijn. Geknelde slachtoffers
vertonen ook meer letsels aan de onderste ledematen. Deze letsels worden
vaak gemist omdat meer aandacht besteed wordt aan de levensbedreigende
pathologie. Bij het onderzoek van een gekneld slachtoffer dient je dus zeker
aandacht te besteden aan mogelijke fracturen van voet, enkel en onderbeen.
Werd tijdens het ongeval het stuur of het dashboard beschadigd, dan moet je
alert zijn voor letsels aan de thorax of het abdomen. Een zijdelingse impact
bij een verkeersongeval geeft ook aanleiding tot meer ernstige letsels, door
de directe blootstelling van de chauffeur of de begeleider aan het voertuig
van de tegenpartij.
|
|
|
Traumata zijn vaak geassocieerd met misbruik van alcohol of intoxicaties met
andere drugs. Dit leidt tot ernstige implicaties bij de
aanpak van de traumapatiënt.
In de middeleeuwen werd alcohol door alchemisten beschouwd als het levenselixir.
Zo ontstond ook de Gallische term "quebaugh", nu uitgesproken als
"whisky",
wat "levenswater" betekende. Vandaag zijn de medische en sociale gevolgen van misbruik
van alcohol duidelijk gekend.
Alcohol wordt herkend als medeoorzaak bij 50%
van het overlijden ten gevolge
van traumata. In Groot-Brittannië had 23% van de overledenen bij een verkeersongeval
te hoge alcoholwaarden in het bloed en nam het aantal ongevallen ten gevolge van
alcoholmisbruik significant toe in de periode tussen 1993 en 1996. Het risico
van ernstige
hersentraumata is recht evenredig met de concentratie van alcohol in het bloed
[36]. Chauffeurs onder invloed
van alcohol hebben 17 maal meer kans om betrokken te raken bij een verkeersongeval.
De effecten van alcoholingestie zijn goed gekend. Het zelfvertrouwen neemt toe, terwijl
de concentratie gestoord raakt, samen met sensorische en motorische stoornissen en
verminderde reflexen. Bij ernstige intoxicatie daalt het
bewustzijn met eventueel coma tot gevolg, gecombineerd met
onderdrukking van de ademhaling en de
hartwerking. Het is vaak moeilijk om objectief vast te stellen
in welke mate iemand is geïntoxiceerd.
Drugmisbruik vormt wereldwijd een
escalerend probleem.
Voornamelijk cannabis en op de tweede plaats de synthetische drugs zoals
amfetamines en hun derivaten en LSD worden
misbruikt. Ook
cocaïnemisbruik leidt
vaak tot trauma.
Cannabis of tetrahydrocannabinol, wordt snel geabsorbeerd doorheen de
respiratoire mucosa met een plasmapiek na tien minuten en een werkingsduur van
twee tot drie
uren. In de lever wordt het afgebroken tot metabolieten die via de nieren worden geëxcreteerd.
Matige veranderingen van het sensorisch bewustzijn en van de coördinatie stellen de
gebruikers bloot aan een toegenomen traumarisico. Door de sympathische stimulatie zal ook
de bloeddruk en het hartritme toenemen. Conjunctivale congestie is een zeer sensitief maar
weinig specifiek teken [40].
Een hartstilstand met medische oorzaak - aritmie,
hypoglycemie, stuipen - kan een traumatisch ongeval vooraf gaan. Hou dus
rekening met een eventuele onderliggende medische pathologie als
oorzaak van een trauma.
Commotio cordis of hartcontusie wordt veroorzaakt door een
stompe impact op de harspier waarna een ernstige cardiale depressie of een
hartstilstand optreedt (55).
De impact op het hart tijdens een kwetsbare fase in de hartcyclus kan ernstige
aritmieën veroorzaken, vaak ventrikelfibrillatie, met syncope tot gevolg.
Commotio cordis ontstaat typisch bij sporters en dus bij jonge
slachtoffers - met een gemiddelde leeftijd van 14 jaar (55)
- en meestal van het mannelijk geslacht. Commotio cordis kent een totale
overleving van slechts 15%, deze neemt echter toe tot 25% indien binnen de
drie minuten met de reanimatie gestart wordt (55).
