Outcome


CPR / Wat is CPR? / Outcome

Index



Outcome na een reanimatie

Index


Inleiding

Er is wetenschappelijke onzekerheid in de literatuur over "hoe goed" CPR moet zijn om een leven te redden. Doen slachtoffers die "goede CPR" ontvingen het veel beter dan diegenen die minder effectieve CPR ondergingen? Een definitief antwoord laat nog steeds op zich wachten, doch de duidelijke conclusie uit meerdere studies toont dat de laagste overlevingskansen voorkomen wanneer er geen CPR werd toegepast. CPR is dus steeds beter dan geen CPR.

Niettegenstaande de ontzettende verbeteringen op logistiek vlak - MUG voorzieningen, nieuwe reglementeringen betreffende spoedopnames, ... - overlijden nog steeds de meeste slachtoffers van een cardiaal arrest. Zelfs in gebieden met beschikbare en goed uitgebouwde urgentiediensten, bedraagt het ontslag uit het ziekenhuis na een cardiaal arrest nog steeds slechts 15 tot 20%. De kans op overleven aan een cardiaal arrest optredend buiten het ziekenhuis in landelijke gebieden bedraagt zelfs minder dan 5% [1]. Verlaat de patiënt het ziekenhuis, dan bedraagt de overleving na tien jaar 46% [62].

Volledig herstel na cardiaal arrest geschiedt zelden onmiddellijk. Slechts 2 tot 5% van de patiënten worden succesvol gereanimeerd. Het herstel van de elektrocardiografische complexen markeert de start, en niet het einde, van een succesvolle reanimatiepoging. Het echte einde is een volledig bewuste, neurologisch intacte patiënt met een spontaan en stabiel hartritme en een adequate urinaire output. De outcome of overleving na een reanimatie buiten het ziekenhuis wordt bepaald door een heel aantal factoren:

  • De leeftijd van de patiënt
  • Voorgeschiedenis van de stilstand
  • Oorzaak van de stilstand
  • Aanwezigheid van een getuige bij de stilstand
  • Snelheid van de Eerste Hulp en B.L.S.
  • Snelheid beschikbaarheid A.L.S.
  • Techniek van de reanimatie
  • De onderliggende oorzaak was een ventriculaire fibrillatie

Nochtans kan geen enkele van deze factoren, noch alleen noch in combinatie, een goede voorspelling van de outcome maken [18] onmiddellijk na de reanimatie. Toch zou bij comateuze patiënten welke een reanimatie overleefden, een eenvoudig klinisch onderzoek het risico van overlijden of slechte neurologische outcome kunnen voorspellen. Indien de pupilreflexen en corneareflexen 24 uur na de reanimatie nog steeds afwezig zijn en indien na 72 uur nog steeds geen motorisch antwoord kan uitgelokt worden, is de kans op een belangrijk neurologisch herstel extreem klein [1].

In de Wetenschappelijke litteratuur is er nog geen zekerheid betreffende hoe "goed" CPR moet zijn om een leven te kunnen redden [19]. Hebben slachtoffers die een perfect uitgevoerde CPR ontvangen veel betere overlevingskansen dan indien de CPR minder goed uitgevoerd werd? Verdere studies dienen nog te worden uitgevoerd, maar men kan nu al besluiten uit meerdere studies dat de laagste overlevingskansen voortkomen indien er helemaal geen poging tot CPR werd ondernomen (19) (1). CPR is steeds beter dan geen CPR. Daarom kan een eenvoudige basisbenadering, die efficiënt kan worden aangeleerd aan een groot percentage van de bevolking, het aantal overlevenden na plots cardiaal arrest aanzienlijk vergroten.
Een betere CPR-opleiding van het brede publiek en het beschikbaar stellen van automatische externe defibrillatoren op plaatsen waar een verhoogd risico op plotse hartstilstand heerst, hebben inmiddels reeds bijgedragen tot een groter succes van de reanimatietechnieken. Hiermee gepaard rijzen heel wat meer medische en ethische vragen. Eens de spontane circulatie is hersteld is volledige recuperatie nog steeds ver van zeker. De mogelijke outcome varieert van volledig neurologisch herstel tot persisterende vegetatieve status. Ongeveer 8 van de 10 patiënten welke een hartstilstand overleven zijn comateus na de reanimatie. Belangrijk neurologisch herstel komt slechts voor bij 10 tot 30%. Deze onzekerheid met betrekking tot de outcome vergroot de emotionele onrust van de angstige en rouwende familieleden.