De mate waarin buiten het ziekenhuis de interventie doorgedreven
wordt is afhankelijk van de onmiddellijke aan- of afwezigheid van gespecialiseerde
hulp. Op het terrein zal men echter onder alle omstandigheden aandacht
besteden aan de kwaliteit van de Basic
Life Support en de Advanced
Life Support en aan het behandelen van omkeerbare aandoeningen. Naast de
essentiële levensreddende handelingen dient men een eventuele medische oorzaak van het ongeval op
te sporen en enkel essentiële levensreddende handelingen door te voeren. Indien
de patiënt tekenen van leven vertoont zal men evenwel voorzien in een snel
transport naar het dichtst bijzijnde gespecialiseerde centrum.
Bij een polytraumaslachtoffer mag je in geen geval de wervelkolom bewegen,
tenzij er acuut gevaar dreigt. Hou het hoofd, de hals, de borstkas en de lumbale
wervelzuil van het slachtoffer in een neutrale lijn tijdens de
reanimatie. Tracht het hoofd van het slachtoffer met je handen te immobiliseren
en laat het slachtoffer zo weinig mogelijk praten. Zorg bij een
bewusteloos slachtoffer voor
vrije
luchtwegen door het toepassen van de
kinlift of de
jaw thrust.
Het kantelen van
het hoofd kan theoretisch de letsels aan de wervelzuil vergroten,
niettegenstaande deze complicatie in de praktijk niet is gedocumenteerd en het
risico dus ongekend is [57].
Toch laat je best het
kantelen van het
hoofd achterwege zolang je een
vrije
luchtweg kan bekomen met door het toepassen van de
kinlift of de
jaw thrust.
Blijkt het onmogelijk om met deze technieken adequaat de
luchtweg te
vrijwaren,
kantel dan het hoofd een beetje tot de luchtweg wel open is; het
vrijwaren
van de luchtweg krijgt uiteraard prioriteit op het voorkomen van verdere
letsels aan de halswervels.
Bij een slachtoffer met een hoge halswervelbreuk dreigt het gevaar van een
ademhalingsstilstand.
Controleer dan
ook geregeld de ademhaling.
Snel
alarmeren en correct uitsturen van de gepaste medische hulp
kan de morbiditeit en mortaliteit van de slachtoffers verminderen. De tijd die verstrijkt op
de plaats van het ongeval is evenredig met de sterfte: elke toegevoegde
minuut op het terrein komt overeen met een risico dat toeneemt met 5%
(35). Voornamelijk patiënten
met ernstige bloedingen lopen een hoger risico indien de tijd op de plaats van het ongeval
wordt verlengd
(35).
Om de inzettijd te verkorten
maken sommige dispatchings gebruik van
triagesystemen bij het uitsturen van de gepaste hulp. Toch kennen ook deze systemen
nadelen gezien men zich volledig baseert op de informatie gegeven door de beller.
De twee meest gebruikte systemen zijn het Criterion Based Dispatch (CBD) waarbij
guidelines de dispacheur helpen om een besluit te nemen en het Advanced Medical Priority
Dispatch (AMPD) waarbij vragen en protocollen weinig ruimte laten voor interpretatie door
de dispacheur. Beide systemen blijken efficiënt te zijn
(33).
Bij de hypovolemische
traumapatiënt met circulatiestilstand
of in geval van harttamponnade is hartmassage
minder efficiënt bij een cardiale oorzaak van de hartstilstand (55).
Toch werd herstel van de spontane
circulatie beschreven en blijft de hartmassage de standaardtechniek,
ook in geval van traumatisch cardiaal arrest (55).
Een uitwendige bloeding kan slagaderlijke, een aderlijke of
een haarvatenbloeding zijn. Een haarvatenbloeding is een puntjesbloeding, niet
levensbedreigend en voorkomend ten gevolge van een schaafwonde. Een aderlijke bloeding is een
vloeiende bloeding, bij een slagaderlijke bloeding zal het bloed uit het bloedvat gulpen.
Meestal gaat het om een combinatie van beide bloedingen.
Een uitwendige bloeding kan men best stelpen door het uitoefenen van
rechtstreekse druk op de wonde. Men kan dit doen met behulp van een reine zakdoek,
een kompres of een drukkend verband. In de handel bestaan tevens noodverbanden welke
een combinatie vormen van een kompres en een verband om snel op de bloedende wonde te leggen.
Sijpelt de bloeding door het verband door, dan zal men over dit verband een nieuw verband
aanleggen.
Bovendien kan men het bloedverlies verminderen door het getroffen lidmaat in de hoogte
te houden.
Helpt de combinatie van rechtstreekse druk en hoogstand onvoldoende, dan kan men
onrechtstreekse druk proberen. Hierbij zal men de bloedende arterie proximaal van
de bloeding dichtdrukken tegen het bot aan. In de praktijk kan men dit enkel doen ter hoogte
van de bovenarm of het dijbeen. Een knevel is een noodoplossing voor onmogelijk te stelpen
bloedingen en dient in de praktijk zoveel mogelijk vermeden te worden.
Ook het aanleggen van een spalk helpt bij het stelpen van bloedingen.
Door de patiënt zo weinig mogelijk te mobiliseren voorkomt men het loskomen van
een reeds gevormde bloedklonter; behandel de patiënt daarom steeds zo
voorzichtig mogelijk!
In geval van ernstige bloedingen dient men de tijd op het terrein beperkt te
houden om levensreddend chirurgisch stelpen van de bloeding te bespoedigen.
Voor een optimale ventilatie
is het intuberen van de
patiënt aangewezen; het uitvoeren van een endotracheale
intubatie verhoogt aanzienlijk de tolerantieperiode voor CPR
[55].
Hiervoor is echter personeel
noodzakelijk dat getraind is in een techniek die niet zeer frequent zal worden doorgevoerd. Voorts
is de traumapatiënt meestal niet nuchter en weinig gemakkelijk te intuberen
[55]
waardoor men moet voorbereid te zijn op een noodplan indien de intubatie
zou falen na de toediening van spierrelaxantia. De toediening van spierrelaxantia kan immers
snel een niet-te-intuberen patiënt in een niet-te-intuberen-noch-te-ventileren toestand
brengen.
De techniek van de intubatie
bij een traumapatiënt vereist manuele stabilisatie
van de wervelzuil en het hoofd, toepassen van de cricoïddruk
en snelle orotracheale intubatie.
Cricoïddruk wordt toegepast om regurgitatie
van maaginhoud en aspiratie van deze maaginhoud in de longen te voorkomen. Men kan de
techniek uitvoeren met één of met twee handen, waarbij de tweede hand in dat
geval de cervicale wervelzuil ondersteunt. Vroeger onderzoek toonde echter aan
dat bij gebruik van slechts één hand de hals zal worden verplaatst over een
afstand van gemiddeld 4.6 millimeter (1).
Een dergelijke beweging van de halswervelzuil kan een onderliggend letsel aan
het spinaal kanaal erger maken, met neurologische deterioratie tot gevolg. In de
praktijk past men de cricoïddruk
echter meestal toe met slechts één hand. De hulpverlener die assisteert wil
immers tegelijkertijd met de andere hand additionele hulpmiddelen voor de intubatie
willen aanreiken. Bovendien liggen de meeste cervicale fracturen buiten het
gebied van C5-6, waardoor de kracht toegepast op het cricoïd vermoedelijk niet
significant is (42).
Het materiaal voor een moeilijke intubatie
is buiten het ziekenhuis meestal niet beschikbaar. Gebruik van het larynxmasker werd voor traumapatiënten nog niet
uitgebreid onderzocht, in nood kan men ook de Combitube
gebruiken.
Indien zowel de intubatie als de
beademing
falen is een
cricothyrotomie
aangewezen (55). De succesratio voor deze
techniek is hoog, zowel voor getrainde als voor niet-getrainde hulpverleners
(33).
Bij shockpatiënten
met lage cardiac
output of in gevallen van cardiaal
arrest zal de beademing verdere circulatoire depressie veroorzaken door
obstructie van de veneuze retour naar het hart. Men beademt met kleine
volumina en een traag beademritme waarbij men streeft naar normocapie (55).
De aldus lagere transpulmonaire druk tijdens de beademing kan immers de
veneuze retour bevorderen en dus de cardiac
output verbeteren.
Omwille van het bloedverlies dat gepaard gaat met de letsels bij een
polytrauma en het risico op hypovolemische
shock, wordt in de behandeling van een polytraumapatiënt vaak een infuus
geplaatst om het vochtverlies te corrigeren. Heel wat urgentiediensten volgen
daarbij een eenvoudig en veralgemeend protocol zonder rekening te houden met de
oorzaak van het ongeval, de lokalisatie en aard van de letsels of het tijdstip
na het ongeval (1).
Het nut van het plaatsen van een infuus op het terrein
zonder discriminatie wordt de laatste jaren dan ook meer en meer in vraag
gesteld.