In de CPR-guidelines van 2000 wordt nu ook meer aandacht besteed aan de neurologische outcome na een reanimatie (18). Men gebruikt hiertoe de term cardiopulmonaire-cerebrale resuscitatie. Vele studies geven toch een aanvaardbare levenskwaliteit weer bij overlevers van een cardiaal arrest.

Outcome na een reanimatie in het ziekenhuis

Ongeveer 40% van de patiënten die een hartstilstand doormaken in het ziekenhuis worden gereanimeerd, een vierde hiervan overleeft de reanimatie (3). Met uitzondering van het operatiekwartier vindt men de beste resultaten voor een succesvolle reanimatie in de Intensieve Zorgenafdeling, de beste overleving op langere termijn noteert men op de spoedopname.
Het succespercentage in het ziekenhuis is gelijkaardig aan dat buiten het ziekenhuis voor gebieden met een snel urgentiesysteem.
Men zou in het ziekenhuis betere cijfers verwachten voor reanimatiepogingen dan buiten het ziekenhuis omwille van de snelle reactietijden. Nochtans zal de aanwezigheid van meer ernstige ziekten bij patiënten die worden gereanimeerd in het ziekenhuis, er toe bijdragen dat het succes van de reanimatiepogingen wordt gereduceerd. De slachtoffers van een hartstilstand binnen het ziekenhuis zijn ook vaak oudere patiënten. Naast de nadelige leeftijdsfactor spelen bij een reanimatie in het ziekenhuis ook de tijd tot initiatie van de reanimatie, de voorafgaande ziektetoestand van de patiënt (sepsis, pneumonie, gemetastaseerd carcinoma en andere aandoeningen), de ernst van de ziekte, de duur van de reanimatie en het hartritme dat de hartstilstand  vooraf ging een rol bij het bepalen van de overlevingskansen van de patiënt (41).
Het plaatsen van een defibrillator op alle afdelingen van het ziekenhuis zou de outcome van patiënten die lijden aan een ventriculaire fibrillatie duidelijk kunnen verbeteren (3).

Outcome na reanimatie op Intensieve Zorgen

De kans op succes na een reanimatie op de afdeling Intensieve Zorgen is nog niet gekend. Bij een dergelijke patiëtenpopulatie speelt de ernst van de bestaande ziekte een heel belangrijke rol in de outcome van de patiënt na de reanimatie. Het initieel succes van C.P.R. situeert zich tussen 17 en 44%, niettegenstaande in een eenheid met continue monitoring de interventie steeds zeer snel volgt op het arrest. Bovendien is het verpleegkundig team op een afdeling Intensieve Zorgen meestal beter vertrouwd met de C.P.R.-technieken.
Overleven op lange termijn wordt geschat op slechts 3 tot 16% (41). Cijfers lopen echter te sterk uiteen, de overlevingskansen op lange termijn zijn meestal echter heel klein. Factoren welke leiden tot een slechte prognose zijn hypotensie vóór het optreden van de hartstilstand, sepsis, hoge APACHE II scores bij opname op I.Z., lange reanimatieduur, chronische aandoeningen, acuut orgaanfalen, gemetastaseerd kanker, nierfalen met hoge creatininewaarden of een initieel hartritme anders dan ventrikelfibrillatie of ventrikeltachycardie. Ook het Caucasische ras, het gebruik van steroëden of een infectie bij opname verhoogt de kans op overlijden. Al deze factoren staan in verband met het Multiple Orgaan Dysfunctie Syndroom welk op Intensieve Zorgen de ernst van de aandoening bepaald.


Outcome na fibrillatie

Index

De optimale aanpak van een ventrikelfibrillatie bestaat uit het onmiddellijk toepassen van C.P.R.. Indien de reanimatie meteen gestart wordt, kunnen de kansen op overleving verdubbelen of zelfs verdrievoudigen [54]. Het starten van de C.P.R. dient snel te worden gevolgd door elektrische defibrillatie. Indien deze stap binnen een tijdspanne van drie tot vijf minuten kan georganiseerd worden, lopen de overlevingskansen voor het slachtoffer op van 49 tot 75% [54]Index. Elke minuut vertraging in de defibrillatie verkleint de overlevingskansen met 10 tot 15% [54].