Niettegenstaande het aanprikken van een
vene meestal zeer snel en ongecompliceerd verloopt, verlengt de procedure toch
onnodig de interventietijd. Bovendien lukt het met de korte transporttijden niet
om tijdens de interventie de geplande massieve hoeveelheden vocht toe te dienen.
Om de tijd te beperken kan het infuus
eventueel worden geplaatst
tijdens het transport naar het ziekenhuis (33).
Voornamelijk deze massieve vochttoediening van cristalloïden
of colloïden
om het bloedverlies van een ernstige hemorrhagie te compenseren wordt nu sterk
in vraag gesteld (1).
Zolang
de bloeding niet is gestelpt lijkt een
massieve vochttransfusie zinloos; het toedienen van vocht tijdens de interventie
zal de druk verhogen en de bloeding verergeren, eventuele stolsels elimineren en
de in het bloed aanwezige stollingsfactoren verdunnen. Hiermee zou de prognose
van de patiënt verslechteren (1).
Bij een polytrauma is er sprake van een uitgebreide weefselschade welke minder
voorkomt bij een meer geïsoleerd trauma. Deze weefselschade geeft al gauw
aanleiding tot systemische inflammatie en veralgemeend oedeem.
Tevens is er discussie welke infusievloeistof
men best kan toedienen. Indien men slechts kleine hoeveelheden vocht
kan toedienen voor aankomst in het ziekenhuis zijn hypertone oplossingen meer aangewezen
dan isotone
oplossingen.
Men streeft dus eerder naar een meer conservatieve aanpak met
minimale en trage infusie van vloeistoffen en permissieve hypotensie tot heelkundige
hemostase mogelijk is (55).
Het plaatsen van een infuus
is ook aangewezen indien een inductie
noodzakelijk is of indien men beslist om andere intraveneuze medicatie toe te
dienen.
Indien er na het ongeval meer dan 30 minuten verstreken zijn,
lijkt een levensreddende thoracotomie op het terrein nutteloos (55).
Ook een thoracotomie doorgevoerd na stomp trauma met meer dan vijf minuten CPR
en na penetrerend trauma met meer dan 15 minuten CPR is zinloos (55).
Anderen stellen dat een thoracotomie wel op het terrein moet overwogen worden
indien een heelkundige interventie onmogelijk is in een tijdspanne van tien
minuten na de cirulatiestilstand
bij penetrerende letsels (55).
Decompressie van een spanningspneumothorax is een techniek welke op het terrein
eenvoudig en snel kan worden uitgevoerd. De laterale thoracostomie is efficiënter
dan de thoracostomie met behulp van een naald of met een tube ter hoogte van de tweede intercostaalruimte
mid-claviculair (55). De techniek wordt soms uitgevoerd door verpleegkundigen of
paramedici en kent weinig complicaties
(33).
De drainage zal de
zuurstofsaturatie en de
bloeddruk verbeteren. Tevens zal het hartritme dalen.
Diagnostische onzekerheid is een moeilijkheid, waardoor een naald wordt geplaatst met
eventueel een iatrogene pneumothorax tot gevolg. Ook de decompressie van een massieve
hemothorax zonder transfusiemogelijkheden noch invasieve heelkunde vormt een risico. De
decompressie met een naald geschiedt het snelst, toch wordt met deze techniek de pneumothorax
soms slechts tijdelijk gedraineerd. De lengte van de standaardnaalden is soms te kort om
de pleurale holte te bereiken.
Bij vermoeden van harttamponnade
ten gevolge van het trauma is een pericardiocentese uitgevoerd met een
naald op het terrein niet nuttig (55).
Het verlengt de interventietijd, brengt schade toe aan het myocard en stelt
meer efficiënte therapeutische maatregelen uit.
Zorg bij
vermoeden
van een trauma ter hoogte van de (hals)wervels onmiddellijk voor een
correcte immobilisatie van het slachtoffer. Gebruik hiertoe een
halskraag, een schepdraagberrie en een vacuümmatras.
|
|
|
In de verschillende hulpverleningssystemen varieert vaak de beschikbaarheid en het niveau
van traumazorgen. Deze verschillen hebben vaak te maken met de verschillende accenten die men
legt op de zorg op het terrein aan traumapatiënten. Deels zijn ze
ook het gevolg van een
verschil in financieringssysteem, personeelsopleiding en van geografische verschillen.
De zorg voor traumapatiënten maakt slechts een klein deel
uit van het totale hulpverleningssysteem. Voornamelijk de ernstige traumata zijn vrij zeldzaam. Urgentieartsen en
verpleegkundigen zien per jaar dus slechts een klein aantal traumapatiënten. Jammer genoeg zijn
het vaak de ziekenhuizen in minder ontwikkelde landen welke de meeste traumapatiënten
opvangen. Naarmate de landen meer ontwikkeld zijn zal de mortaliteit van een traumapatiënt
verminderen (33).
Een efficiënt traumasysteem dient:
- Alle ziekenhuizen uit de betrokken regio te ordenen overeenkomstig de
beschikbare zorgen
- Er voor te zorgen dat polytraumapatiënten worden
opgevangen in een specifiek traumacentrum
- Een urgentiedienst te voorzien waardoor de zorg voor patiënten kan worden
gestart op het terrein van het ongeval
- Triageprotocols te implementeren in het systeem waardoor patiënten naar het
ziekenhuis worden gebracht dat de beste specifieke zorg kan bieden
- De beste artsen ter beschikking te stellen in de keten van reanimatie tot
rehabilitatie
- Een centrale coördinatie en controle te voorzien op de zorg op het terrein
alsook in het ziekenhuis
Verschillende studies toonden reeds aan dat de implementatie van een dergelijk traumasysteem
leidt tot een dalign zowel in de mortaliteit als in de morbiditeit van de traumapatiënten
(35). De meeste Europese en Amerikaanse gebieden voorzien een onmiddellijke urgentiedienst
over land. In sommige landen wordt de hulpverlening voorzien met behulp van helikopters. Het
voordeel van dit transportsysteem is nog niet eenduidig aangetoond
(35). Tevens kan men argumenteren
dat dit systeem een veel hogere kost met zich meebrengt.
De meeste landen schakelen paramedici of verpleegkundigen in het urgentiesysteem in.
In sommige landen bemannen
brandweerlieden de ziekenwagendienst. Soms is het personeel getraind zowel in
brandweerinterventies als in medische urgenties.
In
Frankrijk, Duitsland, Oosteuropa, Italië, België en Turkije worden ook vaak artsen ingeschakeld
voor de hulpverlening op het terrein. In Nederland en Zweden maakt men nooit gebruik van
artsen op het terrein. In alle situaties dient men echter te voorzien in personeel dat kennis
heeft van de specifieke triageprotocols. Verkeerde regulatie naar een ziekenhuis, met volgend
een secundair transport naar een traumacentrum, leidt tot een
toename van de mortaliteit met 30%.
Soms wordt het hulpverleningssysteem gefinancierd door de staat, soms
door privé-initiatieven. In sommige minder ontwikkelde landen wordt een hulpverleningssysteem
gefinancierd door privé-initiatieven voor een meer begoed deel van de bevolking, terwijl de
grote meerderheid van de bevolking van deze diensten geen gebruik kan maken.
Andere mogelijkheden worden uitgeprobeerd. In het Groot Brittanië maakt men nu gebruik
van motorrijders binnen de urgentiediensten om de tijd naar het ongeval te minimaliseren en om
de hoeveelheid personeel op de plaats van het ongeval te vergroten.
Ook een degelijk communicatiesysteem is zeer belangrijk. Het team op het terrein dient
in de mogelijkheid te zijn om het betrokken ziekenhuis te verwittigen van de aankomst van een
traumapatiënt. Via een degelijk communicatiesysteem kan men ook
medisch advies inwinnen op het terrein, wat belangrijk is in systemen waar de transporttijden
van de plaats van het ongeval naar het ziekenhuis lang zijn.
Al bij al bestaat er dus weinig uniformiteit binnen de verschillende urgentiediensten. Welk
systeem men ook opricht, het is echter belangrijk om het systeem van op het terrein tot de
rehabilitatie, als één geheel te zien. Indien men enkel een urgentiedienst opricht zonder
rekening te houden met de verdere hulpverlening, dan maakt men een kapitale fout. Er bestaan
ook steeds belangrijke verschillen met betrekking tot de geografie, verdeling van de populatie
en etiologie van de traumata.
|
|
|
Een traumacentrum kan worden gedefinieerd als een ziekenhuis waarvan de medische staf
24 uur op 24 uur kan voorzien in een anesthesist en een chirurg met ondersteunend personeel,
voor de opvang van traumapatiënten
(35).