Een procedure is noodzakelijk om in zo kort mogelijke tijd een defibrillatie uit te voeren. Vroege elektrische defibrillatie krijgt daarom in de richtlijnen 2005 veel meer aandacht. Hoewel tot enkele minuten na de intrede van de fibrillatie een defibrillatie mogelijk is, dalen de kansen op succes en een goede longterm outcome reeds 90 seconden na het instellen van de fibrillatie. Nadien dalen de kansen samen met de biochemische veranderingen die samen gaan met cardiaal en respiratoir arrest. Basic Life Support kan deze kansen niet omkeren, enkel kan het in optimale omstandigheden worden aanzien als een vertragende factor van de deterioratie. Deze stelling gaat samen met de klinische observatie dat defibrillatie moeilijker wordt met de tijd, ondanks degelijke B.L.S. en met de experimentele observatie dat de myocardiale pH verder daalt gedurende hartmassage.

De nood aan een goede cerebrale flow is steeds belangrijk, en stelt ons tot dilemma: de nood aan prompte defibrillatie tegen de nood aan voortgezette Basic Life Support. Men redeneert hier echter dat men best zo snel mogelijk de cardiale toestand causaal kan aanpakken wat de metabole resultaten van de circulatiestilstand eveneens verbetert.

Defibrillatie dient dus zo snel mogelijk worden toegepast, liefst binnen de 2 - 3 minuten, met een maximum van 8 minuten.


Index

Prognose van C.P.R. bij zwangeren



Cardiaal arrest komt voor bij ongeveer 1:30.000 zwangere vrouwen, doch overleving na cardiaal arrest is uitzonderlijk.

Factoren met een negatieve invloed op de overleving in deze situatie zijn enerzijds de anatomische veranderingen die het moeilijk maken om een vrije luchtweg te behouden en een vlotte intubatie uit te voeren, pathologische veranderingen zoals een larynxoedeem, fysiologische veranderingen zoals een gestegen zuurstofnood en verhoogd risico op aspiratie.
In het derde trimester daarenboven is er een groot risico op compressie van de vena cava inferior door de zware uterus wanneer de patiënte op de rug ligt. Dit veroorzaakt een stop van de veneuze retour en verijdelt elke poging tot resuscitatie.

Een snel ingrijpen bij zwangeren is dus essentieel, met aandacht voor de positie tijdens de reanimatie.


Cerebral Performance Category Score

Index

De functionele status van overlevers na een reanimatie kan worden bepaald met behulp van de Cerebral Performance Category Score:

Goede cerebrale functie
Patiënten met een goede cerebrale functie zijn bewust, alert, in staat om te werken en om een normaal leven te leiden, eventueel met kleine psychologische of neurologische beperkingen zoals een milde dysphasie, niet-invaliderende hemiparese of mineure letsels van de craniale zenuwen
Matige cerebrale functie
Patiënten met een matige cerebrale functie zijn bewust en hebben voldoende cerebrale functie voor minstens deeltijds werk in een beschermde omgeving of voor het onafhankelijk uitvoeren van de activiteiten van het dagelijks leven, zoals zich wassen en kleden, zich verplaatsen met publiek transport en het bereiden van eten. Ze lijden eventueel aan hemiplegie, stuipen, ataxie, dysphasie of permanente geheugenstoornissen.
Ernstige cerebrale dysfunctie
Patiënten met een ernstige cerebrale dysfunctie zijn bewust maar afhankelijk van anderen voor het dagelijks leven ten gevolge van een dysfunctie van het cerebrale zenuwstelsel. Ze leven in een instelling of eventueel thuis met hulp van de familie. De aard van cerebrale dysfunctie kan variëren van ernstige geheugenstoornissen tot dementie en paralyse waarbij ze enkel kunnen communiceren met de ogen, zoals bij het "locked-in syndroom".
Coma of vegetatieve status
Patiënten in coma of in een vegetatieve status zijn bewusteloos en zich dus niet bewust van hun omgeving. Ze hebben geen verbale of psychologische interactie met hun omgeving.
Hersendood

CPR / Wat is CPR? / Outcome


Bart Massaer