In de ideale situatie bevindt dit personeel zich op een zelfde afdeling van het ziekenhuis,
om te vermijden dat de polytraumapatiënt dient te worden
getransporteerd naar meerdere plaatsen in het ziekenhuis vooraleer de definitieve behandeling
kan worden gestart. Men aanvaardt algemeen dat de faciliteiten van een traumacentrum ter
beschikking staan voor de meest ernstig gewonden, welke slechts 15% van de
patiëntenpopulatie van een spoedopname uitmaken
(35).
Indien op het terrein nog geen intubatie werd uitgevoerd zal men binnen
de muren van het ziekenhuis na een snelle inductie de traumapatiënt
wel intuberen.
Bij aankomst op de spoedopname van een traumacentrum wordt, indien de
toestand van de patiënt het toelaat, de hemodynamische status gecontroleerd met
invasieve monitoring. Hiertoe plaatst men, naast een ECG-meting ook een arteriële
lijn, een centraal veneuze
drukmeting en indien nodig een intracraniële drukmeting. De urinaire output
wordt gevolgd met behulp van een blaassonde.
Ter aanvulling van de decompressie
van de thorax op het terrein kan men, indien nodig, in het ziekenhuis een
thoraxdrainage met behulp van een tube aanleggen.
Over het gebruik van vasopressoren bij de traumapatiënt bestaat nog
heel wat controverse (55).
Bij een stomp trauma dient je de mogelijkheid van een wervelfractuur uit te sluiten.
Een klinisch neurologisch bilan
is vaak slechts mogelijk indien de patiënt wakker, coëperatief en pijnvrij is. Vóór de
opname op een intensieve zorgeneenheid dient op de spoedopname reeds
beeldvorming genomen te worden van
de cervicale wervelzuil, alsook van de thoracale en lumbale wervelzuil indien
nodig.
Echografie is een waardevol hulpmiddel voor de evaluatie van
het gecompromitteerde traumaslachtoffer (55).
Hemoperitoneum, hemo- of pneumothorax en harttamponnade kunnen allen gediagnosticeerd
worden op enkele minuten tijd na aankomst in het ziekenhuis. Sedert de
introductie van de echografie in de traumazorg worden de technieken van
diagnostische peritoneale lavage en pericardiocentese verlaten. Ook voor de
prehospitaalfase is een echografie beschikbaar, de voordelen van deze
beeldvorming moeten nog bevestigd worden.
|
|
|
Ribfracturen vormen geen indicatie op zich voor het plaatsen van een thoraxdrain
(41). Zelfs bij de beademde
patiënt is dit niet nodig indien adequate monitoring voorhanden is. Anderzijds is radiologische
evidentie van een pneumothorax een absolute indicatie voor het plaatsen van een
thoraxdrain, zowel bij de
geventileerde als bij de niet-geventileerde patiënt.
Ook klinisch evidentie van een spanningspneumothorax dient gevolgd te worden door onmiddellijke
decompressie, zonder de radiologische bevestiging af te wachten.
De thoraxdrain dient zowel bloed als lucht te evacueren, meestal plaatst men minstens een
32 Fr. Gauche bij een volwassen patiënt. De meeste
thoraxdrains kunnen worden verwijderd in minder dan 48 uur.
Bij een fladderthorax behandelt men voornamelijk de onderliggende longcontusie en
zorgt men voor goede analgesie. Indien men een
centraal veneuze lijn plaatst, doet men dit
best aan de getroffen zijde. Toch kan men deze zijde best vermijden indien er hoog-thoracale
ribfracturen aanwezig zijn.
Door het risico van pulmonaire complicaties van het trauma is een
gecontroleerde beademing vaak noodzakelijk. Een
traumapatiënt kan een longcontusie ontwikkelen, een aspiratiepneumonie of een ARDS. De
ventilatie kan deel uitmaken van de behandeling van
andere letsels, zoals een hersentrauma. Laceraties van de bronchi noden soms tot
differentiële longventilatie of tot Jet Ventilation.
Heden zal men vaak ventileren met kleinere volumina waardoor de eind-inspiratoire
druk beperkt blijft. Men titreert dan de PEEP en de FiO2 om een aanvaardbare
saturatie te bekomen. Men laat hierbij soms hypercapnie en een gedaalde zuurstofspanning toe
om de risico´s van de ventilatie in de reeds
aangetaste long te beperken. Bij neurotraumata komt men echter tot een dilemma. Hyperventilatie
wordt niet meer toegepast, toch is een nauwkeurige controle van de
PaCO2 gemandateerd om een forse stijging van de intracraniële druk te
vermijden. Indien men een nauwkeurige controle van de PaCO2 niet kan
bekomen bij patiënten met hersenletsel en ernstig respiratoir falen dan zullen alternatieve
monitoringtechnieken, zoals de meting van de veneuze zuurstofsaturatie via de bulbus jugularis,
noodzakelijk zijn om een veilige marge van hypercapnie te bepalen. Algemeen weet men dat
arteriële hypoxemie sterk is gecorreleerd met een toegenomen morbiditeit, toch kent men de
veilige grens van de PaO2 evenmin.
Een minimale PEEP zou de intracraniële druk niet verhogen
(41), toch dient de intracraniële
druk nauwkeurig te worden gemeten indien PEEP noodzakelijk blijkt voor het behouden van een
goede saturatie.
In geval van een ernstig respiratoir falen kan beademing in de
"prone position" soelaas brengen. Deze vorm van beademen leidt tot een betere
ventilatie/perfusieverhouding. Bij traumapatiënten kan er echter een belangrijke
contra-indicatie bestaan zoals een instabiele wervelzuil.
Algemeen stelt men bij de polytraumapatiënt tot doel het bloedvolume te bewaren of te
herstellen, een optimale cardiac output te
behouden en een optimale weefselperfusie voor de meest gevoelige organen te bekomen.
Vroeg bij de reanimatie kan het nuttig zijn om de vochtsubstitutie te beperken en
een hypotensie aan te houden tot aan de heelkundige hemostase. Voornamelijk bij penetrerende
thoraxtraumata toonde deze houding haar nut
(41). Gedurende het verblijf op
intensieve zorgen kan men deze houding afwegen naargelang de voor- en nadelen en het
orgaan waar de bloeding optreedt. Men dient steeds waakzaam te blijven voor verdere bloedingen,
voornamelijk in het abdomen. Herhaalde niet-invasieve beeldvorming is zeer waardevol doch
niet 100% sensitief!
Alternatieve oorzaken van hemodynamische instabiliteit omvatten:
Men aanvaardt nu algemeen om het hemoglobine niet te herstellen indien het meer bedraagt
dan 7 g/dl. Stollingsafwijkingen dienen wel te worden gecorrigeerd, vooral in geval van
een cerebraal letsel of bij grote retroperitoneale bloedingen.
Na correctie van de bloeding dient aandacht te worden besteed aan de preventie van
Diepe Veneuze Thrombosen. Het is vaak moeilijk om te beslissen in welk stadium de heparine
dient te worden gestart bij een patiënt met bijvoorbeeld een bekkenfractuur en een
retroperitonaal hematoom.
In intensieve zorgeneenheden dient men voldoende aandacht te besteden aan de analgesie
van een traumapatiënt. Inschatten van de mate van pijn kan moeilijk zijn in geval van sedatie,
neurotraumata, aangezichtsletsels of na alcohol of
drugmisbruik.
Opioiden blijven de belangrijkste farmaca voor de pijnstilling bij traumapatiënten.
Het is belangrijk dat de arts vertrouwd is met de kinetiek en dynamiek van het gebruikte
farmacon.
Niet-steroidale anti-inflammatoire farmaca zijn nuttig bij de pijnbestrijding van
milde traumata. Toch dient men voorzichtig te zijn voor gastro-intestinale bloedingen of voor
reducties in de renale bloeddoorstroming in geval van uitgebreide letsels.
Codeïne wordt vaak gebruikt bij letsels aan het hoofd. Hiermee hoopt men de
neurologische functie minimaal aan te tasten, niettegenstaande evidentie in de litteratuur
hiervoor beperkt is
(41). Bij
schedeltraumata is bovendien de slechte titreerbaarheid en
de extravasculaire toedieningsweg een moeilijkheid.
Bij thoraxtraumata is een goede analgesie belangrijk ter preventie van pulmonaire
complicaties zoals een inadequate hoest en klaring van sputa, atelectase, infectie of de nood
aan respiratoire ondersteuning. Regionale anesthesie kan een goede analgesie bekomen zonder
sedatie of respiratoire depressie. Meestal is de thoracale epidurale anesthesie meest
toegepast. Vooraleer te starten met deze techniek dient men echter een spinaal letsel uit te
sluiten.
In een intensieve zorgeneenheid kan men als sedatieve farmaca gebruik maken van opioiden,
benzodiazepines, propofol, ketamine en alfa-2-receptor agonisten zoals clonidine.
Enterale voeding is beter dan parenterale nutritie. Het is niet duidelijk hoe vroeg men
reeds met deze voeding dient te starten, indien mogelijk start men meestal tussen de 24
en de 48 uur. Naast het nutritief effect dient het voedsel in de maag ook als bescherming
door de splanchnische bloeddoorstroming te bevorderen en de kans op een nosocomiale infectie
te verminderen.
Is orale voeding onmogelijk, dan verkiest men meestal nasogastrische of
orogastrische sondes. Alternatief kan men gebruik maken van een
percutane gastrostomie of een jejunostomie of van een nasojejunale tube.
Voornamelijk bij langdurige gastrische stase heeft de jejunale route een voordeel omdat het
de inname van voedsel verbetert en het risico van regurgitatie en aspiratie beperkt.
De
urinaire output is een eenvoudige en belangrijke
parameter van orgaanperfusie. Een adequate urinaire output bedraagt 0.5 tot 1 ml/kg/uur.
In geval van crush-syndroom, brandwonden, rhabdomyolyse of
myoglobinurie tracht men deze waarde zelfs te overschrijden, gezien de bedreiging voor de
nierfunctie.
Het abdominaal compartimentsyndroom is een belangrijke oorzaak van ileus en
nierfalen. Het kan worden veroorzaakt door een massieve retroperitoneale bloeding vanuit
het pelvis, door pancreatitis, door circumferentiële brandwonden
of door het sluiten van een laparatomie onder tensie.
Voornamelijk de splanchnische hypoperfusie geeft aanleiding tot ischemie ter hoogte van de
darm. Ook extra-abdominale organen kunnen worden aangetast door de toename van de
intra-abdominale druk. Deze intra-abdominale druk zorgt eveneens voor een elevatie van het
diafragma met druk op de Vena Cava. De ontstane vermindering van de veneuze retour kan
aanleiding geven tot dysfunctie van het cardiorespiratoir stelsel. Door de slechte
cardiac ouput en door stuwing in de
vena jugularis ontstaat intracraniële overdruk. Zonder decompressie is het syndroom fataal.
|
|
 |
Gelaatsfracturen zijn op zich meestal niet levensbedreigend, tenzij
ze aanleiding geven tot luchtwegenobstructie of grote bloedingen.
Daardoor bestaat er vaak de neiging om de ernst en de functionele
gevolgen ervan te onderschatten. Toch is het belangrijk om een
grondige evaluatie uit te voeren op zoek naar esthetische gevolgen
en functionele lacunes in spraak- en kauwfunctie zoals malocclusie,
visusafwijkingen zoals diplopie en geurstoornissen. Ook de preventie
van meningitis is hierbij belangrijk.
In
aanwezigheid van een lek van het cerebrospinaal vocht moet men elke
introductie van voorwerpen of instrumenten via de neus vermijden. Er
mag zeker geen nasogastrische sonde worden geplaatst.
Levensbedreigende maxillofaciale bloedingen zijn zeldzaam (1 tot
2%) en vinden hun oorsprong in het maxillofaciaal massief zelf
bij de zijtakken van de a. carotis externa - voornamelijk de arteria
maxillaris interna of de plexus pterygoideus. Ze kunnen ook een
uiting zijn van een desastreuze
schedelbasisfractuur waarbij de bloeding ontstaat uit een
veneuze sinus of uit een arteria ethmoidalis. Reductie van de
fractuur leidt in een aantal gevallen reeds tot controle van de
bloeding. Omwille van de vaak moeilijk te achterhalen origine van de
bloeding en de vaak chirurgische onbereikbaarheid, is embolisatie
een alternatief voor de bilaterale ligatie van de arteria carotis
externa. Ischemische letsels zijn hierna, omwille van de
uitgesproken collaterale circulatie, niet frequent. Wel worden
occasioneel uitval van hersenzenuwen of partiële necrose van de tong
vastgesteld. Dit is minder het geval indien de embolisatie distaal
van de aftakking van de arteria lingualis wordt uitgevoerd.
CPR \
Oorzaken
\
Polytrauma
|